Beknopt of uitgesponnen schrijven

31 jan

handschriftIn de cursussen die ik geef komen weleens vragen op over beknopt of uitgesponnen schrijven. Kort of lang? Een vrijwel onmogelijke vraag, want het gaat om twee begrippen die je niet zomaar kunt definiëren. De eigenlijke vraag zou kunnen zijn: boeit wat ik heb geschreven, of niet? Vertel ik genoeg of teveel, laat ik in een scène zien waar het echt om gaat? Met zulke vragen komen we dichter in de buurt.
Ik had een korte tekst in gedachten die misschien wel tegelijkertijd te lang én te kort was, terwijl ik aan het lezen was in Ian McEwan, Boetekleed. Eerst een vrije impressie van de tekst die een cursist schreef:
“Frits had zich die morgen gewassen, geschoren en keek nog even in de spiegel: met zijn pas geknipte haar zag hij er prima uit. Het was nog vroeg. De ochtend liet genoeg tijd over om rustig naar zijn werk te rijden. Het was een halfuurtje naar het gebouw van zijn nieuwe baan, hij zou tijd genoeg hebben om te parkeren. Zijn auto stond in de parkeergarage recht onder de flat waar hij sinds kort woonde. Hij nam de lift en drukte de P in. Eenmaal bij de receptie van het bankfiliaal werd een medewerker  gebeld die hem naar de afdeling begeleidde. Na een rondje voorstellen kreeg hij uitleg over de werking van het computersysteem, hoe in te loggen en wat zijn eigen e-mailadres zou zijn. Nu voelde hij zich echt deel van het team.”
In betrekkelijk weinig woorden krijg je een beeld van wat er die ochtend in pakweg anderhalf uur gebeurde.
Ian McEwan beschrijft hoe Cecilia in opdracht van haar moeder een vaas met wilde bloemen zal vullen om die op de kamer van een van de gasten te zetten. Hij neemt de tijd. Hij laat ons Cecilia zien en hoe ze staat tegenover Robbie, de zoon van een vrouw die in een huisje op het landgoed woont: “Hier te blijven hangen, verveeld en gerieflijk, was een vorm van zelfkastijding met een vleugje genot of de verwachting daarvan; als ze wegging gebeurde er misschien iets naars, of erger nog, iets leuks, iets wat ze zich niet kon veroorloven te missen. En dan was er nog Robbie, die haar ergerde met zijn vertoon van afstandelijkheid en zijn grootse plannen die hij alleen met haar vader wilde bespreken. Ze kenden elkaar al vanaf hun zevende, zij en Robbie, en het stoorde haar dat ze niet op hun gemak waren als ze praatten. Ook al vond ze dat grotendeels zijn schuld – kon zijn cum laude hem naar het hoofd gestegen zijn? – ze wist dat dit iets was wat ze moest ophelderen voordat ze overwoog om weg te gaan.” Dan gaat ze naar haar kamer om de vaas met bloemen te vullen. Vervolgens wordt de vertelling onderbroken door het verhaal dat met de vaas is verbonden. De overleden oom en enige verwant van haar vader heeft die vaas in Frankrijk gekregen, uit dankbaarheid omdat hij tientallen mensen het leven had gered. Het is een kostbare vaas van Meissner porselein. Met zoveel nadruk op de vaas, begin je als lezer ongerust te worden; is dit de inleiding tot een ongeluk met de vaas? McEwan gaat verder met Cecilia, die nu water in de vaas moet doen. Zij overweegt intussen van alles, haar verblijf hier in het ouderlijk huis, haar broer en een vriend, Robbie… De meest logische plek zou de keuken zijn, maar daar is de kokkin bezig en van een afstand is al te horen dat die in een vreselijk humeur is. Ze zou naar de vijver kunnen gaan, hoewel Robbie daar staat, en daar heeft ze geen zin in. Al die overwegingen worden onderbroken door een vervolg op de geschiedenis van de vaas. Iemand die in een museum werkte vermoedde dat de vaas bij Sotheby een hoop geld zou opleveren. Haar vader vond dat de vaas gewoon gebruikt moest worden uit eerbetoon aan zijn broer. Uiteindelijk gaat Cecilia toch naar de vijver.
McEwan vertraagt in dit gedeelte sterk: het kost je meer tijd om te lezen hoe Cecilia de bloemen in de vaas schikt en water toevoegt, dan de tijd die dit in de werkelijkheid heeft gekost. Maar goed, daarna zit er niet alleen water in de vaas, maar weet je als lezer een stuk meer van wat er in Cecilia omgaat, en hoe verschillende verhoudingen thuis liggen. Behalve dat ligt er over de hele episode de dreiging dat er iets misgaat met die vaas. Er is niet gezegd dat er iets zal gebeuren, maar alle aandacht ervoor, maakt je als lezer gevoelig voor het lot van de vaas.

