Sylvia Plath, Johnny Panic en de Droombijbel

7 aug

Sylvia Plath - Johnny Panic en de droombijbel 184x292Sylvia Plath werd in Boston geboren, studeerde in Cambridge waar ze in 1956, op mijn verjaardag, trouwde met de Engelse dichter Ted Hughes. Ik ga niet de algemeen bekende feiten herhalen, behalve dan dat haar bekendste werk De glazen stolp is en dat ze in 1963 stierf als gevolg van ernstige depressies. Dit boek bevat verhalen en aantekeningen die door Hughes zijn geselecteerd en van een nawoord zijn voorzien.

In de verhalen viel mij vooral de intensiteit op. Niets is vrijblijvend. In het eerste verhaal is de ik aan het werk in een psychiatrische kliniek, waar ze buiten haar werk om oude patiëntendossiers doorspit om daaruit de dromen over te schrijven. Dit valt, uiteraard zou ik bijna zeggen, niet onder de opdrachten van haar cheffin, Miss Taylor. Het moet dus stiekem gebeuren op momenten dat Miss Taylor er niet is.
In een vergelijking met de alledaagse mens, de aan de maatschappij aangepaste, valt de ik buiten het ‘normale’. Wat me doet denken aan de schrijfster die ook niet aan de norm voldeed en bij tijd en wijle leed onder stoornissen. Ik zal maar niet het zijpad inslaan dat begint bij de vraag hoe je ‘normaal’ moet definiëren. Iets wil ik er wel over zeggen: de zogenaamd normale mens die ’s avonds na gedane arbeid op de bank ploft, zal geen kunst in welke vorm dan ook maken. Daarvoor is een innerlijke gedrevenheid nodig. Dat is precies hetgeen uit alle verhalen naar voren komt. Al lezend kreeg ik de indruk dat alle verhalen mij iets meer vertelden over de schrijfster. Dat kan inbeelding zijn, iedere lezer maakt uiteindelijk zijn eigen verhaal.
Uit de verschillende verhalen neem ik er twee waarin de hoofdpersoon dagdroomt over hoe de metgezel (een broer, een partner) om zou kunnen komen. In het geval met de overheersende, behoudende en veel te nuchtere broer, stelt ze zich voor dat zij op een steiger aan zee iets laat vallen, dat hij zou pakken waarna hij door een golf wordt meegenomen. In het andere geval telt de ik beren die ze tegenkomen, waarbij de 59e beer fataal zou worden. Steeds is het personage ongelukkig door de ander die haar ruimte en ontplooiingsmogelijkheden beperkt. Dan is er nog de tiener die op een valse manier wordt beschuldigd van iets waar ze part noch deel aan heeft, maar die moet ervaren dat zelfs haar ouders haar niet geloven. Zij maken, niet boos maar bedroefd, bij de ouders van het valse wicht excuses. Alles bij elkaar geen vrolijke verhalen, maar zeker indringende.
Jammer vond ik dat ik te vaak de indruk kreeg dat het Engels wel heel letterlijk was vertaald, waardoor het Nederlands niet honderd procent Nederlands was. Als ik de oorspronkelijke uitgave onder handbereik had gehad, had ik daar zeker naar gegrepen. Het nawoord voegt nog wel wat toe; door de verhalen en door het aura dat om Sylvia Plath hangt, ben ik benieuwd naar haar als persoon. Daar stond wel tegenover dat ik niet blij was met de uitleg die Hughes geeft over zijn keuze. In de eerste afdeling staan De beste verhalen, in de tweede afdeling de mindere… Ik heb helemaal geen behoefte aan iemand die dat voor mij uitzoekt. In elke bundel staan wel betere en wat mindere verhalen of gedichten, maar welke dat zijn mag de lezer bepalen. Ook bij Plaths aantekeningen komt Hughes hinderlijk tussenbeide, hij vermeldt dat hij sommige heeft weggelaten omdat ze niet voor publicatie geschikt waren. Waarom is dat vermeldenswaard? De uitgever die een verhalenbundel samenstelt van een van de auteurs uit zijn fonds, doet de lezer ook geen plezier door op de achterflap te zeggen dat er wel meer verhalen waren, maar dat hij die niet had opgenomen omdat enzovoorts.

De aantekeningen zijn overigens boeiend, soms kleine waarnemingen van de mensen uit haar buurt. Vingeroefeningen in goed kijken en schrijven met als achterliggende idee dat sommige mensen als personage in een volgend verhaal of een volgende roman zouden kunnen optreden. Het is voor iedereen die schrijft een interessante exercitie. Een klein, zelf geschreven portretschetsje herlezend kan het je overkomen dat je ontdekt een paar wezenlijke details niet genoteerd te hebben. Ligt dat aan jou als schrijver, of waren die details niet zo belangrijk? Aangezien de schrijver geen foto’s neemt, zal de lezer van de woorden weer een eigen plaatje maken dat misschien wel op een flinke afstand staat van het beschreven personage. Al met al boek dat ik iedereen, lezers en schrijvers, van harte aanbeveel. Het gebruikte Nederlands moet je maar op de koop toe nemen.

Theo Thijssen, Het grijze kind

25 jul

Theo Thijssen - Het grijze kind_183x292Een intrigerende titel, wat kan een grijs kind betekenen? De schrijver Theo Thijssen heeft die gedachte kennelijk voorzien en hij begint daarom met een verklarende inleiding. Gelukkig is hij in de roman meer schrijver dan schoolmeester, wat zijn beroep was. Hij begint de lezer mee te nemen: Wie kent niet dat eigenaardige herinneringsgevoel… Vervolgens komt hij met voorbeelden van het déjà vu. De ik-verteller heeft dat in sterke mate en soms is hij er niet zeker van of het om een herinnering gaat uit dit leven, een vorig of zelfs een voor-vorig leven. Al die herinneringen zorgen ervoor dat hij vroegwijs is, een kind en een grijsaard tegelijkertijd. En het gooit de geest van de ik, het grijze kind, door de war.

