Tag Archives: Hella Haasse

Hella Haasse, Huurders en onderhuurders

4 Jun

Hella Haasse-Huurders en onderhuurders-291x181Het blijft een manier waarop je een interessant verhaal kan opbouwen: een huis, zijn bewoners en de onderlinge verhoudingen en eventuele intriges. Ik denk aan Willem Elschot, Villa des Roses en aan het recente Wolfstonen van Herman Franke. Bij Hella Haasse gaat het om een huis zoals ‘omstreeks de (vorige [KS]) eeuwwisseling wel bij het Amsterdamse Vondelpark is gebouwd’. De huurders zijn een man en een vrouw, het echtpaar Dupels; de onderhuurders drie mensen die elk een deel hebben gehuurd. Alle vijf leven ze wat meer of wat minder in een gedroomde wereld. Dupels heeft in zijn jeugd een paar weinig succesrijke boeken geschreven en is via een handvol baantjes op het Ministerie van Culturele Zaken terechtgekomen en heeft het, een jaar of tien later, gebracht tot de staf van Doodvorst, een afdelingshoofd. Hij schrijft diens speeches en langzaam bekruipt hem het gevoel dat hij, Dupels de leiding zou moeten hebben. Hij krijgt ook de indruk, een indruk waaraan hij meer en meer begint te geloven, dat hij door Hogere Krachten wordt gevolgd omdat hem een grootse taak wacht. Als controlist zal hij de wereld hervormen, hij zal naar veel geheime bijeenkomsten moeten, zelf nieuw kader opleiden dat op een gegeven moment om te beginnen het land zal kunnen omvormen. Zijn werk ziet hij als een dekmantel en niet iets dat grote aandacht verdient. Via zijn chef Doodvorst wordt hij van die besognes ontheven en eveneens via hem (een relatie van hem heeft een huis dat hij niet wil verkopen en evenmin wil laten leegstaan) krijgt hij het aanbod de parterre van dat huis tegen een aantrekkelijk lage huur te betrekken. Hij moet zien de leegstaande ruimten onder te verhuren.

De eerste huurster is Lillian Hornkes die vertrouwelijk werk doet voor een vrouwenleeskring. Een chique stichting waarin heel wat geld omgaat, geld dat zij regelmatig een beetje afroomt om in stijl te kunnen leven. De tweede huurder is Joost Walter, leraar, bevlogen van een nieuwe en betere wereld, thuis zeer afwezig, wat tenslotte tot een scheiding leidt. Hij huurt de tuinkamer aanvankelijk om er een huiswerkklas in te kunnen houden, waarin hij zijn revolutionaire ideeën aan de jonge generatie kan doorgeven. Na zijn scheiding trekt hij er voorgoed in. In twee leerlingen ziet hij het meest, Fee Spale en Ab Buthius. Zijn geloof in die twee neemt erg grote proporties aan; voor Fee vat hij een bijzonder zwak op. Ten slotte arriveert na enige tijd Antonia Graving die bezig is aan een roman gebaseerd op de bachanaliën en de Bacchuscultus van circa 200 vC. Zij brengt de meeste tijd door in de bibliotheek om daar onderzoek te doen naar de feiten van toen. Van haar krijgt de lezer vooral en bijna uitsluitend haar aantekeningen te lezen. Het valt op dat er parallellen zijn tussen de situaties van toen en nu. Net als de anderen leeft ook zij nauwelijks in het heden, ze is geconcentreerd op de voorchristelijke Romeinse tijd. Ook Hornkes concentreert zich op een andere tijd: de toekomst waarin zij kans gezien zal hebben de schimmige Dupels te vervangen als hoofdbewoner van het huis.
Hiermee zijn de stukken op het schaakbord gezet. Nog niet allemaal, we hebben mevrouw Dupels nog, Dora, de oerhuisvrouw (ik aarzel of ik het woord sloof zal gebruiken) die een groot contrast vormt tot de elegante Lillian Hornkes. Ze heeft reservesleutels en gaat op een dag de kamer van Lillian binnen, waar ze bijna omvalt van de haar onbekende luxe. Ze maakt het tot een gewoonte om er af en toe even te zijn, aan de kaptafel te zitten met de parfums, crèmes en kleurtjes van beroemde huizen. Op de achtergrond beweegt zich Doodvorst en een mijnheer Kooms, soms ook Smook genoemd, die zich met duistere zaken bezighoudt en die de Italiaanse gevangenis een tijdlang van binnen heeft mogen beleven. Deze twee hebben hun eigen plan getrokken. Met deze gegevens zou je heel wat verschillende verhalen kunnen bedenken, maar het gaat erom wat Hella Haase bedacht. Dat ga ik hier niet vertellen, wel dat het tot confrontaties, botsingen en teleurstellingen leidt; ook de dood krijgt zijn deel.