Ik denk dat het verschil tussen de man op dag één van zijn nieuwe baan en Cecilia dit is: Als lezer zitten we niet alleen dicht op de huid van Cecilia, we zitten er als het ware onder. Van Frits weten we niets. Behalve dan dat hij zich door het e-mailadres deel voelt van het team. Daardoor missen elementen als tijd genoeg, het feit dat de parkeergarage onder de flat is gelegen en dat hij de lift neemt, een lading die ze interessant kunnen maken. Als we die ochtend met Frits sterk zouden meebeleven, dan kan de scène moeiteloos worden uitgebreid. Hij is misschien wel onzeker op die eerste dag, verwisselt een paar keer van overhemd en stropdas. Kleine dingen die op zichzelf banaal zijn, maar inzicht kunnen geven in het personage. Al die tijd zou hij kunnen denken aan vorige wel of niet goed uitgepakte banen, en wat deze nieuwe stap voor zijn leven kan betekenen. Zonder die insteek zou je de gang van Frits van huis tot aan zijn plek achter het beeldscherm nog aanzienlijk kunnen bekorten.
Cecilia die een vaas vult krijgt bij McEwan ettelijke pagina’s. Het gaat in dit geval echter niet om die simpele handeling, het gaat om Cecilia en al de dingen die voor haar belangrijk zijn. De handeling is van ondergeschikt belang, ook al loopt deze episode uit de roman uiteindelijk heel verrassend af.
Conclusie? Of handelingen meer of minder belangrijk zijn, ligt aan het personage. Als het voor hem of haar van belang is, moet je het de aandacht geven die het verdient. Die samenhang moet de lezer duidelijk zijn. Wat dat aangaat kan het stukje over Frits en zijn nieuwe baan zowel korter als langer  zijn. Als startend schrijver kun je beide in verschillende versies uitproberen.

Tags:, , , ,

Anton Koolhaas, Een kind in de toren

22 jan

Na een paar romans van Koolhaas begin ik me meer en meer te verwonderen dat hij niet een belangrijker plaats inneemt in de verschillende lijstjes die op het gebied van de Nederlandse literatuur in omloop zijn. Ik geef toe dat ik zelf ook pas een start maakte, nadat ik bij Jeroen Brouwers had gelezen dat hij zo de moeite waard was. Ook het boekenweekgeschenk ‘Een schot in de lucht’ stond braaf en ongelezen in de kast. Ik heb het net even nagekeken: het is van 1962! Ook die schade intussen ingehaald, en mocht je het ergens op een marktje of antiquariaat tegenkomen, neem het dan vooral mee voor een paar uurtjes leesplezier.
Maar goed, dit blog gaat over Een kind in de toren en ik schrijf deze stukjes met in het achterhoofd de vele mensen die ik ken en die graag zelf schrijven. De roman geeft een inzicht in de geest en de aard van de hoofdpersoon en van een stukje wereld waarin het kwaad buitengewoon goed gedijt. Daarnaast is het een pleidooi voor de fantasie. Ik las deze week nog een krantenartikel waarin een schrijver vertelt dat zijn uitgever erop aandringt om toch vooral op ware gebeurtenissen gebaseerde verhalen te schrijven. Dat is wat ‘de lezer’ zou willen. Ja, wie weet. Misschien ben ik wel niet de standaard lezer, aan de andere kant blijken die standaards vaak net zo min te bestaan als ‘de Nederlander’, zoals Maxima ooit heel terecht opmerkte.
Koolhaas’ roman begint met een brief die zelfs in het jaar dat het boek van de persen rolde (1977), al ouderwets aandeed. Wil de bekende architect Aernoudt Kampe naar St. Maris komen om te zien op welke manier de vijftiende-eeuwse toren gerestaureerd kan worden? Kampe, 55, gesetteld, weduwnaar, twijfelt, maar ziet er een mogelijkheid in om de sleur die zijn leven is geworden, te doorbreken. Qua karakter vertoont hij overeenkomsten met de hoofdpersonen uit andere romans van Koolhaas. Oud genoeg om op zijn leven terug te kijken, maatschappelijk succesrijk, emotioneel arm, wat terug te voeren is op een gebrek aan liefdevolle warmte in zijn jeugd en opvoeding.
Ik denk niet dat St. Maritz op de kaart is terug te vinden. Het ligt in een Europees buitenland, in een gebied met middelhoge bergen. Kenmerkend is dat er vrijwel voortdurend laaghangende bewolking is, zodat de toren bijna altijd in de mist verdwijnt. Deze duistere plek wordt beheerst door nog duisterder krachten: ooit belichaamd door een bisschop d’Ornoisy die met een terreurbewind de zonde dacht te bestrijden, later door een serie nazaten die het stokje enthousiast overnamen en doorgaven. De restauratiecommissie blijkt een dekmantel om de terreur waarin de toren een belangrijke rol speelt, te kunnen verlengen. Zij zou liefst een rapport zien waarin staat dat restauratie onmogelijk is. Dat Kampe toch de toren in wil is niet voorzien, en als hij doorzet, moet hij er niet meer uitkomen. Het loopt anders. Hij is niet voor niets een erg goede architect en constructeur en doorziet daarom een aantal verrassingen die de commissie voor hem in petto heeft. In die omstandigheden gaat hij alleen de toren in, met proviand en slaapgerei, want hij is van plan om langzaam naar boven trekkend de technische staat in kaart te brengen. Het is een expeditie die hem meer en meer met zichzelf confronteert, ook met de mogelijkheid (hij speelt even met die gedachte) in één van de vallen te stappen en het leven vaarwel te zeggen. Een omslag vormt het kind in de toren. Ik verklap niet teveel; op de achterflap is al te lezen dat een paar grote roofvogels – groot genoeg om lammeren en honden mee te nemen – een peuter hebben geroofd. Kampe ziet kans het kind te redden en zit daarmee nu in de toren. Hoe hij daarmee omgaat en wat het met hem doet, staat in schril contrast tot zijn vroegere verhouding met zijn eigen, jong gestorven kinderen.
In dit verhaal, de roman is tenslotte een verhaal, al valt er nog heel wat meer over te zeggen, in dit verhaal dus weinig eerbied voor de uitgever die vindt dat alles op werkelijkheid moet zijn gebaseerd. Het mooie is dat je als lezer wordt meegenomen in niet alledaagse omstandigheden, maar dat de mens er een herkenbare hoofdrol in blijft spelen. Het is kil en koud in de toren, maar ook in de ziel van Kampe. Mensen hebben kwalijke kanten en hier, onder aanvoering van d’Ornoisy en zijn meelopers van de Commissie, is het sterk uitvergroot. Behalve de ontwikkeling die bij Kampe is te zien, is er een spannend element: gaat hij uit dit wespennest geraken?
In het laatste deel herneemt het oude leven zijn loop. Maar kan dat wel, en was St. Maritz slechts een episode? Ik ga het hier niet vertellen. Lees het boek, let ook eens op de manier van vertellen en de structuur die in drie delen uiteenvalt.