Op bladzijde twintig komt de ik op de gedachte dat hij nu eens met het eigenlijke verhaal moest beginnen. Iets wat ook bij mij opkwam, want de aanloop begon naar mijn smaak een Negentiende-eeuwse traagheid te krijgen. Net voor hij begint brengt Thijsse een vormvariant. Een verhaal met een ik-verteller is een bekende mogelijkheid. Soms is er nog een verteller die voor algemene informatie zorgt, de voorbij rijdende trams, de ruisende bomen, het stilstaande water. Maar hier introduceert de ik de schrijver als een personage op de achtergrond: “Het schrijvertje dat mijn verhaal overbrengt, boft niet erg, natuurlijk. Hij zal er niet erg veel genoegen van beleven. Maar hij trooste zich: hij zal wel es geboft hebben ook, of anders een volgende keer boffen.”
Nu ik het toch over de vorm heb, regelmatig spreekt de ik de lezer rechtstreeks aan: “Natuurlijk, ge begrijpt me nóg niet. Ge denkt…” Op dat moment, het citaat staat op bladzijde 39, is het verhaal begonnen en zijn we op school met de jonge ik. Hier blijkt wel dat het geen gewoon kind is, maar een wijs grijs kind. Hij doorziet de leermethoden en wat er allemaal mis kan gaan. Over de mensen die denken dat het vroeger met een flinke aanpak allemaal zoveel beter ging, zegt hij dat het zeer te betwijfelen valt of die mensen vroeger wel zo hard werden aangepakt en daarvan leerden. Die gezonde hardheid is een zielkundige stommiteit en de gedachte dat je kennis in de kinderen kan stampen, ook al zoiets. Als je ervoor zorgt dat het werk bij het kind past zal het een stuk harder werken dan volgens de dressuurmethode. Het is duidelijk dat hier geen kinderlijk of zelfs maar gewoon kind aan het woord is.
Het verhaal speelt zich niet alleen op school af. De ik vertelt over de omstandigheden thuis, over wat zijn moeder onder opvoeding verstaat en hoe hij bijvoorbeeld als er visite is, een beetje bedremmeld in de deuropening blijft staan om zijn moeder de kans te geven een staaltje opvoedkunde ten beste te geven voor het bezoek. Het is een mix van een kind dat veel te veel weet, en een die precies weet wat je moet doen om het schattige kind te zijn. Uiteindelijk wordt hij zelf wel de dupe van deze merkwaardige spagaat.
De ik groeit op in een gezin. Vader is accountant en firmant in de zaak. Hij is zo langzamerhand well-to-do geworden. Een stuk meer dan zijn vrouw vermoedt. Hij geeft haar jaarlijks wat meer geld te besteden, zodat ze zich heel wat voelt, maar houdt geheim dat hij haar ook wel twee- of viermaal zoveel zou kunnen geven. Dan is er de oudere zus. Een stuk ouder, ze is in de leeftijd om zich te verloven en dat doet ze ook. Die verloofde zien we, zoals alles door het perspectief van de ik. Er valt wel wat op hem aan te merken. Uiteindelijk belandt hij bij pa in de zaak, hij neemt de gewoonten van het bedrijf over, en zij die van haar moeder.
Uiteindelijk verveelt de ik zich enorm, niet onlogisch als je voortdurend het idee hebt dat je alles al eens hebt meegemaakt. Op een dag houdt hij op verder nog iets te willen, tot wanhoop van de ouders. Totdat ook daar De Zaak een uitkomst is. Het laat zich aan de kennissenkring mooi vertellen: het was wat hij altijd al had gewild, hij blijkt ook echt een geweldige aanwinst. Het gedeelte over deze zet is een van de prachtige stukken in de roman. In wezen is Het grijze kind een zedenschets over de Amsterdamse middenstand in het eerste kwart van de vorige eeuw, en een van de manier waarop scholen werkten. Daarnaast zit er nog een plot in, maar daarover zal ik het niet hebben.
Het grijze kind verscheen in 1937. Ik las de tiende druk, Van Oorschot, 1987.

Hubert Lampo, De komst van Joachim Stiller

9 jul

 

Hubert Lampo - De komst van Joachim Stiller-181x291De roman wordt algemeen magisch-realistisch genoemd. Mythisch zou je ook kunnen zeggen. Het verhaal speelt zich af in Antwerpen; de straten, gebouwen en de cafés kloppen met de werkelijkheid. Bij de cafés houd ik een slag om de arm, want zo goed ken ik dat landschap, en dan eind jaren vijftig, niet. Ook de personages, met uitzondering van Joachim Stiller, zijn in zoverre realistisch dat ze hadden kúnnen bestaan.

