Archief | augustus, 2012

Martin Amis, De zwangere weduwe

24 Aug

Je kunt de titel letterlijk nemen: na de conceptie gaat de man dood en de zwangere weduwe blijft over. Zo’n weduwe komt ook in de roman voor. Overdrachtelijk, zonder mensen van vlees en bloed, gebruikt Martin Amis de idee van een zwangere weduwe in één van de citaten die aan de roman vooraf gaan. De dood van tijdperk, een heel stelsel van sociale normen heeft geen onmiddellijke opvolger. Of wel: een nieuwe generatie rekent af met het verleden, de eerste tijd is alles in beweging, chaos van waaruit zich een orde moet kristalliseren.
Wat verdwijnt is de vooroorlogse periode die, onderbroken door de Tweede Wereldoorlog, nog doorging tot aan de zestiger jaren. Daarna kwamen de grote veranderingen, waaronder de manier waarop jongens en meisjes met elkaar omgingen en naar de wereld keken. De uitvinding van de pil paste alsof een mastermind voor de timing had gezorgd.

De roman begint in 1970. Een clubje jonge mensen, even twintig, viert vakantie in een Italiaans kasteel. Op de eerste bladzijde maken we kennis met de hoofdpersoon, Keith Nearing, zijn vriendin Lily en Sheherazade; beiden blond en twintig. In dezelfde inleidende regels laat de verteller weten dat Keith een seksueel trauma opliep. Niet direct, zoals je een verwonding kan oplopen, hij beleefde plezier aan zijn nieuwe ervaringen. Het trauma kwam later.
Amis schetst een overtuigend beeld van de sfeer van eind jaren zestig, begin jaren zeventig. Niet voor iedereen zal die periode er precies zo hebben uitgezien, maar wat Keith en de anderen (ik noem ze lang niet allemaal) meemaken, hoe zij daar leven, is tekenend voor die tijd. Vrijheid, blijheid, daar denk je aan, Flower Power, vrij seksverkeer. Wat Amis uitwerkt omvat ook de grensgebieden. Het meedoen met de tijdgeest, het toch nog vastzitten aan oude normen, of het totaal doorslaan. Als lezer volgen we het allemaal door de ogen en de ervaringen van Keith, die we zo’n kleine veertig jaar volgen. De zomer van 1970 is veruit de belangrijkste tijd in de roman. Seks en lichamelijke spelen een grote rol. De gewoonte van de Engelse tabloids, om vrouwen kort te beschrijven via hun vital statistics, hanteert Amis ook: Sheherazade, 1,78, 94-58-84.
De hoofdpersoon raakt van het nieuwe leven behoorlijk in de war. Hij is niet de enige. Keith is in Italië met zijn vriendin Lily, een relatie die een beetje aansleept. Hij raakt meer dan geobsedeerd door de fysiek van Sheherazade. Dit blijft vooral bij waarnemingen, dromen en fantasieën. Anders gaat het bij de geraffineerde Gloria, met wie hij een paar ervaringen heeft die hem doen duizelen, alsof hij in een verder gelegen toekomst is beland. Hij is twintig en niet door de wol geverfd. Gloria duikt ook later in de roman weer op en wordt daarmee allengs een van de belangrijke personages.

Behalve in de zomer van 1970 zien we Keith in Engeland, vooral Londen, in 1972, 1974, 1999 en 2004, om uit het hoofd een paar data te noemen. Op het laatst zijn we nog even in 2009. Op die manier zien we hoe die vrije zomer in Italië doorwerkt op de verschillende personages. Een veel ruimer opgezet beeld dan alleen een tijdsbeeld van Europa anno 1970.
Het verhaal, de vele verhalen, worden caleidoscopisch verteld. Ik heb een hele stoet personages niet genoemd. Die zijn er echter wel en tot ver na het begin kan je daardoor als lezer in een lichte verwarring raken. Misschien was dat ook wel de bedoeling: het was een verwarrende tijd. Dit gevoel verdween bij mij naarmate ik verder las, en verder lezen was een plezier omdat Amis schrijft in een jaloers makende stijl. Als je leest en iemand in de buurt hebt, krijg je de neiging om regelmatig stukjes voor te lezen!
Naarmate je dichter bij de eindzinnen op bladzijde 479 komt, valt alles op zijn plaats, geloofwaardig, hoewel niet altijd op een vrolijke plaats. Amis weet, zoals ik al eerder kon ervaren, een boeiend verhaal te vertellen in een compact en regelmatig ook humoristisch proza.