Tags:, , , , ,

Harry Mulisch, De Verteller

9 jan

of een idioticon voor zegelbewaarders.
Zo luidt de ondertitel van ‘deze wonderbaarlijke familieroman, die zich in meer dan één opzicht onderscheidt van andere familieromans…’(flaptekst).
Ja, dat mag je wel zeggen. Mulisch hanteert een experimentele stijl, waarin het vertellen van een enigszins begrijpelijk verhaal naar de achtergrond wordt gedrongen. Het boek kwam uit in 1970 en moet dus in de zestiger jaren zijn geschreven, een tijd waarin veel kunstenaars experimenteerden met nieuwe vormen. Aan de ene kant paste het wel in de tijd, aan de andere kant schreef de overgrote meerderheid van de auteurs romans in een begrijpelijke Nederlandse zinnen. De kritiek was vernietigend. Nu kun je je afvragen of dat terecht was, het is immers wel vaker voorgekomen dat tijdgenoten de kwaliteit van een kunstwerk niet zagen, zodat je pakweg veertig jaar later denkt, wauw, dat ze dat toen niet zagen, die critici.
Ik heb het boek gelezen, heb me bij tijd en wijle gedwongen om verder te lezen, en ik ben niet blij. Het verhaal van een man die acht tanden heeft laten trekken en nu op zijn jacht wacht tot een noodprothese klaar is, en intussen zijn verleden overdenkt, ontspoort tot een bal woordspaghetti, met daarin alles, maar dan ook alles wat de schrijver inviel. Het levert, om een ander beeld te gebruiken, erg veel wonderbaarlijke bomen op. Probeer daar doorheen het bos nog maar eens te zien! Het verhaal, voor zover het nog te volgen is, wordt onderbroken door tien zegels, aparte teksten, en een brief waarvan op negen verschillende plaatsen een stukje opduikt.
Hoe je met een dergelijke tekst, roman zou ik het niet noemen, omgaat, ligt aan je basisinstelling. Ga je er vanuit dat je het boek leest van een van de grootste Nederlandse schrijvers, dan kun je het boek lezen en herlezen en aan de dingen die je aanvankelijk ontgaan, betekenis toekennen. Je kunt je daarbij laten helpen door het boek ‘De verteller verteld’ waarin Mulisch een uitgebreide uitleg geeft. Hij schreef dit nadat de kritiek weinig had heel gelaten van zijn wonderbaarlijke familieroman. Dat kan. Je kunt er vanuit gaan dat de schrijver heilig is en dat het aan jou moet liggen als je het boek niet waardeert, of begrijpt. De meeste lezers haken echter gewoon af. Sommige lezers kunnen zelfs kwaad worden: wat is dit voor gedoe, waarom haalt de schrijver er te pas en te onpas allerlei referenties bij uit de oudheid, de alchemie, getalspelen en wat al niet meer? Wil hij laten zien hoe belezen en erudiet hij is, is het grenzeloze ijdeltuiterij, zal de lezer hem worst zijn? Zoals ik al zei, het hangt af van de basisinstelling, ben je een bewonderaar door dik en dun, een neutrale lezer, of kritisch tot wantrouwend ten opzichte van de schrijver?
Eén ding is duidelijk, door te vergeten dat je een verhaal wilde vertellen en jezelf te vermaken met allerlei taalspelletjes die jij als schrijver erg amusant vindt, raak je de lezer kwijt. Omdat ik al jaren schrijfcursussen geef, is dat ook de manier waarop ik naar de verhalen van anderen kijk. Dit blijkt niet te werken. Overigens heeft Mulisch dat zelf ook begrepen. Wel heeft hij eerst nog een uitgebreide uitleg geschreven bij De Verteller, maar in zijn latere werk is hij afgestapt van dit experimentele procedé.
Was het lezen van dit boek verspilde tijd? Nee, het is goed om te zien hoe je je als schrijver los kan maken van alle afspraken over het schrijven. Oké, je kan daarin te ver gaan, maar toch, zo’n exercitie maakt je wel vrijer. Sommige spelletjes zou je zelf kunnen spelen om je gevoel voor taal te vergroten, zoals de dropping van een brood: ‘- en plotseling hing het brood als een wolk vogels in de blauwe lucht…’ waarna een broodvormige wolk verschijnt van tegen de veertig woorden die allemaal met brood te maken hebben.

