Tag Archives: autobiografie

Jan Hanlo, Zonder geluk valt niemand van het dak

13 Feb

Jan Hanlo - Zonder geluk valt niemand van het dak-183x292In 1972 verscheen dit boek als een postume uitgave; Jan Hanlo overleed in 1969 als gevolg van een ongeluk met zijn motor. Het is een autobiografische roman die hij ruim twintig jaar eerder schreef. Dat hier het woord roman gebruikt wordt, bewijst wel hoe rekbaar dit begrip is. Je zou het evengoed een intiem verslag kunnen noemen.

Hanlo is het meest bekend van zijn gedichten, zoals De mus, Oote en Zo meen ik ook dat jij bent. De titel van dit boek was voor mij nieuw. Om het in de tijd te plaatsen ga ik even rekenen: Hanlo werd in 1912 geboren, als hij (zoals Adriaan Morriën zegt) het boek twintig jaar voor 1972 schreef, oftewel 1952, dan was hij toen ongeveer 40. Uit Zonder geluk… blijkt dat hij in die tijd als leraar werkte en zich vooral ongelukkig voelde met zijn eigen houding ten opzichte van zichzelf, van zijn leerlingen, en überhaupt met zijn medemensen. Hij had homofiele en ook wel pedofiele gevoelens en hij wist zich weinig houding te geven. Ik krijg de indruk dat hij het liefste onzichtbaar had willen zijn. Om dat te doorbreken gaat hij zich bekwamen in het voortdurend kijken, voortdurend iemand in de ogen kijken. Hij merkt dat hij daarmee een reactie uitlokt en hij begint te merken, of bang te worden dat hij langzaam gek wordt. Inderdaad wordt hij op een bepaald moment opgenomen in de Valeriuskliniek vanwege een psychose.
Het grootste deel van dit boek is een verslag van wat de schrijver meemaakt in deze en in een andere psychiatrische instelling. Het ging om een gedwongen opname en gedurende enige tijd was hij ook vastgebonden omdat hij een gevaar voor zichzelf vormde. Hij beschrijft een moment waarop hij op een stoel zit in een marmeren gang en eens wil proberen wat er gebeurt als je je ongeremd vanuit je stoel op de grond laat vallen. De eerste keer loopt dat nog vrij goed af, te goed naar zijn idee – zo maak je de echte effecten niet mee – waarop hij het nog een keer probeert en dan inderdaad zijn neus en kin tot bloedens toe beschadigt.

Ik ken geen andere voorbeelden van schrijvers die een gedetailleerd verslag geven van een verblijf in een psychiatrische inrichting. Ik vermoed ook dat bijna iedereen een periode binnen de muren zo gauw mogelijk wil vergeten of er in ieder geval weinig publiciteit aan wil geven, behalve misschien onder een paar heel goede vrienden of vriendinnen. Wat dat aangaat is dit boek heel bijzonder, niet alleen geeft het een beeld van wat de schrijver opgesloten in een gesticht meemaakt, maar het geeft ook een indringend beeld van de gedachtewereld van Jan Hanlo.
Het is bekend dat iedereen die schrijft zichzelf blootgeeft, of hij of zij dat nu wil of niet. Vaak is dat iets wat onder de oppervlakte gebeurt, tussen de regels door, onbewust. Zelfs de schrijvers die bereid zijn zichzelf op de ontleedtafel te leggen, houden als regel toch een gedeelte van hun eigen persoon buiten beeld. Een openhartigheid zoals hier bij Jan-Hanlo kom je maar heel zelden tegen. Of je het boek een roman wil noemen of niet is een kwestie van indeling, overtuiging, maar is niet van het grootste belang. Ik zou me wel kunnen voorstellen dat dit boek gepubliceerd zou zijn binnen een serie als Privé-domein, waarin typisch egodocumenten verschijnen. Dit is een uitgave van Van Oorschot, ik las de vierde en volgens mij laatste druk uit 1989. Wie het ook wil lezen zal op zoek moeten in antiquariaten, op (www) boekwinkeltje, marktplaats of dergelijke vindplaatsen.