Advertenties

George Orwell, De domineesdochter (A Clergyman’s Daughter)

6 Aug

Regelmatig te gast zijn bij antiquariaten levert een onalledaagse lijst van boeken op. Verrassend ook. Zodoende heb ik altijd wel een stapeltje tot een stapel nog te lezen boeken. Over wat dan maakt dat ik het ene boek wel en het andere niet begin te lezen, lijkt me een aardig onderwerp voor een klein zelfonderzoek. In ieder geval, ik las de mij onbekende titel van George Orwell.
Lang geleden het bekende Animal Farm gelezen, en wat later 1984. Ook Een saluut aan Catalonië waarin de schrijver zijn ervaringen beschrijft in de Spaanse burgeroorlog. Verder was van het ongelezen Keep The Aspidistra Flying de intrigerende titel blijven hangen.

Orwell is een schrijver die iets te melden heeft over de maatschappij. Hij nam zijn kritische houding ernstig, wat resulteerde in zijn daadwerkelijke strijd tegen het fascisme van Franco. Omdat hij in het begin verre van succesrijk was, heeft hij de armoe, tot aan een dakloos bestaan in Londen toe, aan den lijve ondervonden. Die kennis zit verwerkt in De domineesdochter.
De hoofdpersoon Dorothy is 28 en dochter van een rector (vicar, pastoor) van de Anglicaanse kerk. Waarom de vertaler voor dominee heeft gekozen weet ik niet. Haar vader, de rector leidt een kleine parochie in een dorp met al zijn dorpse hebbelijkheden. Hij is een levend anachronisme: hij is, wat zijn instelling betreft een paar eeuwen te laat geboren. Aan de mensen in de parochie heeft hij weinig boodschap, alles wat niet rechtstreeks de preken betreft, knapt Dorothy voor hem op. Als zij aan zichzelf twijfelt, doet ze wel genoeg, wijkt ze niet af van het smalle gelovige pad, dan prikt ze zich bij wijze van boetedoening met een stevige speld in haar arm, of ze slaat een maaltijd over. Van de omgang met mannen, een omhelzing, een kus, moet ze niets hebben, en van de gedachte aan Het Gedoe wordt ze bijna fysiek onpasselijk.
Na een bezoek aan een schilder, kunstenaar, bon vivant, Don Juan, keert ze verward huiswaarts. Aanvankelijk wil ze ondanks haar vermoeidheid nog een karweitje afmaken. Dan gebeurt er iets wat zij zelf niet weet en de lezer ook niet, maar kennelijk is ze van huis weggelopen en na een paar weken treffen we haar zwervend in de straten van Londen. Ze heeft een ernstig geheugenverlies en weet zelfs haar naam niet meer. Behelsde het eerste hoofdstuk een scherp beeld van een dorpsgemeenschap, met zijn kleingeestige narigheid, het tweede hoofdstuk beschrijft de zelfkant van het Londense leven en een episode waarin ze zich als hopplukster in leven houdt. Orwell meent hier dat de lagere klasse continue Cockney moet spreken. Dat doen die mensen natuurlijk wel, maar het is bepaald onplezierig lezen. Het leidt af, het wordt een beetje streekroman. Na een nieuwe wending krijgt Dorothy een baan als schooljuffrouw op een particulier schooltje. Dit is voor de schrijver een goede aanleiding om het toenmalig – de jaren dertig uit de vorige eeuw – schoolsysteem onder de loep te nemen. Er bestond nauwelijks wetgeving of toezicht op zulke scholen. Het motief was geld verdienen en Orwell vergelijkt het ergens met het houden van een bordeel, met dien verstande dat een school exploiteren niet illegaal was.
Na een onverwachte wending keert Dorothy uiteindelijk terug. Haar geloof heeft ze verloren, en ze weet niet wat ze er voor in de plaats kan stellen. Het leven zien als iets waarvan je moet genieten, is voor haar geen optie. Ze blijft met een grote leegte zitten. Het huwelijksaanzoek van de schilder, die iets minder dan twintig jaar ouder is, wijst ze af. Hij is een typische hedonist, dat is een reden, maar aan het fysieke contact moet ze ook niet denken. Ze pakt haar oude leventje weer op als dochter van de rector, nu echter zonder geloof.
Zo heeft Orwell een verhaal gecomponeerd dat weliswaar om Dorothy draait, maar dat tegelijkertijd een voertuig is om een aantal kritische beelden uit het Engelse leven te schetsen. Dit strookt precies met zijn maatschappelijke betrokkenheid. Daarnaast raakt hij een groot thema, wat is de reden van het bestaan, als het niet het geloof is, blijft dan alleen maar leegte? Of leegte vooral voor wie het geloof is kwijtgeraakt?