Tags:, , , ,

Harry Mulisch – De elementen

3 jan

Hoewel in 1988 gedrukt, lag dit exemplaar nog als nieuw op een boekenkraam, compleet met een reclamestrook om de omslag. Roman, zegt de uitgever, misschien door Mulisch geïnspireerd, waarmee weer eens blijkt dat het verschil tussen roman en novelle een arbitraire zaak is: er zijn langere novellen en kortere romans.

De elementen blijken de bekende vier elementen, het eerste deel heet Aarde. Mulisch past een niet zo gebruikelijke vorm toe om de lezer in het verhaal te trekken. Neem het volgende, schrijft hij, stel, je hebt het hele jaar hard gewerkt en nu ben je op vakantie op Kreta. Hij somt nog een aantal mogelijkheden op, maar besluit: Nee, je bent een Nederlandse man op Kreta en het is een zomer aan het eind van de twintigste eeuw. Dat is nu dus vastgelegd.

Daarmee is ook de vorm vastgelegd. Gedurende de roman is de lezer de hoofdpersoon, hij wordt met je aangesproken en hij is het die alle verwikkelingen meemaakt. Hij, is getrouwd met een vrouw die hem niet meer kan uitstaan, hij is de succesvolle reclamejongen die grote accounts binnen haalt en houdt, heeft zijn twijfels, zijn wanhoop. Dat alles wordt jou als lezer toebedacht. Als op een gegeven moment de hoofdpersoon en zijn vrouw Regina vijandig zwijgen, voert de verteller een mogelijk gesprek op. De man verwijt haar nooit tevreden te zijn, steeds meer te willen, tot ze misschien met twintig bewakers op Antibes zit. En zal je dan gelukkig zijn? Zelf stelt hij: “Ik ben nooit zo gelukkig geweest als die avond op mijn huurkamer, toen jij uit Parijs terugkwam.” / “Dat is lang geleden.”/ “Twaalf jaar, om precies te zijn. En daarom ben je ontevreden om een volstrekt belachelijke en infantiele reden, en ik moet er voor boeten. Oké, dat is de straf voor mijn cynische beroep…”

Het eindigt ermee dat zij zegt dat hij kan doodvallen en dat de verteller schrijft: Het is niet zeker dat het allemaal zo gezegd had kunnen zijn, want jullie hebben geen woord gesproken. Zwijgend zitten jullie naast elkaar. Plotseling voel je de neiging haar te slaan, zo hard je kunt, in haar gezicht; maar dat doe je niet. Geef toe dat je wanhopig bent. Jullie maken zelfs geen ruzie meer. Het ziet er naar uit dat het zwijgen van het heelal, daarboven tussen de sterren, jullie voorgoed heeft vastgegrepen.

De roman gaat zeker niet uitsluitend over een echtpaar dat het stadium van ruzies voorbij is en nu op Kreta een voorlopig nog onbekend lot wacht. Er zijn ontmoetingen met andere, rijke en bekende personen, en gesprekken over de Klassieken, de goden, Grieken, Romeinen latere filosofen. Dat is wat Mulisch graag doet, en wat in later werk terugkomt. Dit wordt ook gebruikt om verband in het verhaal te krijgen en te versterken. Het veel liefst alles omvattende en dat rond een bepaald thema, in dit geval liefde en geluk, het aardse, geld en bezit, tegenover het hogere, de geest.

Tegenover deze achtergrond speelt zich het verhaal af dat aan het einde van de twintigste eeuw op Kreta speelt en waarin jij, lezer, samenvalt met de hoofdpersoon. Een verhaal met een verrassende, maar niet totaal onmogelijke afloop. Een afloop ook die alle elementen bij elkaar brengt en waarvoor ik alleen het woord climax kan vinden.

Tags:, , , ,

Remko Kampurt, Tjeempie, of Liesje in Luiletterland

28 dec

Het heeft wel wat om je af en toe bij het lezen te laten leiden door wat er te vinden is in de grote bibliotheek die de Rotterdamse markt heet.

Met Tjeempie stap je gedurende een aantal uren terug in de zestiger jaren. Het was de tijd van de luf sien, en steeds herhaalde uitdrukkingen als “weet je wel” en “koele vogel”. Het boek is een duidelijke persiflage die je snel uitleest. Liesje krijgt van de niet zo koosjere leraar Van Dale de opdracht om in de paasvakantie moderne schrijvers te interviewen. Haar moeder, lid van een clubje voor Zedelijke Pantsering, is er fel op tegen, wat Liesje sterkt in haar voornemen de opdracht wél uit te voeren. Daarbij komt dat ze anders een grote kans loopt bij Van Dale thuis te moeten komen om haar straf te ondergaan.

In de verschillende schrijvers die ze tegenkomt zijn vrij gemakkelijk bestaande schrijvers te herkennen. Als eerste Jan Wolkers die naar Rotterdam is geweest om wiet te scoren en nu stoont in de trein zit. “Jofele stad, rotterdam, zeker als je wat gerookt had, een hele kliene sien met al dat glas en steen, net of je in een ander land was.” (…) “O daar had je de kondukteur – hip pakkie had die vogel aan. Goed gesneden en lekkere bokkestof. Einde-pet op. Zo’n kniptang was trouwens ook helemaal uit een andere wereld. Klien en glanzend, van een grote schoonheid.”