Het verhaal wordt in de ik-vorm verteld vanuit Freek Groenevelt. Hij is journalist bij De Scheldebode en schrijft elke dag een stukje over klein Antwerps nieuws. In het begin is hij er getuige van dat de Kloosterstraat wordt opengebroken, er ontstaat een verkeersopstopping en na een tijdje maken de arbeiders de straat weer dicht. Wonderlijk, wat is hier nu eigenlijk gebeurd? Heeft de ploeg zich vergist en de verkeerde straat genomen? Hij schrijft erover en krijgt een regen van brieven; kennelijk is hij de enige die het waargenomen heeft. Dan krijgt hij een brief van ene Joachim Stiller. De postzegel en het stempel zijn van anderhalf jaar voor Groenevelts geboorte. Er staat in dat hij zal schrijven over de gebeurtenis in de Kloosterstraat en dat het stukje bij aankomst van de brief al verschenen zal zijn. Dit is voor de ik en voor alle lezers een raadsel. Waar kan die brief al die tijd zijn gebleven? Hoe zit het met die voorspelling? Hij geeft de brief aan een deskundige die de leeftijd van die brief bevestigt. Tussendoor zijn er realistische daagse gebeurtenissen, hij zoekt een buurvrouw op, er is overleg met de hoofdredacteur. Heel gewoon, passend in het verhaal en met lichte humor geschreven. Er komen meer tekenen van Joachim Stiller die ook zijn komst aankondigt. De tekenen zijn heel divers, bij een bevriend antiquaar vindt hij een zeventiende-eeuws boek, waarvan echter de eerste pagina’s ontbreken waarop je de herkomst en drukgeschiedenis kan lezen. Die vindt hij later in een bibliotheek en dan blijkt het boek een paar eeuwen geleden te zijn geschreven door een Joachim Stiller.
De ik maakt kennis met Simone Marijnisse. Hoe dat gaat en waardoor staat beschreven, maar gaat hier te ver. Ze raken bevriend en ook zij krijgt boodschappen. Als zij een flinke tijd later bij hem overnacht, horen ze beiden het carillon van een nabije kerk ongewoon luid spelen. Ze staan op, kijken over de daken van de stad die in een vreemd schijnsel staan. Later blijkt dat zij de enigen zijn die dit hebben waargenomen.
Kan je binnen een realistische context dit soort vreemde en onwaarschijnlijke zaken opvoeren en toch je lezers aan je binden? Bij mij is het gelukt, bij iemand die het jaren geleden las en met wie ik het erover had, ook. Maar zij herinnerde zich dat haar moeder eraan begonnen was en het boek zuchtend had weggelegd. Tegenover dat laatste staan de vele vertalingen, een verfilming en het feit dat Lampo voor dit werk de Belgische Staatsprijs voor verhalend proza 1963 kreeg. Je moet als lezer wel over het feit heen stappen dat er in de roman onwaarschijnlijke dingen gebeuren. Het is een soort afspraak met de schrijver en je gunt hem die ruimte omdat het verhaal boeiend is geschreven en ik noemde het al, met een prettig vleugje humor. Intussen gaat het verhaal door, er zijn meer verwikkelingen die erg de moeite waard zijn en op het eind zal er toch een ontmoeting zijn bij het Zuidstation (mooi gebouw, in 1965 afgebroken). Als hij uiteindelijk komt, wordt hij terwijl hij de straat oversteekt, overreden en blijft dood liggen op de tramrails, de armen gestrekt, als een gekruisigde. Drie dagen later blijkt het lichaam op onverklaarbare wijze te zijn verdwenen uit het mortuarium. Voor zover de gedachte niet eerder opkwam: is Stiller een beeld voor Jezus, terug op aarde? – dan is er hier niet aan te ontkomen: Stiller als een gekruisigde; het lichaam drie dagen na de dood niet meer in het graf of in het mortuarium. Leg dit naast de eerdere brieven en tekenen, en je vindt heel wat bevestigingen: de tijd heeft geen vat op Stiller, hij is alwetend, hij volgt de hoofdpersonen op een goede beschermende manier. Toch krijgt die laag van het verhaal niet de overhand. Er is geen opgelegde boodschap. Wat strookt met de persoon van de schrijver, deze heeft een atheïstisch-socialistische achtergrond. Hij is wel op zoek naar het transcendente, naar dat wat uitstijgt boven hetgeen je als mens kan waarnemen, en wat niet per se het goddelijke hoeft te zijn. Dat je in Antwerpen, met zijn katholieke tradities, zeker toen, toch terecht komt bij Jezus en Maria, ligt wel voor de hand. Het is, ik lees het er tenminste niet uit, zeker niet het verhaal van een ik die bekeerd wordt en nu zijn leven en de hand van Jezus legt.

 

Graham Greene, Heerschappij van de angst

9 jun

Graham Greene - Heerschappij van de angst-291x179De oorspronkelijke titel is The Ministry of Fear en ik zie niet goed waarom niet voor een letterlijke vertaling is gekozen. Voor alle zekerheid sloeg ik een paar woordenboeken op, maar daarin vond ik geen andere betekenis dan ons ministerie. Voor alle volledigheid: een Ministry komt ook voor in de Presbyteriaanse kerk.

Het boek gaat over angst, angst in de Tweede Wereldoorlog in Engeland, dat er een Vijfde Colonne aan het werk zou zijn. Die gedachte leefde niet alleen daar, ook in Nederland waren mensen die hoopten op een overwinning van Duitsland en daaraan wilden meehelpen. En in Duitsland was de angst voor spionnen gemeengoed – Der Feind hört mit! In deze roman wordt gezegd dat er onder Hitler zelfs een Ministry of Fear was opgericht om een diep wantrouwen onder de bevolking te verspreiden.

De tijd die Greene in deze roman oproept is 1941-’42, de plaats hoofdzakelijk Londen dat avond aan avond onder vuur ligt van Duitse bommenwerpers. Straten of delen van straten liggen in puin, heel wat mensen slapen in schuilkelders. De Londenaars gaan er op een zo-is-het-nu-eenmaal manier mee om. Lastig dat een treinstation is uitgevallen, vervelend de omwegen. Het is een mild cynisme dat Greene goed ligt. De hoofdpersoon, Arthur Rowe, leeft met een groot schuldgevoel. Hij heeft zijn vrouw vermoord. Dat hij niet is veroordeeld maar naar een psychiatrische kliniek is gestuurd, verergert dat. Geen boete na schuld. Allengs wordt duidelijk dat zijn vrouw ongeneeslijk ziek was en veel pijn leed. Als we dit afzetten tegen de praktijk die tegenwoordig de norm is, was Arthurs daad niet goed, maar ook geen halszaak. Het moet echter voor 1940 zijn geweest en hoewel hij en zijn vrouw er niet over gesproken hadden (ook dat past wel in de tijd), was er tussen die twee een soort understanding. Greene laat zien dat medelijden niet steeds tot goeie dingen leidt. Zijn hoofdpersonage tobt erover of hij medelijden met zijn vrouw had of met zichzelf, die het niet meer aankon het lijden te zien. Destijds heeft het hele geval in de kranten gestaan, reden voor Arthur om zich stil te houden, naamloos en onopvallend te blijven. Hij woont ergens op kamers.
Als het verhaal begint wandelt hij langs een plein waar een liefdadigheidsbazar wordt gehouden. Het doet hem denken aan een idyllisch Engels verleden en met een gevoel van heimwee stapt hij er binnen. Via een paar kleine gebeurtenissen die later betekenis blijken te hebben wint hij een flinke taart. Maar zodra hij die heeft, is er iemand die hem wil overnemen, wat hij weigert. Vanaf dat moment raakt hij verwikkeld in een netwerk van sympathisanten met Duitsland en met spionnen, die zich soms bedienen van heel onverwachte strijdmethoden. Het duurt lang voordat hij verbanden gaat zien en nog langer voordat hij zelf actie onderneemt. Al die tijd speelt zijn schuldgevoel hem parten, wat zijn vijanden weten en waarvan zij gebruik maken.
Binnen een caleidoscopisch geheel van personages treedt Anna Hilfe op. Zij is met haar broer uit Oostenrijk gevlucht, en in Londen doen zij liefdadigheidswerk. Zij zal een steeds grotere rol in zijn leven spelen. En hoewel zij op het eind van het verhaal bij elkaar komen, is dat niet op zijn Hollywoods voor een lang en gelukkig leven.

