Tag Archives: boeken

Hubert Lampo, De komst van Joachim Stiller

9 jul

 

Hubert Lampo - De komst van Joachim Stiller-181x291De roman wordt algemeen magisch-realistisch genoemd. Mythisch zou je ook kunnen zeggen. Het verhaal speelt zich af in Antwerpen; de straten, gebouwen en de cafés kloppen met de werkelijkheid. Bij de cafés houd ik een slag om de arm, want zo goed ken ik dat landschap, en dan eind jaren vijftig, niet. Ook de personages, met uitzondering van Joachim Stiller, zijn in zoverre realistisch dat ze hadden kúnnen bestaan.

Het verhaal wordt in de ik-vorm verteld vanuit Freek Groenevelt. Hij is journalist bij De Scheldebode en schrijft elke dag een stukje over klein Antwerps nieuws. In het begin is hij er getuige van dat de Kloosterstraat wordt opengebroken, er ontstaat een verkeersopstopping en na een tijdje maken de arbeiders de straat weer dicht. Wonderlijk, wat is hier nu eigenlijk gebeurd? Heeft de ploeg zich vergist en de verkeerde straat genomen? Hij schrijft erover en krijgt een regen van brieven; kennelijk is hij de enige die het waargenomen heeft. Dan krijgt hij een brief van ene Joachim Stiller. De postzegel en het stempel zijn van anderhalf jaar voor Groenevelts geboorte. Er staat in dat hij zal schrijven over de gebeurtenis in de Kloosterstraat en dat het stukje bij aankomst van de brief al verschenen zal zijn. Dit is voor de ik en voor alle lezers een raadsel. Waar kan die brief al die tijd zijn gebleven? Hoe zit het met die voorspelling? Hij geeft de brief aan een deskundige die de leeftijd van die brief bevestigt. Tussendoor zijn er realistische daagse gebeurtenissen, hij zoekt een buurvrouw op, er is overleg met de hoofdredacteur. Heel gewoon, passend in het verhaal en met lichte humor geschreven. Er komen meer tekenen van Joachim Stiller die ook zijn komst aankondigt. De tekenen zijn heel divers, bij een bevriend antiquaar vindt hij een zeventiende-eeuws boek, waarvan echter de eerste pagina’s ontbreken waarop je de herkomst en drukgeschiedenis kan lezen. Die vindt hij later in een bibliotheek en dan blijkt het boek een paar eeuwen geleden te zijn geschreven door een Joachim Stiller.
De ik maakt kennis met Simone Marijnisse. Hoe dat gaat en waardoor staat beschreven, maar gaat hier te ver. Ze raken bevriend en ook zij krijgt boodschappen. Als zij een flinke tijd later bij hem overnacht, horen ze beiden het carillon van een nabije kerk ongewoon luid spelen. Ze staan op, kijken over de daken van de stad die in een vreemd schijnsel staan. Later blijkt dat zij de enigen zijn die dit hebben waargenomen.
Kan je binnen een realistische context dit soort vreemde en onwaarschijnlijke zaken opvoeren en toch je lezers aan je binden? Bij mij is het gelukt, bij iemand die het jaren geleden las en met wie ik het erover had, ook. Maar zij herinnerde zich dat haar moeder eraan begonnen was en het boek zuchtend had weggelegd. Tegenover dat laatste staan de vele vertalingen, een verfilming en het feit dat Lampo voor dit werk de Belgische Staatsprijs voor verhalend proza 1963 kreeg. Je moet als lezer wel over het feit heen stappen dat er in de roman onwaarschijnlijke dingen gebeuren. Het is een soort afspraak met de schrijver en je gunt hem die ruimte omdat het verhaal boeiend is geschreven en ik noemde het al, met een prettig vleugje humor. Intussen gaat het verhaal door, er zijn meer verwikkelingen die erg de moeite waard zijn en op het eind zal er toch een ontmoeting zijn bij het Zuidstation (mooi gebouw, in 1965 afgebroken). Als hij uiteindelijk komt, wordt hij terwijl hij de straat oversteekt, overreden en blijft dood liggen op de tramrails, de armen gestrekt, als een gekruisigde. Drie dagen later blijkt het lichaam op onverklaarbare wijze te zijn verdwenen uit het mortuarium. Voor zover de gedachte niet eerder opkwam: is Stiller een beeld voor Jezus, terug op aarde? – dan is er hier niet aan te ontkomen: Stiller als een gekruisigde; het lichaam drie dagen na de dood niet meer in het graf of in het mortuarium. Leg dit naast de eerdere brieven en tekenen, en je vindt heel wat bevestigingen: de tijd heeft geen vat op Stiller, hij is alwetend, hij volgt de hoofdpersonen op een goede beschermende manier. Toch krijgt die laag van het verhaal niet de overhand. Er is geen opgelegde boodschap. Wat strookt met de persoon van de schrijver, deze heeft een atheïstisch-socialistische achtergrond. Hij is wel op zoek naar het transcendente, naar dat wat uitstijgt boven hetgeen je als mens kan waarnemen, en wat niet per se het goddelijke hoeft te zijn. Dat je in Antwerpen, met zijn katholieke tradities, zeker toen, toch terecht komt bij Jezus en Maria, ligt wel voor de hand. Het is, ik lees het er tenminste niet uit, zeker niet het verhaal van een ik die bekeerd wordt en nu zijn leven en de hand van Jezus legt.

 

Graham Greene, Heerschappij van de angst

9 jun

Graham Greene - Heerschappij van de angst-291x179De oorspronkelijke titel is The Ministry of Fear en ik zie niet goed waarom niet voor een letterlijke vertaling is gekozen. Voor alle zekerheid sloeg ik een paar woordenboeken op, maar daarin vond ik geen andere betekenis dan ons ministerie. Voor alle volledigheid: een Ministry komt ook voor in de Presbyteriaanse kerk.

Het boek gaat over angst, angst in de Tweede Wereldoorlog in Engeland, dat er een Vijfde Colonne aan het werk zou zijn. Die gedachte leefde niet alleen daar, ook in Nederland waren mensen die hoopten op een overwinning van Duitsland en daaraan wilden meehelpen. En in Duitsland was de angst voor spionnen gemeengoed – Der Feind hört mit! In deze roman wordt gezegd dat er onder Hitler zelfs een Ministry of Fear was opgericht om een diep wantrouwen onder de bevolking te verspreiden.