Campert schrijft in een anti-autoritaire spelling: informaatsie bijvoorbeeld, powezie en ekspierementelen. Naast Wolkers ontmoeten we: het Roofdier, Jan Cremer; de Best Gekapte Schrijver van Nederland, Harrie Mulisch. Zelf komt hij voor in een bescheiden bijrol, fietsend in een geruit houthakkershemd. Omdat haar moeder vond dat al die vreselijke schrijvers alleen maar over seks schrijven, heeft Liesje zich als taak gesteld hier meer over te weten te komen. De grap is dat ze het woord niet schijnt te kennen maar wel voortdurend met het onderwerp in de weer is.

Het boek leest als een trip in de tijd van Flower Power, compleet met alle uitdrukkingen die intussen geschiedenis zijn. Er gebeurt nog meer: Liesjes buurjongen heeft de taak parlementariërs te ondervragen; als Liesje verdwenen is wordt de huisknecht (de scholieren zijn van chique komaf) er op uitgestuurd om haar te vinden en terug te brengen. Iets wat ook anders loopt dan voorzien was.

Als je zelf schrijft is de aardigheid vooral dat je ziet hoe los en vrij je met taal en met een verhaal kan omgaan. De auteur Remco Campert heeft zichtbaar plezier beleefd aan de persiflage op een paar van zijn bekendste collega-schrijvers.

Tags:, , , ,

Schrijven met een gratis en legale tekstverwerker

23 dec

De cursisten die mij hun verhalen sturen werken met verschillende tekstverwerkers. Soms leidt dit er toe dat de ene cursist het werk van de ander niet kan openen.

Al jaren is er een gratis alternatief voor Word, namelijk OpenOffice Writer. Voor de volledigheid: OpenOffice is een Office Suite met de onderdelen Base, Calc, Draw, Impress, Math en Writer. Je kunt hiermee teksten schrijven, spreadsheets maken, powerpoint presentaties maken en nog een paar dingen. Ik ga geen gebruiksaanwijzing schrijven.

De laatste tijd zou je in de war kunnen raken omdat er een paar programma’s zijn die veel op elkaar lijken en net niet hetzelfde zijn. Het gaat om OpenOffice, Libre Office en White Label Office. Om je niet lang in het ongewisse te laten: volgens mij moet je Libre Office kiezen.

Nu de langere versie. OpenOffice gaat terug op Star Office, waarvan de makers, Sun Microsystems, besloten de broncode voor iedereen toegankelijk te maken, zodat software ontwikkelaars het programma verder konden uitbouwen en gratis ter beschikking konden stellen aan iedere computer gebruiker. Na verloop van tijd nam Oracle Sun over. Daarna werd het onduidelijk wat de toekomstplannen voor OpenOffice zouden zijn. Echt boteren deed het niet tussen de nieuwe eigenaar en de software ontwikkelaars. Om die reden besloot een groot deel van die laatste mensen zelfstandig door te gaan met een vertakking van OpenOffice: Libre Office. Dat heeft intussen de steun gekregen van meer ontwikkelaars van zogeheten Open Source programma’s, zoals verschillende Linux besturingssystemen. Er zijn in Libre Office verbeteringen aangebracht die in OpenOffice nog niet bestaan. Wel zijn bijna alle bestanden Open/Libre Office uitwisselbaar. Libre Office kan echter nieuwere Word docx bestanden openen en verder verwerken.

Sinds heel kort heeft zich een nieuwe groep afgesplitst van OpenOffice. Deze groep noemt zich Team OpenOffice en claimt de opvolger te zijn. De groep heeft echter geen recht op de naam en noemt daarom hun Office Suite White Label Office. Tegelijkertijd roept Team op om vrijwillige bijdragen, donaties, te sturen zodat OpenOffice kan overleven. Merkwaardig, want OpenOffice bestaat nog steeds en wie dat wil kan het ook vandaag nog downloaden. Misschien komt White Label ooit met een Nederlandse versie, maar tot nu toe is de Engelse versie voor ons het dichtst bij. Ik heb het geprobeerd en weer van de harde schijf weggehaald. Libre Office werkt nog net wat beter dan OpenOffice en lijkt op dit ogenblik meer support vanuit The Industry te hebben.

Mijn conclusie is: wil je een goed alternatief voor de bekende tekstverwerker en de andere programma’s van een Office Suite, schakel dan over op Libre Office. Je kunt je bestanden opslaan als het eigen Open Document file (.odt) of in diverse andere formats, zoals .txt, .rtf, .doc, .docx en meer.

Tags:, , , , , ,

Tomas Lieske, Alles kantelt

19 dec

Dat wat in heel wat recensies is geschreven, namelijk dat Lieske in taal prachtige beelden kan oproepen klopt. Je zou willen dat hij hierin maat kon houden.

De roman is het verhaal van de 35-jarige Anton Milot die in zijn leven twee vrouwen is kwijtgeraakt. Recent Robin bij een ongeluk en lang geleden het Duitse meisje Rosemarie dat in het kader van een kerkelijke hulpactie een aantal jaren in zijn ouderlijk huis woonde.

Op een dag komt hij op straat zijn jongere zelf tegen. De leeftijd zag ik er niet bij, maar uit de beschrijving kan hij niet veel ouder dan tien, elf jaar zijn. Het is een constructie die nogal wat vraagt van de lezer. De jongen verschijnt niet in een droom, maar wordt levend en sprekend opgevoerd. Hij gaat mee op een reis door Duitsland. Later in het verhaal lijkt het of hij herinneringen heeft van rond zijn veertiende jaar.