De Engelse versie in pdf-vorm is hier te vinden: http://ebookbrowse.com/george-orwell-a-clergymans-daughter-pdf-d137141783

Thomas Verbogt, Verdwenen tijd

2 Aug

Het onderwerp, de omslag en de korte tekst op de achterkant waren een goede aanleiding om de roman te kopen.
“Welke gebeurtenissen uit je jeugd herinner je je later nog? Wat weet je van jezelf? En vooral wat niet, terwijl je het wel zou móéten weten? Een roman over schuld en het grillige regime van het geheugen.”
Het onderwerp past uitstekend in de belangstelling van de laatste jaren voor boeken die over de werking van het brein gaan. In hoeverre ben je je brein?
In verhouding tot de boeken die ik kort geleden las, is dit een traag geschreven roman. Wat enigszins verwonderlijk is, want traagheid wordt eerder in verband gebracht met oudere boeken, terwijl Verdwenen tijd van 2009 is en de titels van Svevo, Roth en Greene (zie mijn recente blogs) uit de twintiger en dertiger jaren van de vorige eeuw stammen.
Eerlijk gezegd maakte de traagheid en de preciesheid van de over het algemeen zeer korte zinnen een lichte irritatie in mij los. Merkwaardig, want op die zinnen is niets aan te merken, ze zijn mooi, gevoelig en ze brengen denk ik precies dat over wat de schrijver wil zeggen. Wat valt er dan te zeuren? Er valt me een associatie in: ooit was ik een tijdje in Kopenhagen, alles wat ik daar tegenkwam in hotels en restaurants was keurig, gepolijst en doordacht vormgegeven. Op een gegeven moment gebruikte ik de design urinoirs van een café, en plotseling begon ik te wensen dat er iets zou zijn dat gewoon was; iets dat zijn vorm uitsluitend ontleende aan zijn gebruiksdoel. Als ik hardop verder denk, is het misschien zo dat de taal een bescheiden positie moet innemen. Een middel om dat wat gezegd moet worden in een compacte en adequate manier over te brengen. Niet om zelfstandig mooi te zijn.
In het begin maakt de roman een bijna autobiografische indruk. Dat is uitstekend. Van een verhaal in de ik-vorm mag je verwachten dat je zodanig wordt meegenomen, dat je het verschil tussen de ik en de schrijver uit het oog verliest. De hoofdpersoon, Robert van Noorden, is een bekende persoonlijkheid in de wereld van glitter en televisie. Hij wordt voor allerlei programma’s gevraagd en voldoet aan de verwachtingen: over de meest uiteenlopende onderwerpen weet hij wel iets te zeggen en te menen. De eerste die hem relevante vragen stelt is een meisje van veertien, dochter van een volkszanger en in de periode dat hij op het huis van een goede bekende past, tijdelijk zijn overbuur. Of hij, veertiger, in de omgang met dit meisje te ver is gegaan, verschillen de meningen. Ja, zegt de vader; nee, zegt Robert, er is niets onoorbaars gebeurd. Vera verdwijnt uit zijn leven, niet uit zijn gedachten. In enkele korte ontmoetingen wordt de afstand bevestigd, maar uit een ooghoek blijft hij haar zien. Het uiteindelijke lot van Vera brengt een herinnering die hij heel effectief had verdrongen, weer terug in zijn geheugen. Die herinnering heeft alles te maken met een enigszins mysterieuze vrouw, Louise, die hem nog zegt te kennen uit zijn jeugd in Nijmegen. Het is een herinnering die hij ook in gesprekken met de psychologe Daniëlla niet boven water kreeg, maar die veel van wat er gebeurt in een kader zet.
Ik ga niet uit de doeken doen hoe de plot in elkaar zit. Aan het eind vallen alle stukken op zijn plaats en blijken min of meer toevallige zaken allemaal bij te dragen tot de loop van het verhaal. Wat de hoofdpersoon gaat doen met de herinnering die zo lang gewist leek, wordt terecht niet verteld.