De tijd die Greene in deze roman oproept is 1941-’42, de plaats hoofdzakelijk Londen dat avond aan avond onder vuur ligt van Duitse bommenwerpers. Straten of delen van straten liggen in puin, heel wat mensen slapen in schuilkelders. De Londenaars gaan er op een zo-is-het-nu-eenmaal manier mee om. Lastig dat een treinstation is uitgevallen, vervelend de omwegen. Het is een mild cynisme dat Greene goed ligt. De hoofdpersoon, Arthur Rowe, leeft met een groot schuldgevoel. Hij heeft zijn vrouw vermoord. Dat hij niet is veroordeeld maar naar een psychiatrische kliniek is gestuurd, verergert dat. Geen boete na schuld. Allengs wordt duidelijk dat zijn vrouw ongeneeslijk ziek was en veel pijn leed. Als we dit afzetten tegen de praktijk die tegenwoordig de norm is, was Arthurs daad niet goed, maar ook geen halszaak. Het moet echter voor 1940 zijn geweest en hoewel hij en zijn vrouw er niet over gesproken hadden (ook dat past wel in de tijd), was er tussen die twee een soort understanding. Greene laat zien dat medelijden niet steeds tot goeie dingen leidt. Zijn hoofdpersonage tobt erover of hij medelijden met zijn vrouw had of met zichzelf, die het niet meer aankon het lijden te zien. Destijds heeft het hele geval in de kranten gestaan, reden voor Arthur om zich stil te houden, naamloos en onopvallend te blijven. Hij woont ergens op kamers.
Als het verhaal begint wandelt hij langs een plein waar een liefdadigheidsbazar wordt gehouden. Het doet hem denken aan een idyllisch Engels verleden en met een gevoel van heimwee stapt hij er binnen. Via een paar kleine gebeurtenissen die later betekenis blijken te hebben wint hij een flinke taart. Maar zodra hij die heeft, is er iemand die hem wil overnemen, wat hij weigert. Vanaf dat moment raakt hij verwikkeld in een netwerk van sympathisanten met Duitsland en met spionnen, die zich soms bedienen van heel onverwachte strijdmethoden. Het duurt lang voordat hij verbanden gaat zien en nog langer voordat hij zelf actie onderneemt. Al die tijd speelt zijn schuldgevoel hem parten, wat zijn vijanden weten en waarvan zij gebruik maken.
Binnen een caleidoscopisch geheel van personages treedt Anna Hilfe op. Zij is met haar broer uit Oostenrijk gevlucht, en in Londen doen zij liefdadigheidswerk. Zij zal een steeds grotere rol in zijn leven spelen. En hoewel zij op het eind van het verhaal bij elkaar komen, is dat niet op zijn Hollywoods voor een lang en gelukkig leven.

De roman verscheen in 1943 en werd een jaar later verfilmd door niemand minder dan Fritz Lang [Metropolis [1927] M [1931]]. Omdat ik de inhoud van de boeken die ik las niet wil weggeven, vertel ik nooit de plot in het kort na, maar er gebeurt meer dan genoeg om een spannende film te maken. Met het schuldgevoel kon Lang kennelijk niet goed overweg, dat is ook lastiger op het witte doek te brengen, dat element is dan ook verdwenen. Blijft wel dat een topregisseur uit die tijd deze roman koos. Tot in onze tijd wordt The Ministry of Fear in Engeland als toneelstuk opgevoerd.

Dat is wel het grote voordeel van antiquariaten en boekenkramen op de markt, je komt er voor een paar euro werk tegen van auteurs die erg de moeite waard zijn. De Stille Amerikaan is onlangs nog wel door een krant heruitgegeven; daarmee werd Graham Greene opnieuw naar voren gehaald. Maar voor een nu vergeten juweel moet je het geluk hebben er tegenaan te lopen. Of je moet het geluk helpen, op internet is het nog makkelijk te vinden. Bij het scannen van de omslag zag ik ineens dat het taartplateau ook anders gezien kan worden, wat het ontwerp van Tessa Fagel nog een stuk leuker maakt.

Harry Mulisch, De versierde mens

2 jun

Harry Mulisch - De versierde mens 291x183Onder deze titel verschenen in 1957 zeven verhalen. Mijn exemplaar stamt uit 1982. Magisch-mythisch wordt de stijl wel genoemd, abstract-realisme zei Mulisch zelf ooit. Hoe we het noemen doet niet heel veel ter zake. Uit beide benamingen blijkt wel dat het niet gaat om verhalen waarin een werkelijke of verzonnen gebeurtenis wordt verteld, punt, uit. Dat is niet de aanpak van Mulisch in zijn gehele werk en zeker niet in deze verhalen die hij tussen 1953 en 1955 schreef. Bij sommige verhalen kwam de gedachte op: hoe zat het met de tijd, halverwege de vijftiger jaren, waren toen psychedelische stoffen al in omloop? Volgens Van Dale kwam het woord na 1950 in zwang. Dat wil niet zeggen dat iedereen die psychedelische muziek, schilderijen of teksten maakte, zelf geestverruimende middelen nam. Wel dat het werk binnen de tijdgeest paste. Laat ik eindigen met de omtrekkende bewegingen en op de verhalen ingaan.