De roman verscheen in 1943 en werd een jaar later verfilmd door niemand minder dan Fritz Lang [Metropolis [1927] M [1931]]. Omdat ik de inhoud van de boeken die ik las niet wil weggeven, vertel ik nooit de plot in het kort na, maar er gebeurt meer dan genoeg om een spannende film te maken. Met het schuldgevoel kon Lang kennelijk niet goed overweg, dat is ook lastiger op het witte doek te brengen, dat element is dan ook verdwenen. Blijft wel dat een topregisseur uit die tijd deze roman koos. Tot in onze tijd wordt The Ministry of Fear in Engeland als toneelstuk opgevoerd.

Dat is wel het grote voordeel van antiquariaten en boekenkramen op de markt, je komt er voor een paar euro werk tegen van auteurs die erg de moeite waard zijn. De Stille Amerikaan is onlangs nog wel door een krant heruitgegeven; daarmee werd Graham Greene opnieuw naar voren gehaald. Maar voor een nu vergeten juweel moet je het geluk hebben er tegenaan te lopen. Of je moet het geluk helpen, op internet is het nog makkelijk te vinden. Bij het scannen van de omslag zag ik ineens dat het taartplateau ook anders gezien kan worden, wat het ontwerp van Tessa Fagel nog een stuk leuker maakt.

Harry Mulisch, De versierde mens

2 jun

Harry Mulisch - De versierde mens 291x183Onder deze titel verschenen in 1957 zeven verhalen. Mijn exemplaar stamt uit 1982. Magisch-mythisch wordt de stijl wel genoemd, abstract-realisme zei Mulisch zelf ooit. Hoe we het noemen doet niet heel veel ter zake. Uit beide benamingen blijkt wel dat het niet gaat om verhalen waarin een werkelijke of verzonnen gebeurtenis wordt verteld, punt, uit. Dat is niet de aanpak van Mulisch in zijn gehele werk en zeker niet in deze verhalen die hij tussen 1953 en 1955 schreef. Bij sommige verhalen kwam de gedachte op: hoe zat het met de tijd, halverwege de vijftiger jaren, waren toen psychedelische stoffen al in omloop? Volgens Van Dale kwam het woord na 1950 in zwang. Dat wil niet zeggen dat iedereen die psychedelische muziek, schilderijen of teksten maakte, zelf geestverruimende middelen nam. Wel dat het werk binnen de tijdgeest paste. Laat ik eindigen met de omtrekkende bewegingen en op de verhalen ingaan.

Het verhaal Keuring gaat over Sander Broodman die de keuring voor militaire dienst negeert en wordt opgehaald door militairen in bloederige uniformen. Wat volgt is een aaneenschakeling van bizarre gebeurtenissen vol vuil en geweld. Uiteindelijk wordt hij buiten gezet, het lijkt erop met een S-vijfje al wordt dat niet gezegd. S5 was de term voor iedereen die geestelijk niet helemaal stabiel was. Homofilie viel daar gemakshalve ook onder.
De terugkomst is rustiger van toon. Ook de dood is minder gruwelijk. De vader van de hoofdpersoon die elk voorjaar weg trok om over de eilanden te zwerven, overlijdt in een bootje aan de oever van een weiland in Kortenisse, een glimlach om de mond. “Wakker geworden aan de verkeerde kant van zijn dromen. Wie dat overkomt is dood. De dromen laten hem niet meer door…” Veel later gaat de hoofdpersoon op zoek naar getuigen van zijn vaders leven en komt uiteindelijk ook niet meer terug van de eilanden.
De sprong der paarden en de zoete zee is een verhaal dat ooit los is uitgegeven. Hier een dertienjarige jongen die verliefd raakt op een onbereikbaar meisje. Hij overweegt zelfmoord, denkt dan aan moord, het meisje komt door een ongeluk om het leven, wat hem een groot schuldgevoel oplevert, ten slotte verliest hij zijn verstand. Zijn verhaal, opgeschreven in zijn strafwerkschrift, wordt gevonden, en tweemaal doorverteld in vormen die niet meer lijken op het origineel. Het wordt een mythe over Schokland en de Zuiderzee. Ook hier speelt de dood een grote rol, en zijn het de herhalingen die het verhaal uittillen boven het anekdotische van het dagelijks leven.
Quauhquauhtinchan in den vreemde gaat over een jongen wiens moeder bij de geboorte sterft, die wordt meegenomen door een kinderloze man en in een Mexicaans-indiaans gezin opgroeit. Tot hij tot buitengewone proporties groeit. Staan kan hij allang niet meer, zijn groei verplettert hele steden, bossen en bergen. Dit gaat 62 bladzijden door en ik was blij aan het volgende verhaal te beginnen: Wat gebeurde er met sergeant Massuro? Dit speelt in Nieuw Guinea. Een groep soldaten moet de orde daar handhaven. Van de bevolking en de omgeving hebben ze geen idee. Als ze ergens nieuwe, ver weg gelegen dorpjes vinden, geven ze het namen als Verneukschoten. Een soldaat neemt een inlands meisje. “Heb je je hand voor haar mond gehouden?” Nee, zegt de soldaat, maar als hij zijn hand opendoet staan de tanden erin. Massuro wordt ziek en wordt steeds zwaarder. Schuldgevoelens uit eerdere, niet beschreven perioden, verstenen hem. Als hij na zijn dood open wordt gezaagd, blijkt hij geheel uit graniet te bestaan.
De versierde mens is het volgende verhaal. Het blijkt aan te duiden dat de mens zich via de techniek voorziet van allerlei extensies, daarmee siert hij zich, maar terwijl zijn uiterlijke verschijning indrukwekkender wordt, krimpt zijn innerlijk. Ten slotte een apocalypsachtig verhaal, Een stad in de zon, waarin een man zijn weg vindt tussen door natuurkrachten verwoest landschap. Hij heeft een stervend paard en een vleugel (piano) bij zich.

Het ene verhaal zal de lezer meer aanspreken dan het andere. Er zijn ook twee manieren om het te lezen: als teksten met een diepe betekenis waarvoor je als lezer de moeite neemt ze te lezen en herlezen omdat je ze wilt doorgronden, of je houdt ermee op, vindt het te gemaniëreerd, en je gelooft het verder wel. Ik vond het interessant te zien hoe je de grenzen van het schrijven kunt verleggen. Binnen de bundel had ik wel duidelijk mijn voorkeuren. Ik vroeg me dan ook af of de schrijver zelf na een halve eeuw nog achter al zijn verhalen zou staan. Maar ja, dat heeft ook te maken met het karakter van de auteur.

