Archief | januari, 2013

Simona Vinci, Kamer 411

14 Jan

Simona Vinci_Kamer-411-171x279pxDe boekenmarkt met zijn belachelijke prijzen doet je voor boeken kiezen die je misschien voor de volle prijs zou laten liggen. Simona Vinci was voor mij nog onontgonnen terrein. De achterflap vermeldde over de inhoud: ‘Een vrouw kijkt naar zichzelf in de spiegel van een hotelkamer in Rome. Ze is alleen en denkt aan de man van wie ze hield, met wie ze in diezelfde kamer vele malen de liefde heeft bedreven.’ Daarna belooft de tekst het verhaal van de belangrijkste momenten uit hun relatie. En haar relatie tot de liefde. Voorin het boek schrijft de uitgever, Wereldbibliotheek, ‘Simona Vinci (Milaan 1970) is een van de bekendste auteurs in Italië. Ze heeft diverse romans en korte verhalen op haar naam staan die in verschillende landen zijn verschenen, ook in de Verenigde Staten.’ Tot zover de teksten die mij verleidden om het fraai uitgegeven boek uit 2006 aan mijn verzameling toe te voegen.

Hoewel de vorm waarin de verteller zich tot een jij richt niet vaak voorkomt, is dit de tweede roman in korte tijd waarin het gebeurt. In het eerste inleidende stukje staat dat wat hier geschreven staat “je” niet zal bevallen. Het zal irritatie bij je wekken. Toch moet je het tot het einde uitlezen, want het gaat om de waarheid. Natuurlijk die van mij…

Simona Vinci schrijft in korte scènes, soms een paar bladzijden, soms een enkele pagina waarop nog heel wat wit overblijft. In de eerste scène zijn we in de hotelkamer, kamer 411 van Hotel Nazionale in Rome. Ze kijkt in de spiegel naar de vrouw die daarin wordt weerspiegeld, ze herinnert zich andere spiegels en zo krijgt de lezer een beeld van de ik, het beeld van haar buitenkant en hoe zij over haar lichaam denkt.

Haar herinneringen komen zoals alle herinneringen enigszins caleidoscopisch. In de vorm maakt het dat het nu eens een moment is dat als scène wordt verteld, dan weer een overpeinzing in de kamer waarin de ik zich alleen bevindt, dan weer samen met de geliefde van toen, dan weer ergens anders in momenten die de ik aan de “je” vertelt. Door al die beelden ontstaat het verhaal van een liefde die begint en die weer eindigt. Vinci beschrijft het niet als een liefde die heel anders is als alle andere liefdes, ze laat de ik uit het verhaal oog hebben voor de grote lijn, de dingen die steeds opnieuw gebeuren.

Kamer 411 is het verhaal van een liefde. Verteld door iemand die probeert het karakter ervan te doorgronden. Veel reflectie. Reflectie die soms is gekoppeld aan boeken of alinea’s die haar zijn bijgebleven. Bladerend in de roman kom ik op pagina 64 dit tegen: ‘Wat ik je nu ga vertellen, is het begin van Drie kamers op Manhattan, van Georges Simenon, een van zijn meest diepgaande psychologische romans, ik weet niet of jij hem ook hebt gelezen.

Een man en een vrouw komen elkaar tegen aan de bar van een café, het is nacht en ze zijn allebei alleen, en allebei zijn ze bedroefd en hebben ze een verleden dat hen dwarszit en dat ze het liefst zouden vergeten. Het zou een schilderij van Hopper kunnen zijn…’ Die tekst gaat nog even door. Vervolgens legt de ik een verband: ‘Ook ik ben over de dertig en heb veel mannen gehad…’ Ze vraagt zich af waarom ze juist op de “je” verliefd is geworden en niet op een willekeurig andere man – een vraag die alle verliefden zich ongetwijfeld stellen. Dan overweegt ze ‘Misschien ben ik op jou verliefd geworden omdat ik je heb uitgevonden. Zoals José Ortega y Gasset schrijft: Aan de liefde, niet aan het voorwerp van de liefde kun je de minnaar kennen. Iedereen bemint met de volheid van de eigen geest, met voldoende kracht om aan de beminde alle teerheid en verfijning toe te kennen die de ziel van de minnaar (oftewel de eigen ziel) nodig heeft.’

Vinci weet zich te beperken en juist daardoor is het een interessante roman geworden. Gaat het in 126 bladzijden alleen maar over een liefde die toch weer een einde vindt? Nee, het gaat vooral over de reflectie op het verhaal van die liefde, en als de twee bezoeken brengen aan het ene en andere ouderlijk huis, komt ook de jeugd en de achtergrond van de geliefden aan bod. Alles door de ogen van de ik. De ik en de ander, het verhaal van ons allemaal.

Een roman is boeiend door alle factoren samen en ik vond dat ze goed bij elkaar kwamen. Als schrijver zie je er een voorbeeld in van hoe je de literatuur kan verwerken in je eigen verhaal. Kán, want er zijn ook mensen die deze verbinding vinden afleiden. Iets wat ik, zoals het hier is gedaan, niet vind.