Het verhaal Keuring gaat over Sander Broodman die de keuring voor militaire dienst negeert en wordt opgehaald door militairen in bloederige uniformen. Wat volgt is een aaneenschakeling van bizarre gebeurtenissen vol vuil en geweld. Uiteindelijk wordt hij buiten gezet, het lijkt erop met een S-vijfje al wordt dat niet gezegd. S5 was de term voor iedereen die geestelijk niet helemaal stabiel was. Homofilie viel daar gemakshalve ook onder.
De terugkomst is rustiger van toon. Ook de dood is minder gruwelijk. De vader van de hoofdpersoon die elk voorjaar weg trok om over de eilanden te zwerven, overlijdt in een bootje aan de oever van een weiland in Kortenisse, een glimlach om de mond. “Wakker geworden aan de verkeerde kant van zijn dromen. Wie dat overkomt is dood. De dromen laten hem niet meer door…” Veel later gaat de hoofdpersoon op zoek naar getuigen van zijn vaders leven en komt uiteindelijk ook niet meer terug van de eilanden.
De sprong der paarden en de zoete zee is een verhaal dat ooit los is uitgegeven. Hier een dertienjarige jongen die verliefd raakt op een onbereikbaar meisje. Hij overweegt zelfmoord, denkt dan aan moord, het meisje komt door een ongeluk om het leven, wat hem een groot schuldgevoel oplevert, ten slotte verliest hij zijn verstand. Zijn verhaal, opgeschreven in zijn strafwerkschrift, wordt gevonden, en tweemaal doorverteld in vormen die niet meer lijken op het origineel. Het wordt een mythe over Schokland en de Zuiderzee. Ook hier speelt de dood een grote rol, en zijn het de herhalingen die het verhaal uittillen boven het anekdotische van het dagelijks leven.
Quauhquauhtinchan in den vreemde gaat over een jongen wiens moeder bij de geboorte sterft, die wordt meegenomen door een kinderloze man en in een Mexicaans-indiaans gezin opgroeit. Tot hij tot buitengewone proporties groeit. Staan kan hij allang niet meer, zijn groei verplettert hele steden, bossen en bergen. Dit gaat 62 bladzijden door en ik was blij aan het volgende verhaal te beginnen: Wat gebeurde er met sergeant Massuro? Dit speelt in Nieuw Guinea. Een groep soldaten moet de orde daar handhaven. Van de bevolking en de omgeving hebben ze geen idee. Als ze ergens nieuwe, ver weg gelegen dorpjes vinden, geven ze het namen als Verneukschoten. Een soldaat neemt een inlands meisje. “Heb je je hand voor haar mond gehouden?” Nee, zegt de soldaat, maar als hij zijn hand opendoet staan de tanden erin. Massuro wordt ziek en wordt steeds zwaarder. Schuldgevoelens uit eerdere, niet beschreven perioden, verstenen hem. Als hij na zijn dood open wordt gezaagd, blijkt hij geheel uit graniet te bestaan.
De versierde mens is het volgende verhaal. Het blijkt aan te duiden dat de mens zich via de techniek voorziet van allerlei extensies, daarmee siert hij zich, maar terwijl zijn uiterlijke verschijning indrukwekkender wordt, krimpt zijn innerlijk. Ten slotte een apocalypsachtig verhaal, Een stad in de zon, waarin een man zijn weg vindt tussen door natuurkrachten verwoest landschap. Hij heeft een stervend paard en een vleugel (piano) bij zich.

Het ene verhaal zal de lezer meer aanspreken dan het andere. Er zijn ook twee manieren om het te lezen: als teksten met een diepe betekenis waarvoor je als lezer de moeite neemt ze te lezen en herlezen omdat je ze wilt doorgronden, of je houdt ermee op, vindt het te gemaniëreerd, en je gelooft het verder wel. Ik vond het interessant te zien hoe je de grenzen van het schrijven kunt verleggen. Binnen de bundel had ik wel duidelijk mijn voorkeuren. Ik vroeg me dan ook af of de schrijver zelf na een halve eeuw nog achter al zijn verhalen zou staan. Maar ja, dat heeft ook te maken met het karakter van de auteur.

Thomas Hürlimann, Veertig rozen

16 mei

Thomas Hürlimann - Veertig rozen 291`x185Het eerste boek dat ik van Hürlimann las, Het tuinhuis, maakte dat ik de Zwitserse schrijver toevoegde aan mijn persoonlijke toplijstje. In dit blog schreef ik eerder over Juffrouw Stark en over De grote kater (Der große Kater). Net als in die laatste roman speelt de politiek in Veertig rozen een flinke rol; het feit dat de schrijver de zoon is van een politicus zal ongetwijfeld meespelen.

De roman gaat echter over veel meer. Hoofdpersoon is Marie Katz, kleindochter van een Joodse immigrant die als couturier een succesvol atelier begon. In de buurt van een van de Zwitserse meren bouwde hij een huis, omgeven door een park, met in de kelder een atelier vol snorrende naaimachines. Zijn creaties waren vooral in Midden- en Oost-Europa erg gewild. Onder het bewind van haar vader begint het minder te gaan, het modebeeld verandert, Italië en Duitsland raken in de ban van het fascisme, maar niet alleen die twee landen. Intussen is de familie half geassimileerd, Maries moeder is katholiek en haar oudere broer priester en zo mogelijk wat roomser dan de paus. Dit leren we uit de flashbacks. Het verhaal begint op de zoveelste veertigste verjaardag van Marie. Zoals altijd worden die ochtend veertig rozen bezorgd, zoals altijd zal ze naar de hoofdstad rijden waar haar echtgenoot een belangrijke politieke functie heeft. En zoals steeds zal ze eerst nog snel langs Percy, de kapper en vriend gaan. Het is een flinke tocht, er zijn files en opstoppingen en in die tijd heeft ze alle ruimte om haar leven te overdenken.
In essentie is het een leven waarin zij nooit zichzelf was. Als Marie Katz verwezenlijkt ze de droom van haar vader. Hij heeft haar pianoles gegeven en ze wordt aangenomen op het conservatorium. Daar komt ze in contact met vrijgevochten kunstzinnige geesten, in de trein naar huis schakelt ze naar de ingetogen dochter die haar vader verwacht te zien. Later komt ze Max Meier tegen die haar vooral waardeert als de First Lady aan zijn zijde die hem vooruit zal helpen in zijn politieke ambities. Ze speelt de rol en ze weet dat ze hem speelt. Steeds meer komt ze los van haar eigen persoonlijkheid om te voldoen aan het beeld dat politiek opportuun is.
De lezer krijgt inkijkjes in de Zwitserse houding tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Antisemitisme kwam daar ook voor, veel Zwitsers verwachtten, of sloten in ieder geval niet uit, dat er een Anschluß met Duitsland zou komen. Vader Katz werd dringend aangeraden zijn naam in neonletters van het dak te halen. De politici in het dorp aan het meer, die daarnaast middenstanders zijn, groeten niet meer, de slager levert alleen nog het taaiste vlees, het beeld dat Hürlimann van Zwitserland schetst,  is een stuk minder fraai dan de meeste inwoners graag etaleren.