Ik ben als lezer best bereid ver met de fantasie van de schrijver mee te gaan. Lieske maakt dit echter vrijwel onmogelijk. De kleine Anton spreekt in zinnen die alleen de schrijver bedacht kan hebben. Steeds opnieuw word je als lezer bij hem weggehaald door de ongeloofwaardig fraaie zinnen die uit zijn mond op papier komen. Een willekeurig voorbeeld: Daar zaten wij, Hollanders, stom, onze knieën stootten onder tafel tegen elkaar en we keken toe; dit was sterven en wat er stierf weet ik niet, maar het was zoiets als het stuk hersenen waarin haar moeder woonde, of het vlies dat de oorlogsherinneringen nog een beetje in bedwang hield.

De volwassen Anton droomt op een gegeven moment van een glazen engel. Een droom waarvan Lieske het einde met de volgende zin beschrijft: Net toen ik mij realiseerde dat mijn glazen engel Rosemarie heette, loste zij op in lucht, trok zij zich terug als een amoeboïde schijngestalte als het ware, zodat er nog een geleiachtige rimpeling te zien was in de openlucht in de vorm van haar lichaam en toen helemaal niets meer.

Voor wie zelf schrijft zeg ik: doe dit niet. Blijf in godsnaam bij jezelf, denk aan Nescio, Elsschot en anderen die juist door een direct en sober taalgebruik de tijd hebben doorstaan. Als afschrikwekkend oud voorbeeld zou je “De oude wereld” van Is. Querido kunnen opslaan. Hij schreef net als Nescio rond 1918, maar zo overladen in taal, dat het boek nu alleen maar een meewarige glimlach kan oproepen. De Gulden Winkel schreef al in 1919: “….het gebaar, de zwierigheid, de praal (…), die hij in zijn werk zoo overmatig uitstrooit.” Ik pak het boek een enkele keer uit de kast om het te laten zien. Niet alleen in taal is het bovenmatig, ook in zijn vorm, gedrukt in imposante letters op 200 grams papier, zeker tweemaal zo dik als dat van gewone boeken.

Het verschil tussen wat de volwassen Anton zich herinnert en wat de kleine jongen weet, geeft een interessante kijk op de werking van het geheugen. Hier speelt ook verdringing een rol. Er zijn echter overtuigender manieren om oud geheugen te laten herleven dan de vorm die hier is gekozen. Behalve over Rosemarie gaan de herinneringen over de naoorlogse jaren in het Haagse Bezuidenhoutkwartier en over de vader. Door een ontluisterende gebeurtenis kantelt het beeld van wat oorspronkelijk de held was van de jongen(s). Bepaald een magere ontwikkeling.

Al met al vond ik dit de minste leeservaring van de afgelopen tijd. Het zal lang duren voor ik het volgende boek van Lieske zal gaan lezen.

Tags:, , ,

Graham Greene, De kapitein en de vijand

16 dec

Je kan het lang blijven doen, schrijven. Graham Greene publiceerde zijn laatste roman in 1988 en was toen 84 jaar. Het leest bepaald niet als het boek van een oude man. Niet voor niets wordt Greene beschouwd als één van de weinige schrijvers die er echt toe doen.

 

Gisteravond had ik het in een cursusbijeenkomst Korte verhalen schrijven over het begin van een verhaal. Een paar avonden daarvoor vroeg iemand me hoe de flapteksten tot stand komen. Ik had de roman van Graham Greene bij me; hier heeft de uitgever de eerste alinea tot flaptekst verheven. Er gebeurt dan ook nogal wat in dat stukje:

 

Ik ben nu in mijn tweeëntwintigste jaar maar de enige verjaardag die zich in mijn herinnering duidelijk van alle andere onderscheidt, is mijn twaalfde, want dat was de dag waarop ik de kapitein voor het eerst ontmoette. Het was een druilerige, mistige dag en ik herinner me dat het grind op het schoolplein nat was onder mijn gymschoenen en dat de kloostergang bij de schoolkapel glibberig was van de afgevallen bladeren, toen ik hals over kop wegrende om, tussen het ene lesuur en het volgende, aan mijn vijanden te ontsnappen. Ik maakte een schuiver en kwam abrupt tot stilstand, terwijl mijn achtervolgers fluitend wegwandelden, want daar, midden op het schoolplein, stond onze gevreesde directeur. Hij stond te praten met een rijzige man die een bolhoed droeg, iets wat je ook in die tijd al niet vaak meer zag, zodat hij er een beetje uitzag als een verklede acteur — een indruk die er niet zover naast was, want ik heb hem daarna nooit meer met een bolhoed gezien. Hij droeg een wandelstok schuin tegen zijn schouder, zoals een soldaat zijn geweer. Ik had geen idee wie hij kon zijn en ik wist natuurlijk evenmin dat hij me de vorige avond, zoals hij later zou beweren, met triktrakken van mijn vader had gewonnen.

In de cursus komt ook wel eens ter sprake wat je nog wel of niet kan vertellen, hoe waar moet je verhaal zijn, hoe waarschijnlijk? Mijn mening is dat je alles mag als schrijver, zolang je de situatie maar zo inkleedt dat je jouw verhaal aan de lezer weet “te verkopen”. Dit is precies één van de sterke punten van Greene, ook in deze roman. Een jongen die na de dood van zijn moeder door een vreselijke tante wordt opgevoed, op een kostschool zit waar hij wordt gepest, en een vader die hem in een partijtje triktrak vergokt aan de merkwaardige man die zijn prijs van school af haalt en onderbrengt bij zijn stille vriendin Lisa die graag een kind wil, maar het niet kan krijgen.