Thomas Hürlimann, Veertig rozen

16 mei

Thomas Hürlimann - Veertig rozen 291`x185Het eerste boek dat ik van Hürlimann las, Het tuinhuis, maakte dat ik de Zwitserse schrijver toevoegde aan mijn persoonlijke toplijstje. In dit blog schreef ik eerder over Juffrouw Stark en over De grote kater (Der große Kater). Net als in die laatste roman speelt de politiek in Veertig rozen een flinke rol; het feit dat de schrijver de zoon is van een politicus zal ongetwijfeld meespelen.

De roman gaat echter over veel meer. Hoofdpersoon is Marie Katz, kleindochter van een Joodse immigrant die als couturier een succesvol atelier begon. In de buurt van een van de Zwitserse meren bouwde hij een huis, omgeven door een park, met in de kelder een atelier vol snorrende naaimachines. Zijn creaties waren vooral in Midden- en Oost-Europa erg gewild. Onder het bewind van haar vader begint het minder te gaan, het modebeeld verandert, Italië en Duitsland raken in de ban van het fascisme, maar niet alleen die twee landen. Intussen is de familie half geassimileerd, Maries moeder is katholiek en haar oudere broer priester en zo mogelijk wat roomser dan de paus. Dit leren we uit de flashbacks. Het verhaal begint op de zoveelste veertigste verjaardag van Marie. Zoals altijd worden die ochtend veertig rozen bezorgd, zoals altijd zal ze naar de hoofdstad rijden waar haar echtgenoot een belangrijke politieke functie heeft. En zoals steeds zal ze eerst nog snel langs Percy, de kapper en vriend gaan. Het is een flinke tocht, er zijn files en opstoppingen en in die tijd heeft ze alle ruimte om haar leven te overdenken.
In essentie is het een leven waarin zij nooit zichzelf was. Als Marie Katz verwezenlijkt ze de droom van haar vader. Hij heeft haar pianoles gegeven en ze wordt aangenomen op het conservatorium. Daar komt ze in contact met vrijgevochten kunstzinnige geesten, in de trein naar huis schakelt ze naar de ingetogen dochter die haar vader verwacht te zien. Later komt ze Max Meier tegen die haar vooral waardeert als de First Lady aan zijn zijde die hem vooruit zal helpen in zijn politieke ambities. Ze speelt de rol en ze weet dat ze hem speelt. Steeds meer komt ze los van haar eigen persoonlijkheid om te voldoen aan het beeld dat politiek opportuun is.
De lezer krijgt inkijkjes in de Zwitserse houding tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Antisemitisme kwam daar ook voor, veel Zwitsers verwachtten, of sloten in ieder geval niet uit, dat er een Anschluß met Duitsland zou komen. Vader Katz werd dringend aangeraden zijn naam in neonletters van het dak te halen. De politici in het dorp aan het meer, die daarnaast middenstanders zijn, groeten niet meer, de slager levert alleen nog het taaiste vlees, het beeld dat Hürlimann van Zwitserland schetst,  is een stuk minder fraai dan de meeste inwoners graag etaleren.

Er zijn meer schrijvers die correct en goed leesbare zinnen op papier zetten, maar er is ook proza als muziek, proza dat je met extra plezier leest. Er zijn boeken vol tips voor een goed geschreven verhaal, hoe je dialogen schrijft, personages tot leven wekt, hoe je met de tijd omgaat. Dat kan je allemaal doen en met een beetje goeie wil schrijf je dan een behoorlijk boek, een roman die aan de eisen voldoet. En dan is er de schrijver die dit allemaal weet, misschien wel intuïtief toepast, maar op zoek gaat naar meer, naar nieuwere vormen. Er is wel een lijst te maken van vernieuwende en verrassende schrijvers, ik ga mezelf niet onderbreken om dát nu eerst te doen, maar Thomas Hürlimann hoort op die lijst te staan. In deze roman gaat hij ook met de tijd op een oorspronkelijke manier om. Tegen het eind van het verhaal is Marie bij het hotel aangekomen. We lezen hoe er als elk jaar een diner is, waarbij de eigenaar, de eigenaresse en de staf naar hun tafel komen voor felicitaties, tegelijkertijd zit Marie op het toilet en in haar gedachten herhaalt de scène zich, de eeuwige wederkeer, ze is moe. “Marie begon met het herstel van haar façade en was blij dat ze haar vale huid onder een dikke laag schmink kon verbergen. Max verwácht het, zei ze. Hij heeft het nódig. (…) Hoe werkt een opgebruikte man zijn rimpels weg? Juist, met een jonge vrouw! Daarom die veertig rozen…” Wat zich zo dadelijk zal afspelen hebben we al gezien, maar nu pas gaat Marie met de lift naar de vierde verdieping. “Het was als altijd, als in al de jaren ervoor: Max, al omgekleed, zijn rechterhand in zijn broekzak, stond als een schaduw voor het langzaam dovende avondlicht. Marie, zei hij, ben je daar eindelijk!”
Er zijn op dat punt nog tien bladzijden te gaan, met een laatste dramatische ontwikkeling.

Kees van Beijnum, De ordening

2 mei

Kees van Beijnum - De ordening-183x292Het boek dat na De ordening verscheen, De oesters van Nam Kee, had ik jaren geleden met plezier gelezen. Ik begon dus opgewekt aan deze nieuwe roman, voor mij wel te verstaan want de eerste druk in verscheen 1998, mijn vijfde druk in 2003. Teleurgesteld ben ik zeker niet, al waren er aspecten waarover ik minder enthousiast was.