Er zijn meer schrijvers die correct en goed leesbare zinnen op papier zetten, maar er is ook proza als muziek, proza dat je met extra plezier leest. Er zijn boeken vol tips voor een goed geschreven verhaal, hoe je dialogen schrijft, personages tot leven wekt, hoe je met de tijd omgaat. Dat kan je allemaal doen en met een beetje goeie wil schrijf je dan een behoorlijk boek, een roman die aan de eisen voldoet. En dan is er de schrijver die dit allemaal weet, misschien wel intuïtief toepast, maar op zoek gaat naar meer, naar nieuwere vormen. Er is wel een lijst te maken van vernieuwende en verrassende schrijvers, ik ga mezelf niet onderbreken om dát nu eerst te doen, maar Thomas Hürlimann hoort op die lijst te staan. In deze roman gaat hij ook met de tijd op een oorspronkelijke manier om. Tegen het eind van het verhaal is Marie bij het hotel aangekomen. We lezen hoe er als elk jaar een diner is, waarbij de eigenaar, de eigenaresse en de staf naar hun tafel komen voor felicitaties, tegelijkertijd zit Marie op het toilet en in haar gedachten herhaalt de scène zich, de eeuwige wederkeer, ze is moe. “Marie begon met het herstel van haar façade en was blij dat ze haar vale huid onder een dikke laag schmink kon verbergen. Max verwácht het, zei ze. Hij heeft het nódig. (…) Hoe werkt een opgebruikte man zijn rimpels weg? Juist, met een jonge vrouw! Daarom die veertig rozen…” Wat zich zo dadelijk zal afspelen hebben we al gezien, maar nu pas gaat Marie met de lift naar de vierde verdieping. “Het was als altijd, als in al de jaren ervoor: Max, al omgekleed, zijn rechterhand in zijn broekzak, stond als een schaduw voor het langzaam dovende avondlicht. Marie, zei hij, ben je daar eindelijk!”
Er zijn op dat punt nog tien bladzijden te gaan, met een laatste dramatische ontwikkeling.

Kees van Beijnum, De ordening

2 mei

Kees van Beijnum - De ordening-183x292Het boek dat na De ordening verscheen, De oesters van Nam Kee, had ik jaren geleden met plezier gelezen. Ik begon dus opgewekt aan deze nieuwe roman, voor mij wel te verstaan want de eerste druk in verscheen 1998, mijn vijfde druk in 2003. Teleurgesteld ben ik zeker niet, al waren er aspecten waarover ik minder enthousiast was.

Het gegeven is interessant, de hoofdpersoon, Stella Verstarre, eerste helft twintig, leeft na haar studie filosofie van een uitkering in het hart van Amsterdam. Ze verdient wat bij doordat ze een deel van haar woonruimte verhuurt aan een Surinamer die er wiet teelt. Weinig is in deze roman wat het op het eerste gezicht lijkt of wat je als cliché in het hoofd zou kunnen hebben. De Suri drijft een antiquariaat en is iemand met wie Stella behoorlijke gesprek kan voeren.
De hoofdpersoon, Stel voor haar vrienden, krijgt steeds meer diepte, al zal ze tot op het eind ook raadselachtige eigenschappen houden. Ze leeft op afstand van zichzelf en haar omgeving. Ze is naïef, tegelijkertijd zoekt ze, in mijn ogen althans, naar merkwaardige ervaringen. Zo heeft ze de gewoonte ontwikkeld om bij verzendhuizen bestellingen te plaatsen om die een dag later volgens de voorwaarden kosteloos te retourneren. In een volks café laat ze zich verleiden door morsige figuren die ze in haar hart verafschuwt. Met uitgeschakeld gevoel. Dat lijkt haar houding, afstand houden van wat dichter op de huid kan komen.
Door haar activistische tweelingbroer wordt ze gewezen op een advertentie waarin een weduwe iemand vraagt om haar archief te ordenen. De weduwe bewoont in het Gooi Villa Landlust, ooit een aantrekkelijk buiten, nu vergane glorie. Ze vraagt Stella bij haar eerste bezoek of ze weet wie ze is. Ze noemt haar naam, De Heus Verolmen, de zwarte weduwe. De gelijkenis met Rost van Tonningen is onontkoombaar. Niet een op een, een aantal dingen kloppen niet met de feitelijke geschiedenis, andere wel. De man uit de roman én Rost van Tonningen kwamen in de Scheveningse gevangenis door een val in het trappenhuis om het leven en de ophef (1986) over het feit dat de weduwe een staatspensioen kreeg, komt ook in de roman terug.
Het past wel bij Stella om zich niet te druk te maken over wat ‘men’ ervan denkt dat ze voor de zwarte weduwe werkt. Zij ziet mevrouw De Heus Verolmen als de ‘broze, schimmige vrouw met het maanbleke gezicht’. De bedoeling van de ordening is het archief zo toegankelijk te maken dat de weduwe eruit kan putten om haar memoires te schrijven. Allengs ontstaat tussen de oude en de jonge vrouw een soort vriendschap en begrip. Doordat Stella alles wat het archief bevat aan brieven, kranten, foto’s doorneemt krijgt ze haar eigen versie van de nog niet geschreven autobiografie te lezen. Er ontstaat een gewoonte om dagelijkse samen een wandeling te maken met de hond. De vrouw die als het absolute kwaad in de media wordt geschilderd, blijkt (uiteraard, zou ik zeggen) iemand die een jeugd had en dromen, hoewel de auteur het feit dat ze fout was en nog steeds is, bepaald niet onder het tapijt veegt. Ik vond dit deel het meest interessant. Als het hierbij gebleven was, zou de roman inhoudelijk nogal dun zijn, maar met de wending die het verhaal neemt was ik niet erg gelukkig. Ik had moeite het vervolg te geloven.
Het is fictie! zou je kunnen tegenwerpen. Dat is ook zo, van fictie weet ik dat het niet waar is, maar binnen het kader van het verhaal, gegeven de omstandigheden en de karakters van de personages, wil ik kunnen geloven dat ook het niet zo waarschijnlijke waar had kunnen zijn. Binnen die ruim gestelde marges overtuigt de schrijver mij niet. Er arriveert een min of meer leeftijdgenoot van Stella, Andreas, oorspronkelijk uit Frankfurt. Hij is (?) de kleinzoon van een Duitser die de weduwe op haar vlucht aan het eind van de oorlog heeft leren kennen, een geliefde die ze decennia lang eenmaal per jaar zag in Zwitserland. Andreas blijkt niet te zijn wat hij wil lijken. Hij blijft een paar maanden logeren, in die tijd knapt hij de hele villa op, en restaureert hij een oude Bentley tot die er weer uitziet als in de folder. Met Stella ontstaat een relatie waarin ze elkaar dagelijks verhalen vertellen. Op zijn instigatie moeten het verhalen blijven, verteld in de hij/zij-vorm. Echt tot leven komt Andreas niet en de gevoelens van Stella… tja. Het verhaal wordt meer en meer een thriller die maar moeilijk te geloven valt.