Hoewel er nauwelijks sprake is van liefde, gaat het er dwars door de merkwaardige ontwikkelingen, wél om. Samen met de Kapitein ziet Victor, die al snel wordt omgedoopt tot Jim, de oerversie van KingKong. Jim huivert vooral als de grote gorilla er met een jonge vrouw vandoor gaat, maar de Kapitein zegt dat hij het niet begrijpt: KingKong houdt van haar.

In de loop van het verhaal zal Jim zich nog vaak afvragen wat er tussen Lisa en de Kapitein is. Hij woont bij haar in een armelijk souterrain en hij is meestal weg. Waar hij mee bezig is wordt niet helder, maar het is duidelijk dat hij zich regelmatig moet verschuilen voor de politie. Hij duikt ook wel op als de Kolonel of Mr. Carver. Waar hij ook is, hij blijft terugkomen voor Lisa. Jim leert van hem dat de waarheid een rekbaar begrip is, en als hij later journalist wordt leert hij ook dat een goed verhaal het beter doet dan een waar verhaal.

Sterk van Greene is dat zijn slechte personages toch genoeg positieve kanten hebben om sympathiek te blijven. De hang naar het illegale deed me ook denken aan “Reizen met mijn tante” dat ik jaren geleden las. De losse omgang met de waarheid komt al voor in “Onze man in Havanna”. Greene schreef een omvangrijk oeuvre en ik denk dat alles daaruit het lezen waard is.

Tags:, , , ,

Anton Koolhaas, Een aanzienlijke vertraging

16 dec

Anton Koolhaas bleef me intrigeren. Een paar weken terug schreef ik over zijn roman ‘Een pak slaag’. Daarvoor, dat was voor mij de eerste Koolhaas, had ik ‘Een kind in de toren’ gelezen. En nu dan ‘Een aanzienlijke vertraging’.

Door kort op elkaar drie romans van deze schrijver te lezen, valt een eventuele rode draad in het werk eerder op. En die is er. Steeds is het hoofdpersonage een man die oud genoeg is om op zijn leven terug te kijken. Steeds gaat het om een gevoelsarme man en steeds heeft een kille opvoeding invloed gehad op zijn ontwikkeling. Dat wil niet zeggen dat de drie mannen hetzelfde karakter hebben: in ‘Een kind in de toren’ gaat het om een architect die vooral rationeel is en sterk opgaat in zijn werk, in ‘Een pak slaag’ gaat het om een directeur kort voor een jubileum, terwijl niemand een persoonlijke noot kan ontdekken, en in ‘Een aanzienlijke vertraging’ treffen we een bankier, sinds kort weduwnaar, die ooit zijn zoon heeft kunnen vrijkopen van een Duits vuurpeloton, maar dat niet deed. Later vergoelijkt hij zijn daad, of liever gezegd het fatale nietsdoen. Het was zijn zoons eigen schuld, die had zich tot een stupide actie tegen de Duitsers laten verleiden. De NSB’er die hem was komen vertellen dat hij zijn zoon wel van het vuurpeloton kon redden tegen betaling van omgerekend ongeveer een miljoen, had hem enorm tegengestaan. Met zulk vuilnis wilde hij zich niet afgeven. En dan: de zoon zou niet thuiskomen, maar naar een concentratiekamp gaan en waarschijnlijk toch nog doodgaan. Hoewel dat alles niet tot een scheiding had geleid, werd het feitelijk het einde van zijn huwelijk.

In een brief van zijn vrouw, die hem pas een aantal jaren na haar dood bereikt, confronteert zij hem met zijn leven. Ze laat er geen spaan van heel en voorspelt zijn dood. Hevig van zijn stuk gaat hij op zoek naar mensen die voor hem kunnen getuigen dat het zo erg nu ook weer niet was.

De mannen van Koolhaas blijken kwetsbaar, de een wat meer dan de ander. Zo zoekt de jubilerende fabrieksdirecteur nog altijd erkenning van zijn schoonvader, de oorspronkelijke eigenaar die het bedrijf tot grote bloei heeft gebracht. De weduwnaar uit het laatste boek zoekt eerst een paar zussen van zijn overleden vrouw op, die niets van hem moeten weten en komt uiteindelijk terecht bij een oude jeugdliefde. Zij is intussen weduwe en ernstig ziek. Iets van medeleven flakkert op, of toch niet, of toch wel? Ik zie in de verhalen van Koolhaas vooral het onvermogen van de mens om zich emotioneel werkelijk om te vormen.

Koolhaas gebruikt een wisselend perspectief, dat vooral bij de hoofdpersoon, Verhoeven, blijft. Omdat Jos, zijn vroegere jeugdvriendin, ernstig ziek is, en hij bang is zijn eigen verhaal mondeling te doen, gebruikt hij een kleine bandrecorder. Zij gebruikt na enige aarzeling het apparaat om haar latere liefde voor de Noorse Jörg uit te doeken te doen. Een onmogelijke liefde waaraan zij wel een zoon overhoudt. Vanwege de schande – het waren de vijftiger jaren – trouwt ze met Viegensanck, een welgestelde oudere man, wat een liefdeloos huwelijk oplevert. Meer dan dat, de man krijgt duidelijk sadistische trekken. Als Verhoeven haar weer ontmoet is ze niet alleen erg ziek, maar ook al jaren weduwe. Op verschillende manieren zien we hoe mensen in een huwelijk langs elkaar heen leven. Het feit dat communicatie soms per brief en via de bandrecorder verloopt, zou ik ook een veeg teken noemen.