Het gegeven is interessant, de hoofdpersoon, Stella Verstarre, eerste helft twintig, leeft na haar studie filosofie van een uitkering in het hart van Amsterdam. Ze verdient wat bij doordat ze een deel van haar woonruimte verhuurt aan een Surinamer die er wiet teelt. Weinig is in deze roman wat het op het eerste gezicht lijkt of wat je als cliché in het hoofd zou kunnen hebben. De Suri drijft een antiquariaat en is iemand met wie Stella behoorlijke gesprek kan voeren.
De hoofdpersoon, Stel voor haar vrienden, krijgt steeds meer diepte, al zal ze tot op het eind ook raadselachtige eigenschappen houden. Ze leeft op afstand van zichzelf en haar omgeving. Ze is naïef, tegelijkertijd zoekt ze, in mijn ogen althans, naar merkwaardige ervaringen. Zo heeft ze de gewoonte ontwikkeld om bij verzendhuizen bestellingen te plaatsen om die een dag later volgens de voorwaarden kosteloos te retourneren. In een volks café laat ze zich verleiden door morsige figuren die ze in haar hart verafschuwt. Met uitgeschakeld gevoel. Dat lijkt haar houding, afstand houden van wat dichter op de huid kan komen.
Door haar activistische tweelingbroer wordt ze gewezen op een advertentie waarin een weduwe iemand vraagt om haar archief te ordenen. De weduwe bewoont in het Gooi Villa Landlust, ooit een aantrekkelijk buiten, nu vergane glorie. Ze vraagt Stella bij haar eerste bezoek of ze weet wie ze is. Ze noemt haar naam, De Heus Verolmen, de zwarte weduwe. De gelijkenis met Rost van Tonningen is onontkoombaar. Niet een op een, een aantal dingen kloppen niet met de feitelijke geschiedenis, andere wel. De man uit de roman én Rost van Tonningen kwamen in de Scheveningse gevangenis door een val in het trappenhuis om het leven en de ophef (1986) over het feit dat de weduwe een staatspensioen kreeg, komt ook in de roman terug.
Het past wel bij Stella om zich niet te druk te maken over wat ‘men’ ervan denkt dat ze voor de zwarte weduwe werkt. Zij ziet mevrouw De Heus Verolmen als de ‘broze, schimmige vrouw met het maanbleke gezicht’. De bedoeling van de ordening is het archief zo toegankelijk te maken dat de weduwe eruit kan putten om haar memoires te schrijven. Allengs ontstaat tussen de oude en de jonge vrouw een soort vriendschap en begrip. Doordat Stella alles wat het archief bevat aan brieven, kranten, foto’s doorneemt krijgt ze haar eigen versie van de nog niet geschreven autobiografie te lezen. Er ontstaat een gewoonte om dagelijkse samen een wandeling te maken met de hond. De vrouw die als het absolute kwaad in de media wordt geschilderd, blijkt (uiteraard, zou ik zeggen) iemand die een jeugd had en dromen, hoewel de auteur het feit dat ze fout was en nog steeds is, bepaald niet onder het tapijt veegt. Ik vond dit deel het meest interessant. Als het hierbij gebleven was, zou de roman inhoudelijk nogal dun zijn, maar met de wending die het verhaal neemt was ik niet erg gelukkig. Ik had moeite het vervolg te geloven.
Het is fictie! zou je kunnen tegenwerpen. Dat is ook zo, van fictie weet ik dat het niet waar is, maar binnen het kader van het verhaal, gegeven de omstandigheden en de karakters van de personages, wil ik kunnen geloven dat ook het niet zo waarschijnlijke waar had kunnen zijn. Binnen die ruim gestelde marges overtuigt de schrijver mij niet. Er arriveert een min of meer leeftijdgenoot van Stella, Andreas, oorspronkelijk uit Frankfurt. Hij is (?) de kleinzoon van een Duitser die de weduwe op haar vlucht aan het eind van de oorlog heeft leren kennen, een geliefde die ze decennia lang eenmaal per jaar zag in Zwitserland. Andreas blijkt niet te zijn wat hij wil lijken. Hij blijft een paar maanden logeren, in die tijd knapt hij de hele villa op, en restaureert hij een oude Bentley tot die er weer uitziet als in de folder. Met Stella ontstaat een relatie waarin ze elkaar dagelijks verhalen vertellen. Op zijn instigatie moeten het verhalen blijven, verteld in de hij/zij-vorm. Echt tot leven komt Andreas niet en de gevoelens van Stella… tja. Het verhaal wordt meer en meer een thriller die maar moeilijk te geloven valt.

Ik noemde al de activistische broer. Hij valt zijn tweelingzus er op aan dat ze voor die foute weduwe werkt. Zelf is hij op een andere manier fout. Al jarenlang vindt hij dat het doel, bv. Het dierenwelzijn, alle middelen heiligt, waardoor hij ten slotte in de ogen van de maatschappij gewoon crimineel wordt. Terug naar de ordening. Na maanden is de klus geklaard, alles zit chronologisch in dozen opgeborgen. Als Stella de resultaten laat zien, begint de weduwe te lezen en ontdekt ze dat de documenten een andere werkelijkheid laten zien, dan het levensverhaal dat zich in haar hoofd heeft gevormd. Ze zou het beeld in haar hoofd kunnen aanpassen, maar dat – en dat vind ik heel geloofwaardig – lukt niet meer. Er is veel meer over deze roman te zeggen, er zijn interessante wendingen, maar ik wil niemands leesplezier bederven. Onder de eindstreep blijft een boeiende en fascinerende leeservaring over.

H.J.A. Hofland, Cicero Consultants

27 apr

HJA Hofland - Cicero Consultants-181x292Voor de beschamende prijs van tien cent kwam ik gisteren, Koningsdag, op de vrijmarkt in het bezit van deze roman. Op de derde pagina heette het onder de titel: Een scenario. Op pagina vijf begint het verhaal met de introductie van de hoofdpersoon.

‘Jacob Daader was niet helemaal goed bij zijn hoofd, niet krankzinnig of achterlijk, of op een of andere manier psychotisch. Hij was niet goed bij zijn hoofd op zo’n manier dat degenen die met hem te maken kregen daar pas later achter kwamen. Zoals het meer mensen overkomt: soms kreeg hij een idee. Het verschil was dat hij zich liet meeslepen. Het idee was sterker dan hij.’
Het is duidelijk dat dit niet het begin is van een doodernstig verhaal. Op het achterplat was al aangekondigd dat Jacob met zijn vriend Roen Trapstra Cicero Consultants opricht ‘voor al uw toespraken’ en dat vanaf dat moment een wervelstorm van gebeurtenissen begint. Dat is een juiste samenvatting.
De twee kameraden, Jacob voorop, stellen dat iedereen rijk en beroemd wil worden, dat je dat kan bereiken door een goed redenaar te zijn, maar dat daar geen recept voor is. In plaats van een boek te schrijven, starten ze Cicero Consultants, een bureau dat zich specialiseert in kwaliteitslaster, afbraakhypes; het verbale doodschoppen. Beroemd gaat immers gepaard met gevreesd, hoe gevreesder hoe beroemder. Alles net binnen de grenzen van de wet.
Na een advertentie meldt zich de eerste klant, een rijzige weduwe met een zwarte hoed, een zwarte voile en jurk… ‘Meer rouw was niet mogelijk, meer haute couture evenmin.’ Ze wuift de condoleances weg, ze, Daria, is blij dat hij dood is en ze wil in haar toespraak tijdens de crematieplechtigheid graag kwijt dat het leven met deze man bepaald geen pretje was. Of bureau Cicero een passende speech wil maken.
Het schrijven is bij de auteur in goede handen, zijn uitstekend lopende zinnen lezen heel plezierig weg. Natuurlijk is het over the top, de reacties van de nabestaanden gaan over in een handgemeen en het is dat de consultants met haar weten te vluchten, anders was de weduwe nog gelyncht.