Ik noemde al de activistische broer. Hij valt zijn tweelingzus er op aan dat ze voor die foute weduwe werkt. Zelf is hij op een andere manier fout. Al jarenlang vindt hij dat het doel, bv. Het dierenwelzijn, alle middelen heiligt, waardoor hij ten slotte in de ogen van de maatschappij gewoon crimineel wordt. Terug naar de ordening. Na maanden is de klus geklaard, alles zit chronologisch in dozen opgeborgen. Als Stella de resultaten laat zien, begint de weduwe te lezen en ontdekt ze dat de documenten een andere werkelijkheid laten zien, dan het levensverhaal dat zich in haar hoofd heeft gevormd. Ze zou het beeld in haar hoofd kunnen aanpassen, maar dat – en dat vind ik heel geloofwaardig – lukt niet meer. Er is veel meer over deze roman te zeggen, er zijn interessante wendingen, maar ik wil niemands leesplezier bederven. Onder de eindstreep blijft een boeiende en fascinerende leeservaring over.

H.J.A. Hofland, Cicero Consultants

27 apr

HJA Hofland - Cicero Consultants-181x292Voor de beschamende prijs van tien cent kwam ik gisteren, Koningsdag, op de vrijmarkt in het bezit van deze roman. Op de derde pagina heette het onder de titel: Een scenario. Op pagina vijf begint het verhaal met de introductie van de hoofdpersoon.

‘Jacob Daader was niet helemaal goed bij zijn hoofd, niet krankzinnig of achterlijk, of op een of andere manier psychotisch. Hij was niet goed bij zijn hoofd op zo’n manier dat degenen die met hem te maken kregen daar pas later achter kwamen. Zoals het meer mensen overkomt: soms kreeg hij een idee. Het verschil was dat hij zich liet meeslepen. Het idee was sterker dan hij.’
Het is duidelijk dat dit niet het begin is van een doodernstig verhaal. Op het achterplat was al aangekondigd dat Jacob met zijn vriend Roen Trapstra Cicero Consultants opricht ‘voor al uw toespraken’ en dat vanaf dat moment een wervelstorm van gebeurtenissen begint. Dat is een juiste samenvatting.
De twee kameraden, Jacob voorop, stellen dat iedereen rijk en beroemd wil worden, dat je dat kan bereiken door een goed redenaar te zijn, maar dat daar geen recept voor is. In plaats van een boek te schrijven, starten ze Cicero Consultants, een bureau dat zich specialiseert in kwaliteitslaster, afbraakhypes; het verbale doodschoppen. Beroemd gaat immers gepaard met gevreesd, hoe gevreesder hoe beroemder. Alles net binnen de grenzen van de wet.
Na een advertentie meldt zich de eerste klant, een rijzige weduwe met een zwarte hoed, een zwarte voile en jurk… ‘Meer rouw was niet mogelijk, meer haute couture evenmin.’ Ze wuift de condoleances weg, ze, Daria, is blij dat hij dood is en ze wil in haar toespraak tijdens de crematieplechtigheid graag kwijt dat het leven met deze man bepaald geen pretje was. Of bureau Cicero een passende speech wil maken.
Het schrijven is bij de auteur in goede handen, zijn uitstekend lopende zinnen lezen heel plezierig weg. Natuurlijk is het over the top, de reacties van de nabestaanden gaan over in een handgemeen en het is dat de consultants met haar weten te vluchten, anders was de weduwe nog gelyncht.

Als lezer vergelijk je steeds met gebeurtenissen die je kent. Afgezien van Daria’s openhartigheid, zoals ik nooit meemaakte, zie ik binnen mijn familie- en vriendenkring geen vechtpartijen ontstaan in de aula van een crematorium. Ik accepteerde wel een van de ongeschreven contracten tussen auteur en lezer: dit is een satirisch en hilarisch verhaal, ik kan nog van alles verwachten. (Begint de schrijver met Er was eens… dan accepteer je het sprookjescontract, je kijkt er niet van op als kikkers in prinsen kunnen veranderen en heksen kindertjes vetmesten.)
De overleden man was bezig met een groot project voor de herontwikkeling van een stuk verlaten havengebied. Zeer binnenkort zal de weduwe dit plan aan de pers presenteren. Er is echter een tegenpartij, een bekende bouwer die een alternatief en luxueus plan heeft, niet voor het volk maar voor de rijken die er veilig en bewaakt kunnen wonen. De tactiek van Jacob, om ervoor te zorgen dat Daria haar plan kan doorzetten, bestaat eruit de tegenpartij onderuit te halen. Hij moet daarom te weten komen waar en wanneer de concurrentie en zijn medestanders dingen deden die het daglicht niet verdragen. Jacob gaat aan de slag. Hij verzamelt louche informatie, een ambtenaar die gratis het bordeel van een zakenman bezoekt, een official die verliefd is op iemand uit het andere kamp, waardoor neutrale beslissingen onmogelijk worden. Bij het verzamelen van de bewijzen heiligt het doel – de nobele waarheid – de middelen. Jacob is de motor van Cicero, Roen de loyale vriend en in dezelfde beeldspraak: de bijwagen.
In een razend tempo ontvouwt de schrijver een tafereel met gladde zakenlieden en buigzame politici. Er is een grote onderlinge verwevenheid waarbij ieder uit is op eigen gewin. Hoewel het verhaal grotesk is, blijft de indruk achter dat je dit meer hebt gezien. Omkoping en corruptie, nieuw is het niet, het is niet het boek dat onthullingen doet, nieuwe inzichten verschaft; het levert wel een vrolijk verhaal dat je in één klap uitleest. Het herinnerde me aan jongensboeken en aan kwajongensstreken. Dat is trouwens het leuke van de literatuur, dat elk, of bijna elk boek tussen de voor- en achterkant een andere wereld tevoorschijn tovert, andere personages en een andere stijl. Zware kost en niet zo zware kost en soms, zoals nu, een vederlicht tussendoortje dat je toch even aan het denken zet over het leven in ons lage land.

Tommy Wieringa, Een mooie jonge vrouw

21 apr

Tommy Wieringa - Een mooie jonge vrouw-292x176Een intrigerende titel, maar de lading dekt hij maar ten dele. Goed, de hoofdpersoon, Edward, begint een relatie met een aanzienlijk jongere vrouw, na zes jaar en de nodige moeite krijgen zij zelfs een kind, maar in hoofdzaak gaat het verhaal over Edward zelf. Meer diepte zou de geschiedenis krijgen als de tekst op het achterplat werd bewaarheid: “In dit liefdesverhaal stelt Tommy Wieringa de vraag wat pijn is en of je kunt doordringen tot de pijn van een ander als je deze niet eerst zelf hebt gevoeld.” Zeker, de woorden komen voor in de tekst, maar het blijft zijdelings. Ook bij “liefdesverhaal” zet ik een vraagteken.