Thomas Verbogt, Verdwenen tijd
Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2009

Graham Greene, Als een slagveld

1 Aug

Centraal staat Jim Drover, een Londense buschauffeur met communistische sympathieën die tijdens een opstootje een agent heeft gedood. Zijn leven hangt af van wat de Minister van Binnenlandse Zaken zal beslissen over een gratieverzoek. Drover staat centraal, het gaat over zijn leven, maar zelf komt hij nauwelijks in beeld. Het zijn de anderen die beslissen en die meer, maar vaak minder geïnteresseerd zijn.
De minister zit ermee. Hij moet een beslissing nemen en gaat niet af op de rapporten van de rechtbank of wat hij zelf vindt; hij wil weten wat de politieke gevolgen zijn. Via zijn secretaris geeft hij opdracht aan de Assistent Commissaris om uit te zoeken wat het volk, de vakbonden, zelfs de communisten vinden. Deze, een oud India-man die nog erg moet wennen aan de Londense Yard, doet dit zeer tegen zijn zin.
Tegen de achtergrond van Engeland in de crisistijd van de dertiger jaren, laat Greene zien hoe de betrokkenen reageren. In de eerste plaats Drovers jonge vrouw, Milly. De armoede van een leven met drie pond-sterling in de week maakt haar niet veel uit, ze houdt van haar man. Gecompliceerder ligt het met de broer van Jim, Conrad. Hij houdt van zijn broer, maar heeft ook een zwak voor Milly. Economisch doet hij het met een baan als boekhouder en zes pond per week beter. Hij heeft echter een ingebakken angst dat iedereen in het bedrijf zijn positie wil overnemen en dat hij op een kwade dag ontslagen zal worden. Daarnaast heeft hij de nodige frustraties.
Je zou misschien denken dat de communisten voor Drover zouden opkomen, maar niets is minder waar. Eén leider vindt het gewoon geen prioriteit en een ander, in wezen een aristocraat die het communisme op papier een goede zaak vindt, heeft bedacht dat Drovers dood een martelaar van hem maakt. Gratie zou juist minder gunstig zijn.
De journalist Condor waait alle kanten op, maar moet in feite luisteren naar wat zijn baas vindt, en die kijkt vooral naar de oplagecijfers en wat volgens hem het publiek wil. Condor is een vrijgezel die af en toe wat informantenwerk doet voor de Yard en die naar de buitenwereld een gezin bij elkaar liegt, inclusief een kind met kinkhoest.
Er is veel eenzaamheid. Milly is nu drie maanden alleen, Conrad had nooit iemand, Condor is alleen, de Assistent Commissaris woont met een oude huishoudster, Mister Surrogate, de saloncommunist, is weduwnaar en woont in een groot huis met een butler. Ook Jules, een jonge Fransman die bij toeval in Engeland is geboren, is alleen. Hij valt voor de zus van Milly, Kay, en Kay, achttien jaar en street wise, zoekt haar vertier bij wie het maar te vinden is.
Bij Greene komen alle personages tot leven en ondertussen ontwikkelt zich een verhaal dat telkens weer anders verloopt dan je zou denken. Dat zorgt ervoor dat je zo geboeid blijft dat je het boek bijna niet kan wegleggen. Veel is bijzonder, maar de scène waarin Milly naar de weduwe van de gedode agent gaat om haar te vragen een petitie te tekenen om haar man voor de doodstraf te sparen, vond ik een van de hoogtepunten. Om te beginnen het feit dat je die scène überhaupt verzint.
Of je puur leest vanwege het plezier van het lezen, of dat je zelf schrijft en benieuwd bent naar hoe grote schrijvers een roman schrijven, bij Graham Greene (1904-1991) ben je aan het goede adres. Lees gewoon alles wat je van hem te pakken kan krijgen. Sommige titels zijn nog nieuw te koop, veel ook antiquarisch tegen redelijke prijzen.

Joseph Roth, Hotel Savoy

1 Aug

Gabriel Dan keert na drie jaar Russische krijgsgevangenschap terug naar het westen. Hij is een van de duizenden die na afloop van de Eerste Wereldoorlog vaak te voet op weg zijn. Op de een of andere legale of niet zo legale manier moeten deze losgslagen soldaten zien te overleven. Gabriel is nog een van de meer geciviliseerden. Hij hoopt ‘in deze stad’ – waarvan sommigen zeggen dat het Lódz kan zijn– van zijn familie wat geld te krijgen. Hij neemt een goedkope kamer in Hotel Savoy.
‘Meer Europees dan alle andere herbergen van het oosten schijnt me Hotel Savoy met zijn zeven verdiepingen, zijn vergulde wapenschild en een portier in livrei. Het belooft water, zeep, een moderne wc, een lift, kamermeisjes met witte kapjes, vriendelijk glanzende po’s, als kostelijke verrassingen in kastjes van bruin hout, elektrische lampen die uit roze en groene kappen opbloeien als uit kelken, rinkelende bellen die aan één druk van de duim gehoorzamen; en met dons gevulde dekbedden, bolstaand en graag bereid het lichaam op te nemen.”