Als lezer vergelijk je steeds met gebeurtenissen die je kent. Afgezien van Daria’s openhartigheid, zoals ik nooit meemaakte, zie ik binnen mijn familie- en vriendenkring geen vechtpartijen ontstaan in de aula van een crematorium. Ik accepteerde wel een van de ongeschreven contracten tussen auteur en lezer: dit is een satirisch en hilarisch verhaal, ik kan nog van alles verwachten. (Begint de schrijver met Er was eens… dan accepteer je het sprookjescontract, je kijkt er niet van op als kikkers in prinsen kunnen veranderen en heksen kindertjes vetmesten.)
De overleden man was bezig met een groot project voor de herontwikkeling van een stuk verlaten havengebied. Zeer binnenkort zal de weduwe dit plan aan de pers presenteren. Er is echter een tegenpartij, een bekende bouwer die een alternatief en luxueus plan heeft, niet voor het volk maar voor de rijken die er veilig en bewaakt kunnen wonen. De tactiek van Jacob, om ervoor te zorgen dat Daria haar plan kan doorzetten, bestaat eruit de tegenpartij onderuit te halen. Hij moet daarom te weten komen waar en wanneer de concurrentie en zijn medestanders dingen deden die het daglicht niet verdragen. Jacob gaat aan de slag. Hij verzamelt louche informatie, een ambtenaar die gratis het bordeel van een zakenman bezoekt, een official die verliefd is op iemand uit het andere kamp, waardoor neutrale beslissingen onmogelijk worden. Bij het verzamelen van de bewijzen heiligt het doel – de nobele waarheid – de middelen. Jacob is de motor van Cicero, Roen de loyale vriend en in dezelfde beeldspraak: de bijwagen.
In een razend tempo ontvouwt de schrijver een tafereel met gladde zakenlieden en buigzame politici. Er is een grote onderlinge verwevenheid waarbij ieder uit is op eigen gewin. Hoewel het verhaal grotesk is, blijft de indruk achter dat je dit meer hebt gezien. Omkoping en corruptie, nieuw is het niet, het is niet het boek dat onthullingen doet, nieuwe inzichten verschaft; het levert wel een vrolijk verhaal dat je in één klap uitleest. Het herinnerde me aan jongensboeken en aan kwajongensstreken. Dat is trouwens het leuke van de literatuur, dat elk, of bijna elk boek tussen de voor- en achterkant een andere wereld tevoorschijn tovert, andere personages en een andere stijl. Zware kost en niet zo zware kost en soms, zoals nu, een vederlicht tussendoortje dat je toch even aan het denken zet over het leven in ons lage land.

Tommy Wieringa, Een mooie jonge vrouw

21 apr

Tommy Wieringa - Een mooie jonge vrouw-292x176Een intrigerende titel, maar de lading dekt hij maar ten dele. Goed, de hoofdpersoon, Edward, begint een relatie met een aanzienlijk jongere vrouw, na zes jaar en de nodige moeite krijgen zij zelfs een kind, maar in hoofdzaak gaat het verhaal over Edward zelf. Meer diepte zou de geschiedenis krijgen als de tekst op het achterplat werd bewaarheid: “In dit liefdesverhaal stelt Tommy Wieringa de vraag wat pijn is en of je kunt doordringen tot de pijn van een ander als je deze niet eerst zelf hebt gevoeld.” Zeker, de woorden komen voor in de tekst, maar het blijft zijdelings. Ook bij “liefdesverhaal” zet ik een vraagteken.

De hoofdpersoon, viroloog en bekend zoals de bekende virologen die bij griep- of andere epidemiedreigingen op de beeldbuis verschijnen, heeft zich een naam opgebouwd in de wetenschap. Als hij even in de veertig is, kijkt hij rond zich heen en constateert dat hij een sociaal, laat staan familieleven, is vergeten. Het feit dat hij een prachtige jonge meid ziet fietsen – achter in de twintig, opvallend kontje – zet een mechaniekje in beweging. Zoals gezegd, dat aspect van het leven was hij vergeten; tijd voor een inhaalslag. Dat de twee zich in een totaal andere levensfase bevinden komt bij Edward niet op. De vader van het meisje wijst hem daar wel op, en in flink gechargeerde termen. De vraag of zij zich het leeftijdsverschil realiseert, en de consequenties, wordt door Edward niet gesteld.
Vragen stellen doet zij trouwens meer dan hij. Hoe het zit met de dieren die voor onderzoek worden gebruikt, wie de conferenties in aangename mondaine plaatsen betaalt. Tegenover haar idealisme stelt hij een praktisch, op geld en status berustend realisme. Natuurlijk werkt het zo in de wetenschap.
Edward begint al tegen de vijftig te lopen als hij vader wordt. Erg enthousiast toont hij zich niet. Enigszins merkwaardig, want volgens de auteur zou hij door middel van zijn jonge vrouw de tijd, de ouderdom en zijn verval kunnen overwinnen. In dat geval zou hij zijn vaderschap juist moeten omarmen, zou ik denken. Er kan dan nog van alles misgaan, maar laat ik me houden aan het verhaal zoals het geschreven is. Het kind blijkt een huilbaby en de moeder merkt, of denkt te merken dat het kind speciaal huilt als hij in huis is. Omwille van het kind kan hij maar beter vertrekken. Dat doet hij, en als lezer moeten we nu geloven dat de man met status en geld op een matrasje op kantoor gaat slapen en zich ’s morgens vroeg op de toiletten scheert en een beetje opfrist.
Daar tussendoor – het begon toen zijn vrouw in verwachting was – loopt een seksuele relatie met een laborante van nog eens een jaar of acht jonger. De mooie jonge vrouw uit de titel is intussen geheel buiten beeld geraakt. Wat mij betreft zou De ondergang van Edward Landauer een titel zijn die de lading beter dekt. Want dat het niet goed voor hem afloopt ligt voor de hand; dat het op een nogal groteske manier verkeerd afloopt, maakt het tamelijk zwakke verhaal er niet beter op.