De hoofdpersoon, viroloog en bekend zoals de bekende virologen die bij griep- of andere epidemiedreigingen op de beeldbuis verschijnen, heeft zich een naam opgebouwd in de wetenschap. Als hij even in de veertig is, kijkt hij rond zich heen en constateert dat hij een sociaal, laat staan familieleven, is vergeten. Het feit dat hij een prachtige jonge meid ziet fietsen – achter in de twintig, opvallend kontje – zet een mechaniekje in beweging. Zoals gezegd, dat aspect van het leven was hij vergeten; tijd voor een inhaalslag. Dat de twee zich in een totaal andere levensfase bevinden komt bij Edward niet op. De vader van het meisje wijst hem daar wel op, en in flink gechargeerde termen. De vraag of zij zich het leeftijdsverschil realiseert, en de consequenties, wordt door Edward niet gesteld.
Vragen stellen doet zij trouwens meer dan hij. Hoe het zit met de dieren die voor onderzoek worden gebruikt, wie de conferenties in aangename mondaine plaatsen betaalt. Tegenover haar idealisme stelt hij een praktisch, op geld en status berustend realisme. Natuurlijk werkt het zo in de wetenschap.
Edward begint al tegen de vijftig te lopen als hij vader wordt. Erg enthousiast toont hij zich niet. Enigszins merkwaardig, want volgens de auteur zou hij door middel van zijn jonge vrouw de tijd, de ouderdom en zijn verval kunnen overwinnen. In dat geval zou hij zijn vaderschap juist moeten omarmen, zou ik denken. Er kan dan nog van alles misgaan, maar laat ik me houden aan het verhaal zoals het geschreven is. Het kind blijkt een huilbaby en de moeder merkt, of denkt te merken dat het kind speciaal huilt als hij in huis is. Omwille van het kind kan hij maar beter vertrekken. Dat doet hij, en als lezer moeten we nu geloven dat de man met status en geld op een matrasje op kantoor gaat slapen en zich ’s morgens vroeg op de toiletten scheert en een beetje opfrist.
Daar tussendoor – het begon toen zijn vrouw in verwachting was – loopt een seksuele relatie met een laborante van nog eens een jaar of acht jonger. De mooie jonge vrouw uit de titel is intussen geheel buiten beeld geraakt. Wat mij betreft zou De ondergang van Edward Landauer een titel zijn die de lading beter dekt. Want dat het niet goed voor hem afloopt ligt voor de hand; dat het op een nogal groteske manier verkeerd afloopt, maakt het tamelijk zwakke verhaal er niet beter op.

Aan de positieve kant staat wel dat een aantal maatschappelijke onderwerpen aan de orde komt, ik noemde al de relatie tussen wetenschap en de industrie, ofwel het grote geld. Of dieren pijn kunnen voelen komt in een gesprek naar voren, hoewel de lezer daar niet veel wijzer wordt dan hij of zij waarschijnlijk al was. De tegenstellingen tussen de man die dierproeven doet en de vrouw die vegetarisch wenst te leven zijn interessant maar worden nauwelijks uitgewerkt. Dat het huwelijk niet erg lukt is niet verrassend, bij van geen van de twee zie je iets van een poging om de ander te begrijpen. Jammer voor de personages én voor de lezer. Twee mensen die een huwelijk een kans trachten te geven en mislukken, lijkt mij interessanter dan wat ik nu heb gelezen.
Je mag een gegeven paard niet in de bek kijken. Laat ik het maar bij dat oubollige spreekwoord houden.

Franca Treur, De woongroep

17 apr

Franca Treur - De woongroep_187x292De hoofdpersoon, Elenoor, is bijna dertig. De studie zit erop, ze heeft een baan als content manager, dat wil zeggen ze houdt de inhoud van een paar websites bij. Ze heeft een vriend die al jaren bezig is om een film te maken, mede mogelijk gemaakt door een rijke vader.

Het is het moment dat ze omkijkt: waar gaat mijn leven eigenlijk over? De religieuze vraag zou geweest zijn: waartoe ben ik op aarde? Maar dit is niet Treurs vorige roman waarin de dominee een hele gemeenschap antwoord geeft op deze vraag. Elenoor denkt zingeving te vinden in een activistische woongroep. Die mensen staan tenminste ergens voor denkt ze. Even waan je je in de zeventiger jaren, heel even maar, want de gadgets waarvan Elenoor houdt zijn anno 2010. En waar de twintigers van toen geen enkele moeite hadden om de barricaden op te gaan – er was genoeg recht te zetten in de wereld – moeten de huidige woongroepers een vergadering beleggen om aan een onderwerp te komen. Niet iedereen stelt de vraag, maar wie de vraag naar zingeving wel stelt, krijgt geen eenduidig antwoord. Dat is wat Franca Treur vooral laat zien.
De wereld die zij oproept vind ik geloofwaardig en dat komt omdat zij in taal de bijna dertigers van nu uitstekend weet neer te zetten. Het onderwerp is zwaar genoeg, maar Treurs zinnen geven lucht, laten je regelmatig even glimlachen. Bij mensen die op zoek zijn denk ik eerder aan tasten, aan onzekerheid, dan aan grote gebaren, sterk neergezette avonturen. Wat dat aangaat past de stijl bij de inhoud.
Een tweede verhaallijn gaat over de zorg, de vercommercialisering ervan aan de ene kant, de handen aan het bed aan de andere kant. Medebewoner Alexander doet dat laatste. Elenoor ziet er een nobele, fraaie zingeving in. Maar ook dit is niet zo romantisch positief als het lijkt.
De stijl van schrijven leek me het best te illustreren door een deel van pagina 81-82 te scannen: op de warmste dag van het jaar helpt haar vriend Erik Elenoor met haar verhuizing.