Advertenties

C.J. van der Sevensterre, Sterrenjacht – Feuilleton in Het Parool door Hella Haasse

2 Jan

CJ van der Sevensterre-Sterrenjacht_HellaHaasse-172x272In 2007 vond Hella Haasse een pak oude kranten terug waarin het door haar geschreven feuilleton Sterrenjacht stond. Haasse werkte na de Tweede Wereldoorlog voor Het Parool en ze had al eens een Engelse thriller vertaald waarna die in afleveringen in de krant was verschenen. De toenmalig hoofdredactrice Wim Hora Adema vroeg haar vervolgens of ze zelf een feuilleton kon schrijven. Ze had op dat moment twee boeken geschreven, Oeroeg en Het woud der verwachting. In principe zou je een feuilleton kunnen schrijven in kleine beetjes, elke keer een stuk net voordat de krant wordt gedrukt. Dat durfde ze niet aan, terecht, lijkt me. De kans om nog iets aan te passen omdat je al schrijvende tot een nieuw inzicht bent gekomen, is er niet meer.

Mijn blog gaat over de boeken die ik las en wat mij als docent creatief schrijven opvalt. In dit geval hoe Hella Haasse een bizar verhaal strak weet te schrijven. Het is een verhaal waarbij je als lezer de weg kwijt zou kunnen raken, maar dat gebeurt niet omdat de auteur goed bijhoudt waar het heen moet met de plot en hoe alle puzzelstukken uiteindelijk op hun plaats moeten vallen. Of ze een schema maakte, of een paar losse notities, kunnen we helaas niet meer vragen. Zeker is dat ze duidelijk voor ogen had staan wat ze wilde en wat wel of niet in het verhaal terecht moest komen. Dat is de tip die je uit dit, en ook wel uit andere boeken kan halen.

Terug naar het boek. De hoofdpersoon is Casper Jan van der Sevensterre. Hij is de verteller en zogenaamd de schrijver van het verhaal. Dat Hella Haasse achter deze maskerade zat heeft tot 2007 niemand geweten. Casper Jan is een journalist, tien jaar jonger dan zijzelf op dat moment, een flinke knul, 1.90 was toen zeldzamer dan nu, die op Sinterklaasavond zit te broeden op een verstrooiend stuk. Zijn chef heeft eerdere bijdragen geweigerd: te literair, dat wil de lezer niet. Daarmee geeft Haasse aan dat het verhaal dat volgt eerder lectuur dan literatuur is.
Een goed verhaal schrijven is ook zonder literaire pretenties een kunst op zich. Sterrenjacht is een avontuurlijk verhaal, vol met onverwachte wendingen, toevallige ontmoetingen, twee kampen die elkaar de buit betwisten, kortom de bekende ingrediënten. Het is echter net als met koken, iedereen kan de ingrediënten bij elkaar brengen, maar er een perfect gerecht uit bereiden, is een tweede.
Onze hoofdpersoon krijgt op sinterklaasavond een pakket waarin een kleine zevenpuntige ster zit, bezet met rode granaten. Er zit een klein briefje bij waaruit blijkt dat er een geheim aan verbonden is, een sleutel die pas te ontcijferen is, wanneer alle zeven sterren bij elkaar zijn. Elk heeft aan de achterkant de inscriptie van een van de Zeven Provincieën en een codeteken. Verschillende mensen blijken op jacht zijn naar de complete set. De belangrijkste daarvan is tante Arabella, waarbij je wel heel ver terug moet gaan om de relatie aan te tonen tussen Casper, de laatste mannelijke afstammeling van de Sevensterres, en Arabella Ruygencamp. De oude mevrouw met negentiende eeuwse trekken, heeft een klein netwerk opgezet en weet met allerlei middelen mensen voor haar karretje te spannen. Ze weet ook haar ‘neef’ Casper in te lijven. Die leert in Arabella’s huis de jonge Titia kennen, voor wie hij al direct een zwak heeft, maar die hij uit het oog verliest. Een brief die hij stuurt naar het adres dat hij van haar heeft gekregen komt onbestelbaar terug.

De geschiedenis voldoet aan een goede voorwaarde voor een verhaal. De hoofdpersoon raakt van de ene situatie in de andere verzeild. Door de voorvallen die al verteld zijn, weet de lezer wie aan welke kant staat, wie wel of niet te vertrouwen lijkt, maar de tijd gaat door en de volgende dag gebeuren er weer nieuwe dingen. Dingen die onverwacht kunnen zijn, die laten zien dat de verdachte Z toch aan de goede kant staat. Of andersom.

Het verhaal is in ongeveer negentig episoden gepubliceerd. Aan het eind van elke episode is een cliffhanger ingebouwd, sterker of wat minder sterk. Nu het geheel in 2007 is gepubliceerd als een roman, vinden we de ruimte tussen de episoden soms terug als een witregel, soms als het begin van een nieuw hoofdstuk, en soms als niet meer dan het begin van een nieuwe alinea. De cliffhangers zitten er nog wel in, wat maakt dat de lezer na ongeveer drie bladzijden, ruim, een prikkel krijgt om verder te lezen. Natuurlijk is het een hilarisch en grotesk verhaal, eerder een sprookje dan harde realiteit, maar ook daarin kan je kwaliteit leveren. En Hella Haasse deed dat. Wie haar verdere werk kent, herkent haar liefde voor geschiedenis, en vindt sommige typisch Haasse-uitdrukkingen terug.