Advertenties

Frans Pointl, De Heer slaapt met watjes in zijn oren

1 Jun

Frans Pointl -De Heer slaapt met watjes in zijn oren-291In de vormgeving zijn de eerste overeenkomsten te vinden met de verhalenbundel waarmee Frans Pointl bekend werd, De kip die over de soep vloog. Ik las het kort voor ik een interview met de schrijver zou houden in de foyer van het Rotterdamse Bibliotheektheater. Dat leidde toen nog een bloeiend bestaan met een interessant gamma aan literaire programma’s. Het was begin jaren negentig maar aan de spreekwoordelijke stoelpoten van het theater werd al gezaagd.

Wat ik me vooral herinner zijn de waarschuwingen die ik vooraf kreeg: ‘Ga jij Frans Pointl interviewen? Nou ik ben benieuwd of je er een woord uitkrijgt.’ In de gesprekken die ik had voordat we een definitieve afspraak maakten, was hij inderdaad voorzichtig, maar ik verzekerde hem dat ik het over het schrijven wilde hebben en geen Van der Meijdenachtige vragen in gedachten had. Het was een gesprek in een serie interviews op podium, dus op schrift is er niets van achtergebleven.

De kip bestaat uit een zestiental korte autobiografische verhalen. Zij gaan voor een belangrijk deel over zijn jeugd die sterk werd overschaduwd door de kampervaringen van zijn joodse moeder. Na de oorlog heeft zij alleen nog haar zoon Frans en een oude Steinbach piano. Samen met haar zoon (1933) gaat zij bij oude buren op bezoek die zolang spullen zouden bewaren, maar nu ineens hun geheugen zijn kwijtgeraakt. In het huis van deze zwaar getraumatiseerde overlevende groeit Frans op tot een sociaal onhandige man. Hij ziet geen kans om baantjes te behouden en na de dood van zijn moeder komt hij terecht bij hospita’s. Een deel van zijn verhalen gaat over die ervaringen. Wie eens wil zien hoe ingetogen en kaal je kunt schrijven, doet er goed aan de verhalen van Pointl te lezen. Hij brengt ook in de praktijk wat je van een autobiografie kan zeggen, namelijk dat je niet direct hoeft te beginnen aan een groot alomvattend verhaal, maar dat je ook losse verhalen kan schrijven die je op een goed moment kan bundelen.

In De Heer slaapt met watjes in zijn oren (acht wat langere verhalen) komen we een aantal situaties uit de eerdere bundel tegen. Zo is een kort verhaal over een relatie met een jonge vrouw met een hazenlip hier uitgebreid. Een paar omstandigheden zijn ook gewijzigd, zodat je je kan afvragen of dit verhaal, en daarmee álle verhalen, ook in de details op autobiografische waarheden berusten. Dit is trouwens, zoals steeds, typisch een verhaal rond een anti-held. Hij gaat mee met de koffiejuffrouw die door de chef ‘de lip’ wordt genoemd. Iets wat de ik hem erg kwalijk neemt: We noemen u toch ook niet Hamster vanwege die overdreven wangzakken? In het begin van het verhaal gaat hij met haar naar de bioscoop “en van het een kwam het ander. Op een avond had ze me meegenomen naar haar zolderkamertje aan de Jacob van Lennepkade en had ze me verleid.” De relatie blijft bijna uitsluitend lichamelijk. Zij houdt niet van zijn klassieke muziek, leest geen boeken en vindt het saai als hij wel leest. Op den duur raakt zij alleen nog maar enthousiast als hij dingen voor haar bekostigt. Zoals de occasion die ze kopen. Zij wil een auto en neemt rijlessen. Samen ontdekken ze dat de voordeligste aanschaf een auto van Oost-Duitse makelij was, een Trabant. Die kopen en financieren ze. Even lijkt het hem vreemd dat alleen zijn naam genoemd staat bij de afbetalingsregeling. Als zij vertrekt met een jongere nieuwe vriend, is hij nog aan het afbetalen. Tja, hij lijkt in de verhalen een abonnement te hebben op het kortste eind.
De titel interpreteerde ik in overdrachtelijke zin: er deugt heel veel niet in de wereld, maar God slaapt met watjes in zijn oren. Later blijkt het verband te houden met het verblijf van de ik in een ziekenhuis. Hij komt er terecht nadat hij hartklachten had. In een telefonisch consult stelde de cardioloog vast dat hij een hartaanval had gehad en zei hem stante pede naar het ziekenhuis te komen. Dat kan niet, zei de ik. Ik kan mijn katten niet in de steek laten.