De hele dag heb ik met Erik spullen lopen sjouwen. Wat een troep zeg, niet te geloven. Allemaal dingen waar ik eerder nog heel enthousiast over was. Ik heb alleen al een verhuisdoos vol opladers en afstandsbedieningen.
Ik denk dat ze me in mijn nieuwe huis voor een materialist zullen verslijten, bezit en commune gaan moeilijk samen, zeggen ze toch. En wat is daar nog van wie? Ik heb een paar apparaten van een heel goed merk. Voor de Vibropower-trilplaat heb ik bijvoorbeeld geen doos kunnen vinden, daar moesten we dus zo mee de gang over. Ik was vooruitgelopen, om te kijken of er niemand was.
Kust veilig,’ zei ik tegen een oververhitte Erik, die ermee in het trappenhuis stond te wachten. Iemand die al chagrijnig is moet je eigenlijk niet laten wachten. Nietzsche heeft al gezegd: iemand lang laten wachten is de beste manier om hem op gemene gedachten te brengen. (Ik heb dat niet zelf gelezen, ik citeer iemand die zelf de godganse dag Nietzsche citeert.)
Mijn kamers zijn helemaal aan het eind van de gang, tegenover die van Alexander. Ik heb uitzicht op een binnentuin, Annerie ook. De jongens kijken uit over de kade. Zij laten zich vandaag niet zien, maar Anneries deur staat de hele dag open. Vanuit mijn ooghoeken zie ik hoe Erik daar zo nu en dan een steelse blik naar binnen werpt.
De spullen staan op hoopjes en torentjes in mijn woonkamer, een stilleven alsof de ondergang van de wereld al geweest is. We zitten doodop op mijn bank, en ineens krijgen we hevige ruzie om een rotopmerking van Erik die ik niet ga herhalen, en ook over iets lulligs dat ik niet terug had moeten zeggen. De conclusie is dat Erik thuis gaat slapen.
Thuis?’
Ja.’
Sinds wanneer is jouw kamer thuis en de mijne niet?’
Ik dacht niet dat hij echt zou gaan. Ik dacht dat ik de situatie onder controle had, dat het in mijn handen lag om de juiste zin te zeggen met de juiste intonatie, en dat, zodra ik dat deed, alles weer in orde zou zijn.
Maar de situatie is dat hij tegen de dozen aan loopt te trappen, en dat hij naar zijn jas zoekt.
Ik zeg: ‘Waar heb je nu een jas voor nodig?’ Maar daar zitten z’n sleutels in. Hij vindt hem verdomde snel tussen de rotzooi, en voor ik het weet rent hij ermee de trappen af, zonder afscheidszoen of wat.
Ik hoor hem bonken op de treden. Het is een gehorig huis.

(Als ik dit fragment een paar keer herlees, zie ik wel zinnen die net iets beter zouden kunnen. Bij het lezen, niet in de modus docent Creatief schrijven, was het niet storend, maar toch, de recensenten die er een opmerking over maakten hebben een puntje.)

 

Pascal Mercier, Nachttrein naar Lissabon

26 mrt

Pascal Mercier - Nachttrein naar Lissabon-185x301Nachttrein naar Lissabon begint beter dan de omschrijving op het achterplat: ‘Opgeschrikt door het plotselinge besef dat de tijd hem door de vingers glipt, laat hij (Raimund Gregorius) zijn geordende leven achter zich en vertrekt nog diezelfde nacht met de trein naar Lissabon. De aanleiding voor deze drastische stap is een boek dat hij bij toeval in handen heeft gekregen.’

In de werkelijkheid van de roman verandert het leven van de leraar oude talen – hij is al decennia lang een vast baken op het gymnasium in Bern – door een korte ontmoeting met een Portugese vrouw die van de Kirchenfeldbrücke lijkt te willen springen. Ze is in de war, vraagt hem of ze met hem mee mag en belandt zo in zijn les. Tien minuten voor tijd vertrekt ze. De gebeurtenis zet zijn leven op zijn kop. Hij verlaat de school, zijn boeken blijven op het katheder liggen. Natuurlijk is ze verdwenen. Op dat moment is hem een zware jas van verplichtingen van de schouders gegleden. Hij is vrij en beseft dat zijn leven niet eeuwig volgens het geijkte patroon hoeft door te gaan. Als hij in een Spaanse boekhandel en antiquariaat rondkijkt, pakt hij een boek op waarin een studente heeft staan lezen en dat ze met een liefdevol gebaar weer terug legde. Het blijkt een Portugees boek, Um ourives das palavras, Een goudsmid van woorden, van Amadeu Inácio de Almeida Prado. De boekhandelaar leest hem, al vertalend, een paar alinea’s voor. Uiteindelijk doet hij Gregorius het boek cadeau. Deze zoekt en vindt later een Portugese grammatica en begint thuis een paar stukken te vertalen. Aan het eind van de nacht pakt hij een koffer in en de volgende ochtend om halfacht vertrekt hij naar Lissabon.

Gregorius’ is geraakt en wil meer over de schrijver-arts te weten te komen. Het bijzondere aan Prado is dat hij een leven lang weldoordachte filosofische notities over zijn leven en zijn handelen heeft gemaakt. Een jaar na de Anjerrevolutie zijn de verzamelde notities gepubliceerd door een onbekende uitgever. Het behelst de jaren ervoor. Het is de tijd van de fascistische dictatuur, de geheime dienst en de martelingen. Aanvankelijk heeft Prado er niet veel mee te maken. Hij is een geliefd arts, zeer in mensen geïnteresseerd, tot een vrijwel stervende topman van de geheime politie bij hem naar binnen wordt gebracht. Hij moet een keuze maken tussen het belang van de vervolgden en zijn eed als arts. Deze keuze bepaalt voor een goed deel Prado’s verdere leven.
Terug naar de reis van Gregorius. Hij leest en vertaalt regelmatig stukken uit het boek van Prado. AS SOMBRAS DA ALMA. DE SCHADUWEN VAN DE ZIEL. Zo beginnen de stukken, een Portugese titel en een vertaling. Deze notitie begint met: De verhalen die anderen over je vertellen en de verhalen die je over jezelf vertelt: welke komen in de buurt van de waarheid?
Het leven van Prado is interessant omdat hij het leeft én erover nadenkt. Er zijn ingrijpende gebeurtenissen en het speelt in een tijd waarin keuzen belangrijk waren. En dan is er zijn gegoede afkomst, die een band met een ware vriendin uit een familie van boeren in de weg staat. Naar aanleiding van zijn verhouding tot zijn vader en die tot zijn moeder vraagt hij zich af hoeveel je wordt beïnvloed, zelfs door nooit uitgesproken verwachtingen?
Gregorius bezoekt belangrijke mensen uit Prado’s leven. Er is een zus die hem adoreerde, een inmiddels niet meer meisje dat hem nog kende uit de tijd van het lyceum, een vriend en een vriendschap met een probleem. Prado leefde, zoals de meesten, binnen een wolk van andere mensen. Verschillende van hen hebben nog brieven en notities die niet in het boek staan en die juist intieme zaken beschrijven.