Aan de positieve kant staat wel dat een aantal maatschappelijke onderwerpen aan de orde komt, ik noemde al de relatie tussen wetenschap en de industrie, ofwel het grote geld. Of dieren pijn kunnen voelen komt in een gesprek naar voren, hoewel de lezer daar niet veel wijzer wordt dan hij of zij waarschijnlijk al was. De tegenstellingen tussen de man die dierproeven doet en de vrouw die vegetarisch wenst te leven zijn interessant maar worden nauwelijks uitgewerkt. Dat het huwelijk niet erg lukt is niet verrassend, bij van geen van de twee zie je iets van een poging om de ander te begrijpen. Jammer voor de personages én voor de lezer. Twee mensen die een huwelijk een kans trachten te geven en mislukken, lijkt mij interessanter dan wat ik nu heb gelezen.
Je mag een gegeven paard niet in de bek kijken. Laat ik het maar bij dat oubollige spreekwoord houden.

Franca Treur, De woongroep

17 apr

Franca Treur - De woongroep_187x292De hoofdpersoon, Elenoor, is bijna dertig. De studie zit erop, ze heeft een baan als content manager, dat wil zeggen ze houdt de inhoud van een paar websites bij. Ze heeft een vriend die al jaren bezig is om een film te maken, mede mogelijk gemaakt door een rijke vader.

Het is het moment dat ze omkijkt: waar gaat mijn leven eigenlijk over? De religieuze vraag zou geweest zijn: waartoe ben ik op aarde? Maar dit is niet Treurs vorige roman waarin de dominee een hele gemeenschap antwoord geeft op deze vraag. Elenoor denkt zingeving te vinden in een activistische woongroep. Die mensen staan tenminste ergens voor denkt ze. Even waan je je in de zeventiger jaren, heel even maar, want de gadgets waarvan Elenoor houdt zijn anno 2010. En waar de twintigers van toen geen enkele moeite hadden om de barricaden op te gaan – er was genoeg recht te zetten in de wereld – moeten de huidige woongroepers een vergadering beleggen om aan een onderwerp te komen. Niet iedereen stelt de vraag, maar wie de vraag naar zingeving wel stelt, krijgt geen eenduidig antwoord. Dat is wat Franca Treur vooral laat zien.
De wereld die zij oproept vind ik geloofwaardig en dat komt omdat zij in taal de bijna dertigers van nu uitstekend weet neer te zetten. Het onderwerp is zwaar genoeg, maar Treurs zinnen geven lucht, laten je regelmatig even glimlachen. Bij mensen die op zoek zijn denk ik eerder aan tasten, aan onzekerheid, dan aan grote gebaren, sterk neergezette avonturen. Wat dat aangaat past de stijl bij de inhoud.
Een tweede verhaallijn gaat over de zorg, de vercommercialisering ervan aan de ene kant, de handen aan het bed aan de andere kant. Medebewoner Alexander doet dat laatste. Elenoor ziet er een nobele, fraaie zingeving in. Maar ook dit is niet zo romantisch positief als het lijkt.
De stijl van schrijven leek me het best te illustreren door een deel van pagina 81-82 te scannen: op de warmste dag van het jaar helpt haar vriend Erik Elenoor met haar verhuizing.

De hele dag heb ik met Erik spullen lopen sjouwen. Wat een troep zeg, niet te geloven. Allemaal dingen waar ik eerder nog heel enthousiast over was. Ik heb alleen al een verhuisdoos vol opladers en afstandsbedieningen.
Ik denk dat ze me in mijn nieuwe huis voor een materialist zullen verslijten, bezit en commune gaan moeilijk samen, zeggen ze toch. En wat is daar nog van wie? Ik heb een paar apparaten van een heel goed merk. Voor de Vibropower-trilplaat heb ik bijvoorbeeld geen doos kunnen vinden, daar moesten we dus zo mee de gang over. Ik was vooruitgelopen, om te kijken of er niemand was.
Kust veilig,’ zei ik tegen een oververhitte Erik, die ermee in het trappenhuis stond te wachten. Iemand die al chagrijnig is moet je eigenlijk niet laten wachten. Nietzsche heeft al gezegd: iemand lang laten wachten is de beste manier om hem op gemene gedachten te brengen. (Ik heb dat niet zelf gelezen, ik citeer iemand die zelf de godganse dag Nietzsche citeert.)
Mijn kamers zijn helemaal aan het eind van de gang, tegenover die van Alexander. Ik heb uitzicht op een binnentuin, Annerie ook. De jongens kijken uit over de kade. Zij laten zich vandaag niet zien, maar Anneries deur staat de hele dag open. Vanuit mijn ooghoeken zie ik hoe Erik daar zo nu en dan een steelse blik naar binnen werpt.
De spullen staan op hoopjes en torentjes in mijn woonkamer, een stilleven alsof de ondergang van de wereld al geweest is. We zitten doodop op mijn bank, en ineens krijgen we hevige ruzie om een rotopmerking van Erik die ik niet ga herhalen, en ook over iets lulligs dat ik niet terug had moeten zeggen. De conclusie is dat Erik thuis gaat slapen.
Thuis?’
Ja.’
Sinds wanneer is jouw kamer thuis en de mijne niet?’
Ik dacht niet dat hij echt zou gaan. Ik dacht dat ik de situatie onder controle had, dat het in mijn handen lag om de juiste zin te zeggen met de juiste intonatie, en dat, zodra ik dat deed, alles weer in orde zou zijn.
Maar de situatie is dat hij tegen de dozen aan loopt te trappen, en dat hij naar zijn jas zoekt.
Ik zeg: ‘Waar heb je nu een jas voor nodig?’ Maar daar zitten z’n sleutels in. Hij vindt hem verdomde snel tussen de rotzooi, en voor ik het weet rent hij ermee de trappen af, zonder afscheidszoen of wat.
Ik hoor hem bonken op de treden. Het is een gehorig huis.

(Als ik dit fragment een paar keer herlees, zie ik wel zinnen die net iets beter zouden kunnen. Bij het lezen, niet in de modus docent Creatief schrijven, was het niet storend, maar toch, de recensenten die er een opmerking over maakten hebben een puntje.)