“‘Wat is nu belangrijker, uw leven of uw katten?’ vroeg de cardioloog.
‘Mijn katten gaan altijd voor.’
De cardioloog stelde dat deze beslissing voor mijn verantwoording was en verbrak de verbinding.”

Alain de Botton, De biograaf

25 Apr

Alain de Botton - De biograaf - 291hgNiet zo lang geleden had ik Proeven van liefde van dezelfde schrijver gelezen. Met plezier, zoals in een blog van vorige maand is te zien. Omdat ik regelmatig schrijfgroepen Levensverhalen begeleid, begon ik met meer dan gewone belangstelling in dit boek.

Ik constateerde dat De Botton twee dingen tegelijkertijd doet, aan de ene kant geeft hij een filosofische analyse van de biografie. Eén van zijn vele bevindingen is dat biografen de neiging hebben om steeds uitgebreider te berichten. Hij zet James Boswell, die 1492 pagina’s schreef over Samual Johnson tegenover John Aubrey die schetsen maakte van vooraanstaande figuren uit de zeventiende eeuw, die slechts één pagina besloegen. (Ik zocht Boswell op en zag op Wikipedia dat zijn Life of Samual Johnson ‘often has been described as the best biography ever’. De auteur probeerde, in tegenstelling tot wat aan het eind van de achttiende eeuw gebruikelijk was, een compleet portret te maken; niet slechts een overzicht van het publieke leven van zijn onderwerp.
De biograaf in het boek vraagt zich af hoe dicht bij de biograaf moet komen om een werkelijk beeld te kunnen schetsen. Moet je bij wijze van spreken met je onderwerp naar bed? Hij relativeert ook dit, hoe nabij ben je dan werkelijk? Om vervolgens een vergelijking te maken met de vertrouwdheid die maakt dat je jezelf slaperig en onopgemaakt aan de ander durft te vertonen. Ik zei al dat De Botton twee dingen doet in zijn boek. In het tweede spoor volgt de ik in samenhang met een gewoon meisje van ergens in de twintig, Isabel Rogers. De ik is nu eens de filosoferende biograaf, dan weer, of tegelijkertijd de vriend van Isabel. Hij stelt zich de vraag of biografieën per definitie over beroemde mensen moeten gaan. Zijn antwoord is nee, want ook de levende en ‘gewone’ Isabel is interessant. Wel is het zo dat lezers het interessant vinden om te weten dat De Beroemde Man tijdens het schrijven van zijn Grote bestseller driemaal per dag wisselbaden nam om dat hij last had van wintervoeten. Ik verzin maar wat. Als de loodgietersknecht last heeft van hetzelfde probleem, zal niemand buiten zijn directe omgeving dat boeiend vinden. Als dezelfde loodgietersknecht regelmatig te laat bij zijn klanten komt omdat hij zichzelf vergeet als hij aan het lezen is in de Metamorphosen van Ovidius, dan wordt dat wel weer interessant. Hoe beroemder de man of vrouw, hoe meer schijnbaar onbelangrijke details de aandacht trekken. Van de onbekende mens zijn onverwachte details weer interessant.
Betekent dit nu dat de biograaf die het leven van een beroemd mens beschrijft, álles moet vermelden, of is dit luiheid, of onkunde om te kiezen tussen wat wel en wat niet van belang is. Een regelrechte uitspraak doet De Botton niet, maar hij blijkt niet voor een oeverloze opsomming. In het meest extreme geval zou de biografie net zo lang worden als iemands werkelijke leven. Hij haalt zelfs een aantal contactadvertenties aan om daarmee de kortst mogelijke autobiografieën te laten zien. Uitdit soort gedachten en voorbeelden blijkt dat De Botton niet alleen over inzichten, maar ook over humor beschikt.
Isabel leeft en ze is in de buurt. De ik probeert zo dicht mogelijk bij haar te komen en zijn theorieën op haar uit te testen. Zo weet hij dat Proust ooit een vragenformulier invulde dat een karakterologisch inzicht zou moeten geven. Prompt probeert hij dit uit op Isabel, die zich echter niet zo makkelijk laat vangen en sommige vragen maar stupide vindt. Isabel blijkt een jonge vrouw met ouders waarover wel het een en ander te melden valt, met karaktereigenschappen die soms uit het verleden te verklaren zijn, en uiteindelijk iemand die we herkennen. De ik, de biograaf, blijkt een filosoof met een ernstige maar even vaak vrolijke kijk. Zo overweegt hij hoe het vreemd het is dat een teennagel oké is zolang hij aan de voet zit, maar eenmaal afgeknipt als vies wordt beschouwd; hetzelfde gaat op voor een haar: helemaal prima, zolang hij maar vastzit.