In de roman volgen we zoals gezegd Gregorius op zijn tocht naar Lissabon, later ook Coimbra, waar Prado studeerde, Salamanca en Finisterre, de lezer is getuige van de verschillende ontmoetingen en de overpeinzingen die Gregorius vertaalt. Dit past bij hem, Gregorius is taal, en voor een latinist is het Portugees al snel te volgen. Regelmatig komt de eindigheid van het leven aan de orde. Prado had een aneurysma – een verwijd bloedvat dat kan scheuren – en schreef erover: Elk moment kan het laatste zijn. Zonder dat ik het voel aankomen… Hij roept de vraag op of je leven af, ‘heel’, kan zijn op het moment dat het eindigt. Hij sterft uiteindelijk op vrij jonge leeftijd. Gregorius krijgt intussen gedurende zijn reis meer en meer last van ernstige duizelingen en flauwtes en begint zich zorgen te maken over zijn eigen leven.

Alles staat en valt met het schrijven. Ook uit de ingrediënten die ik opsomde kan je een saai boek maken. Daar is hier geen sprake van. Vanaf de allereerste zin: De dag waarna in het leven van Raimund Gregorius niets meer zou zijn als ervoor, begon als talloze andere dagen bleef ik geboeid lezen. Aan de ene kant door het verhaal en aan de andere kant door de teksten van Prado die regelmatig cursief gedrukt deel uitmaken van de tekst. Zij vormen een filosofisch en dieper gravend geheel. Eén ding vond ik minder prettig. Er zijn nogal wat personages (daar kan ik wel tegen) maar als Prado een tijdlang Amadeu heet en dan weer opduikt als Prado, of Jorge O’Kelly dan eens bij zijn voornaam, dan weer bij zijn achternaam wordt genoemd, dan vind ik dat de helderheid niet ten goede komen. Maar goed, het is niet meer dan een voetnoot bij alle goede ervaringen die ik aan deze roman overhield.

Rosita Steenbeek, Schimmenrijk

20 feb

Rosita Steenbeek - SchimmenrijkEen schrijfster die op een roze fiets naar Griekenland gaat, waarover ik allerlei al dan niet ware verhalen hoor over haar verhouding met Moravia en anderen… Ik ben misschien ouderwets in die dingen, maar hoge hakken en een sterk extravert gedrag, zijn niet de dingen die mij van tevoren al innemen voor een schrijfster. Maar goed, ik pakte in een antiquariaat ‘Schimmenrijk’ op en begon de flaptekst te lezen. Wervende tekst natuurlijk, het is de bedoeling dat je na het lezen van de blurb het boek meeneemt naar de kassa. Toch was dat wat gebeurde. 

Het verhaal gaat over een Nederlandse vrouw die in Italië woont en haar vriend onder raadselachtige omstandigheden verliest. Ze besluit zijn geboortegrond te bezoeken om zo de gebeurtenissen en haar verdriet onder ogen te zien. De vriend, Lorenzo is archeoloog en gespecialiseerd in de Etruskische cultuur. In het gebied waar hij is opgegroeid zijn grafsteden, necropolissen. Hij is een tijdje meegegaan met een vriend die illegale opgravingen doet net als andere tombaroli, maar uiteindelijk vindt hij dat die vondsten in de musea thuishoren en niet via vreemde omwegen terecht moeten komen in de huizen van rijke particulieren. Op haar tocht komt de hoofdpersoon Lisa de vriend van Lorenzo tegen, Antero en ze maakt kennis met Angela, een vriendin, niet de vriendin. Beiden zijn actief met opgravingen voor eigen gewin, al wordt het al lezend duidelijk dat het om kleinigheden gaat, de grote vondsten zijn al lang geleden gedaan. Ook blijkt dat de tombaroli een sterke binding hebben met de graven. Lisa wordt meegenomen naar graven waar niets te halen valt, maar waar prachtige muurschilderingen te zien zijn. In de loop van het verhaal raak je als lezer nauw betrokken bij de Etruskische cultuur, dankzij hun graven, en de geheimzinnige wegen door de necropolissen. De mensen uit de streek, die zich eerder Etrusk dan Italiaan voelen, zorgen ervoor dat Lisa meer en meer een band voelt met de omgeving waarin de geschiedenis nog zo duidelijk een rol speelt.
De dood speelt in de roman een hoofdrol. Lorenzo’s dood die door sommigen is weggezet als een zelfmoord, de manier waarop de Etrusken de dood met het dagelijks leven hadden verweven, en de dood in zijn algemeenheid, die je familie en vrienden kan ontnemen. Voor Lisa is het slecht te geloven dat haar vriend die vol plannen zat, zelfmoord gepleegd zou hebben terwijl zij voor een kort verblijf in Nederland was. Hij had haar nog zo enthousiast uitgenodigd om samen de reis te maken die zij nu in haar eentje onderneemt. De gedachte aan zelfmoord roept bij Lisa de vraag op waarmee alle achterblijvers blijven zitten: was ik het niet waard om voor verder te leven? Voorzichtig probeert Lisa bij bekenden van Lorenzo uit te vinden of er iets anders gebeurd kan zijn.
Lisa en Angela kunnen goed met elkaar overweg, ze vinden steun bij elkaar. Als ze op een gegeven moment naar Rome terug moet, gaat Angela mee om zich aan te sluiten bij de fiumaroli die in beschutte stukken van de Tiber aan het werk zijn. Het zijn een soort strandjutters die in het water en de modder zoeken naar scherven, munten, wat klein vaatwerk. Het is niet iets waar je rijk van wordt, eerder een soort verslaving waarbij het vinden van een stuk gekleurd glas waarin de kop van een Romeinse keizer is te herkennen, tot grote vreugde leidt. En een klein bedrag van de tussenhandel, of van de helers zou je kunnen zeggen. Steenbeek brengt de werelden van tombaroli en fiumaroli op een invoelende, warme manier tot leven. En intussen blijft het thema dood in vele vormen meespelen. Hier en daar kwam ik wel een paar zinnen tegen die andere schrijvers net iets beter gecomponeerd zouden hebben, maar meer als een kanttekening levert dat niet op.
Ik heb mijn vooroordeel bijgesteld over de onwaarschijnlijke combinatie van uitbundige vrouwelijkheid, hoge hakken, een knap smoel en een goed geschreven roman. Voor Rosita Steenbeeks ‘Schimmenrijk’ is het gewoon een vooroordeel dat van tafel mag.
Uiteindelijk krijgt Lisa toch meer te horen over de dood van Lorenzo en in het hele proces van rouw en omgang met de dood speelt Lisa’s vriendin Heleen een belangrijke rol. Over haar en de bijbehorende verhaallijn heb ik niets gezegd; ook als je dit blog hebt gelezen, moet de roman je het plezier geven dat je hebt als je goed een boek voor het eerst en onbevangen leest.