Tags:, , ,

Hoe ging Kundera te werk? De ondraaglijke lichtheid van het bestaan.

4 dec

In De kunst van de roman noemt Kundera een paar keer zijn roman De ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Ik had het boek gelezen, misschien wel 25 jaar geleden en natuurlijk stond het me niet meer in alle details voor de geest.
Nu ik het weer las, was het ook met een oog voor zijn manier van werken. Opvallend vond ik de vorm. De roman beslaat 355 pagina’s verdeeld over zeven delen die elk een flink aantal hoofdstukken bevatten, in het totaal 146. Dat betekent dat een hoofdstuk gemiddeld nog geen 2,5 pagina lang is. Een andere schrijver zou misschien witregels hebben gebruikt. Het effect is hier wel dat de hoofdstukjes als scènes blijven hangen en dat je als lezer grotere momenten van rust krijgt. Terwijl je naar de volgende pagina gaat om aan het komende hoofdstuk te beginnen, heb je een moment van reflectie.

De roman speelt vanaf 1968, waarin Tsjecho-Slowakije koos voor een menselijke variant van het communisme, niet lang daarna gevolgd door de Russische inval met veel tanks, en de tijd waarin de totalitaire klok flink werd teruggedraaid. Tegen die achtergrond volgen we twee paren: de chirurg Tomas en de serveerster, later fotografe Teresa, en Sabine, aanvankelijk minnares van Tomas, later van Franz die weer later -weg van zijn vrouw- een relatie krijgt met een jonge bebrilde studente.

Een uittreksel geven van de inhoud doet de roman tekort. Ik zal maar twee elementen noemen: de relatie tussen Tomas, die verslaafd is aan vluchtige erotische contacten, en Teresa die daar de nodige moeite mee heeft, maar hoe hij toch heel veel voor haar opgeeft en langzaam maatschappelijk daalt, en merkt dat dit juist geen invloed heeft op zijn gevoel van welbevinden. Het tweede element is het algemeen menselijke gedrag in een samenleving waarin agenten, spionnen en procedures tegen intellectuelen aan de orde van de dag zijn. Om hun positie te behouden moeten zij verklaringen van trouw aan het regime tekenen en de trouw aan hun geweten vaarwel zeggen.

Terug naar de vorm: Kundera maakt gebruik van een duidelijk aanwezige alwetende verteller die zich als “ik” presenteert. Nu eens is de verteller dichtbij het ene personage, dan weer het volgende; de lezer ervaart wel wat het personage denkt, maar niet vanuit het personage. Niet in de zin dat je de wereld ziet door de ogen en oren van dat personage. De verteller reflecteert regelmatig op de daden van zijn personages en zegt dingen als (over Tomas) ‘desondanks vind ik de felheid van zijn beslissing merkwaardig’. Door zulke reflecties maakt de verteller duidelijk dat hij zijn eigen positie blijft innemen. Ook is hij aanwezig door zinnen als: ‘We keren terug naar het moment dat we al kennen…’
De tijd verspringt doordat we nu eens Tomas volgen, dan weer Sabine of Franz, en dan weer Teresa. In sommige gevallen maken we dezelfde gebeurtenissen mee gezien door verschillende personages. Er zijn ook momenten waarin de verteller de tijd neemt voor zijn eigen bespiegelingen. Zoals de rol van het toeval: er zijn wel zes toevallige omstandigheden aan te wijzen die er toe leidden dat Tomas en Teresa samenkwamen. Hoe indringend is zo’n gebeurtenis als hij zo toevallig tot stand komt? En omdat je maar één leven hebt zul je nooit weten wat er gebeurd zou zijn als je op een bepaald moment iets anders had gedaan. Hetzelfde gaat op, zegt de verteller in een overpeinzing, voor landen. Hoe zou Tsjechië eruit hebben gezien als boze burgers niet een aantal raadsheren uit het raam van het stadhuis hadden gegooid (wat uiteindelijk tot oorlog en onderdrukking leidde). We zullen het nooit weten, want ook elk land heeft maar één geschiedenis.

Het feit dat je leeft maar dat je leven ook zomaar anders hadden kunnen zijn, zou je een gevoel van lichtheid kunnen geven. Of dat een zware lichtheid is of niet, daarop komt de verteller meerdere keren terug. In de veelheid van bespiegelingen komt ook God aan bod. Als de mens is gemaakt naar het evenbeeld van God, dan moet God ook darmen hebben en alle consequenties daarvan, een poepende God. Als je daar niet aan wilt dan is de mens dus niet het evenbeeld van God.

Kundera heeft duidelijk een studie gemaakt van de geschiedenis van zijn land, hij heeft een belangrijke periode zelf meegemaakt – hij was tot 1975 in Tsjecho-Slowakije, en verhuisde daarna naar Parijs. Aan de roman verbindt hij een sterke filosofische component, wat hij bereikt door een alwetende verteller, die zich soms rechtstreeks tot de lezer richt. Tegen de achtergrond van de geschiedenis die via de media is te volgen, plaatst hij personages met hun eigen levens in voor- en tegenspoed.

Tags:, , , ,

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.