Door deze mix van filosofie en dagelijkse werkelijkheid, ernst en humor, is het boek – ik twijfel of ik het nu wel of niet een roman moet noemen – een plezier om te lezen en biedt het een boeiende kijk op de biografie. Nu, een aantal dagen na lezing, denk ik dat een van de hoofdpunten wordt gevormd door de vraag van het belang van harde feiten, dan en dan geboren, scholing, beroep, tegenover de zachte kant, wat zijn de eigenschappen die de mens achter de gebiografeerde laten zien.
Van de hoofdpersoon, de vriendin het het studieobject van de ik als biograaf, Isabel dus, zien we de ups en downs, haar stemmingen, kortom haar leven. Voortdurend krijgen we, de lezers, daarbij de reflectie van de ik. Daarachter rijst de vraag die misschien wel achter elke autobiografie schuilt: hoe ben ik op het huidige punt in mijn leven beland en waarom, wat was het resultaat van ouders, opvoeding en wat het resultaat van mijn eigen handelen en mogelijkheden?

Corry Brokken, Wat mij betreft, memoires

21 Dec

Corrie Brokken - Wat mij betreft 172x275Nu moet ik eerlijk zeggen dat ik niet speciaal op zoek was naar de autobiografieën van bekende Nederlanders. Het was weer eens het -misschien- juiste boek op de juiste plaats. Ik ben bezig met een serie Levensverhalen te begeleiden en het leek me interessant om een verhaal dat het tot boek had gebracht te bekijken. En om het geld hoef je het in het boekenmarktcircuit niet te laten.

In de cursus maken de deelnemers losse verhalen. Aan de hand daarvan is goed te zien uit welke valkuilen de auteurs weer moeten klauteren, of waar het juist heel goed gaat. Een bundel van die verhalen kan een mooi monument vormen, maar na deze vingeroefeningen kan een cursist ook besluiten een complete autobiografie te schrijven. Tegelijkertijd ken ik iemand die bezig is verhalen uit haar leven te schrijven in de vorm van een roman. De autobiografische ik is een zij geworden en de namen van de personages zijn verzonnen. Ook uit de club levensverhalenschrijvers kwam de vraag op of dat kon, over jezelf schrijven in de hij/zij-vorm. Antwoord: ja, natuurlijk.

Ik was de trotse bezitter geworden van de memoires van Corry Brokken. Zou ik na een tijdje moedig lezen het boek met een zucht terzijde leggen? Ik was wel benieuwd en juist het feit dat het niet geschreven was door een auteur die de sporen dik en breed had verdiend, maakte me nieuwsgierig. Het viel me erg mee, ik was gecharmeerd van de stijl.