Joseph Roth zet met hetzelfde gemak als waarmee hij het hotel introduceert, zijn personages neer, Je zal ze niet gauw vergeten: Gabriel en zijn verwende, rijke neef Alexanderl, Ignaz, de liftbediende een sluwe heerser in het hotel, Zworimir die aan alles lak heeft… Roth vertelt het verhaal van Gabriel Dan in de ik-vorm. Hij blijft enige weken in het hotel en samen met hem maken we kennis met verschillende bewoners. Op de lagere verdiepingen wonen de gefortuneerden; op de hoogste etages, de aankleding wordt per etage troostelozer, de mensen die ook de laagste kamerprijs nauwelijks of niet kunnen betalen. Ze belenen bij Ignaz hun koffers. Die blijven met een hangslot op hun kamers staan en waardoor ze niet meer bij hun kleren kunnen. Ignaz komt regelmatig controleren of de sloten nog intact zijn.
Gabriel woont net niet op de bovenste etage. Hij leert daar wel het danseresje Stasia kennen, waarvoor hij gevoelens opvat, liefde bijna. In kamer 748 woont de clown Santschin, voor wie de dokter niet anders kan doen dan hem drie glazen wijn per dag voorschrijven. (Meer dan twee flessen overleeft hiji niet, vertrouwt de dokter Gabriel toe.) Door het hotel, waar iedereen het moeilijk heeft, gaat het gerucht dat de rijke Bloomfield zal komen. Hij zou nu al in Berlijn zijn. Hij wordt gezien als de verlosser: als Bloomfield komt zullen alle problemen worden opgelost, hij zal investeringen doen zodat er werk zal zijn, hij zal sommigen ondersteunen. Hij is een Amerikaans miljardair en in deze stad geboren. Een messias lijkt het haast wel.

Door Gabriel leren we de verschillende personages kennen. De lezer krijgt wel wat mee van zijn gedachten, maar in verhouding tot bijvoorbeeld die van Svevo’s Zeno, blijft het beperkt. Het fragment dat ik overneem geeft een beeld:
Ik moet afscheid nemen van Stasia.
Ze was geheel gekleed toen ik kwam en wilde juist naar het variété gaan.
Ze had een gele roos in haar hand en liet me daaraan ruiken.
‘Ik heb veel rozen gekregen – van Alexander Böhlaug.’
Misschien verwacht ze dat ik zal zeggen: Stuur die bloemen terug. Dat zou ik ook zeggen als ik niet gekomen was om afscheid voor altijd te nemen. Dus zeg ik alleen: ‘Alexander Böhlaug neemt mijn kamer over. Ik vertrek.’
Stasia bleef staan – op de tweede tree – we hadden juist de trap af willen gaan.
Misschien zou ze me gevraagd hebben te blijven – maar ik keek haar niet aan, bleef ook niet staan, maar ging koppig de trap af, alsof ik haast had.
‘Het is dus zeker dat u vertrekt?’ zei Stasia. ‘Waarheen?’
‘Dat weet ik nog niet precies.’
‘Het is jammer dat u niet wilt blijven.’
‘Ik kan niet blijven.’
Nu zei ze niets meer, en we liepen zwijgend tot aan het variété.
‘Komt u vanavond na de voorstelling thee drinken bij wijze van afscheid?’ vroeg ze.
Als Stasia me niet gevraagd, maar eenvoudig uitgenodigd had, zou ik ja hebben gezegd.
‘Nee.’
‘Nou – goede reis dan.’

Het is een voorbeeld van Roths methode om de personages en de situatie te vertonen. Heel veel plot zit er niet in deze korte, 134 pagina’s, roman. Toch blijf je de personages geboeid volgen en leef je mee met de kleine drama’s. Uiteindelijk zorgen gebeurtenissen van buitenaf voor een bijna apocalyptisch einde.