Qua vorm heb je het voor een compleet levensverhaal makkelijk. Je begint bij wat je je uit je kindertijd kan herinneren, aangevuld met wat informatie die je van je ouders of een oudere broer of zus hebt, en vanuit dat punt ga je chronologisch door de tijd. Als je een roman schrijft, kan je je afvragen waar je wil beginnen, en of je de dingen van vóór je beginpunt in flashbacks zal gieten. Ook het perspectief spreekt voor zich. De dingen zijn jou overkomen, de wereld is misschien niet helemaal zoals jij het ziet, maar jouw wereld is wat jij ervan ziet. Corry Brokken volgt precies dit systeem. Daarbinnen kan je nog veel kanten op. Je kan besluiten om vooral de leuke dingen te beschrijven, de dingen die jou in een goed en misschien wel veel te roze daglicht plaatsen. Haar manier van kijken maakte het verhaal boeiend, ze is namelijk bijzonder openhartig. Soms dacht ik, dat had je beter anders kunnen aanpakken, soms beschrijft ze hoe ze dat zelf ook, achteraf gezien, dacht. De openhartigheid begint al met het verhaal van haar vader die in de Tweede Wereldoorlog lid was van de Nationaal Socialistische Beweging, en met vele anderen na de oorlog in een van de kampen terecht kwam. Lange tijd vond ‘Nederland’ het heel gewoon om familie en kinderen van ‘foute’ landgenoten te discrimineren en te pesten. Dat maakten de kinderen Brokken ook mee. Het werd beter nadat Corry op een keer zo getergd werd dat ze een kleine overmacht pesters een flink pak slaag uitdeelde. Door ervoor te kiezen ook het NSB-verhaal op te nemen, maakt de schrijfster duidelijk dat ze moeilijke kwesties niet uit de weg gaat. Die openheid houdt ze vol, en juist daardoor wordt het een bijzonder lezenswaardig boek dat een beeld geeft van een mens met alle sterke en zwakke kanten.

Tijdens een cursusavond vertelde ik dat ik de memoires van Corry Brokken aan het lezen was. Sommige cursisten vroegen zich af, waarom? Is dat niet een zangeres van heel vroeger, een beetje tuttig, en zo? Ja, vast wel, in de vijftiger jaren (Brokken won het Songfestival van 1957) was iedereen dat, en inderdaad, ze is nooit met de hippy-stroom meegegaan. Des te aardiger, voor mij althans omdat ik me veel bezighoud met gewone Nederlanders die schrijven, om te zien hoe deze Brabantse met twee voeten op de grond, haar levensverhaal zou schrijven. Omdat ik de roddelmedia niet volg, was mij ook het wel en wee van Corry Brokken onbekend. Zou ik dan nu plotseling nieuwsgierig worden? Niet naar de feiten als zodanig. Of BN’er X een verhouding heeft met A of met B zal mij niet uit de slaap houden. Net als in een roman kan je met de hoofdpersoon meeleven als je wordt meegesleept in het emotionele leven van het personage. Met andere woorden, het wat iemand doet is minder interessant dan waarom hij of zij dat doet en hoe die persoon de dingen ervaart. Op dat punt, het belangrijkste punt dus, slaagt de auteur. Zo zelfs dat ik me begon af te vragen of zij alles zelf had geschreven. De uitgever kan er best een redacteur aan zetten om van een broddelwerkje een voor publicatie geschikt verhaal te maken. Misschien had ze als rechter met het schrijven van vonnissen schrijfervaring opgedaan? In een nawoord geeft ze het antwoord zelf. Perfectioniste als ze altijd was, wilde ze ook met dit boek geen half werk afleveren. Ze ging daarom naar de Schrijversschool in Amsterdam, nam tips en aanwijzingen ter harte, en schreef haar eigen verhaal.

In scenisch geschreven gedeelten is de ik, de Corry van dat moment, maar op andere momenten is de ik de schrijfster van nu, dat wil zeggen van toen ze het boek schreef, anno 1999-2000. Met die latere kennis weet ze meer, kan ze dingen schrijven als ‘dat het niet zou duren, wist ik toen nog niet.’ Daarmee geef je een kleine vooruitwijzing die de lezer nieuwsgierig maakt. Brokken maakt van die mogelijkheden een goed gebruik.

Het boek bevat 262 pagina’s. Wie weet hadden het er 524 kunnen worden. Dat is een kwestie van voortdurend kiezen tussen hoofdzaken en bijzaken. Een persoonlijke keuze, waarvan ik alleen kan constateren dat ik me nergens door onbelangrijke prietpraat hoefde te worstelen.

Over de feiten heb ik niet veel gezegd. Hoeft ook niet; je kunt ze op internet vinden. Wat je daar niet kan vinden is hoe de hoofdpersoon van al die gebeurtenissen haar leven heeft ervaren. Juist dat maakt de autobiografie interessant.