Ik voel wel wat voor de gedachte dat niet alleen de schrijver het perspectief bepaalt, maar dat ook het verhaal zélf vraagt om een bepaald perspectief. In dit geval vind ik verhaal en vertelstandpunt uitstekend bij elkaar passen. Haasse koos voor een verteller die het hele huis waarneemt en die wisselend het ene en het andere personage volgt. Er zijn geen voorschriften. Haasse had kunnen kiezen voor elk van de personages als de hoofdpersoon om van daaruit de lezer het verhaal te presenteren. De lezer beleeft dan het verhaal via de zintuigen van dat personage, maar weet niet wat er omgaat in de hoofden van de andere personages of wat die uitspoken zodra ze niet meer in zicht zijn. Waarmee een totaal ander verhaal ontstaat. Het is een theoretische kwestie, Haasse schreef deze roman en niet de roman die ze eventueel had kunnen schrijven. Ik sta er alleen bij stil omdat ik me eens te meer realiseer hoe de keuze van een perspectief het hele verhaal verandert. Met de keuze van Hella Haasse ben ik dik tevreden.

Advertenties

C.J. van der Sevensterre, Sterrenjacht – Feuilleton in Het Parool door Hella Haasse

2 Jan

CJ van der Sevensterre-Sterrenjacht_HellaHaasse-172x272In 2007 vond Hella Haasse een pak oude kranten terug waarin het door haar geschreven feuilleton Sterrenjacht stond. Haasse werkte na de Tweede Wereldoorlog voor Het Parool en ze had al eens een Engelse thriller vertaald waarna die in afleveringen in de krant was verschenen. De toenmalig hoofdredactrice Wim Hora Adema vroeg haar vervolgens of ze zelf een feuilleton kon schrijven. Ze had op dat moment twee boeken geschreven, Oeroeg en Het woud der verwachting. In principe zou je een feuilleton kunnen schrijven in kleine beetjes, elke keer een stuk net voordat de krant wordt gedrukt. Dat durfde ze niet aan, terecht, lijkt me. De kans om nog iets aan te passen omdat je al schrijvende tot een nieuw inzicht bent gekomen, is er niet meer.

Mijn blog gaat over de boeken die ik las en wat mij als docent creatief schrijven opvalt. In dit geval hoe Hella Haasse een bizar verhaal strak weet te schrijven. Het is een verhaal waarbij je als lezer de weg kwijt zou kunnen raken, maar dat gebeurt niet omdat de auteur goed bijhoudt waar het heen moet met de plot en hoe alle puzzelstukken uiteindelijk op hun plaats moeten vallen. Of ze een schema maakte, of een paar losse notities, kunnen we helaas niet meer vragen. Zeker is dat ze duidelijk voor ogen had staan wat ze wilde en wat wel of niet in het verhaal terecht moest komen. Dat is de tip die je uit dit, en ook wel uit andere boeken kan halen.

Terug naar het boek. De hoofdpersoon is Casper Jan van der Sevensterre. Hij is de verteller en zogenaamd de schrijver van het verhaal. Dat Hella Haasse achter deze maskerade zat heeft tot 2007 niemand geweten. Casper Jan is een journalist, tien jaar jonger dan zijzelf op dat moment, een flinke knul, 1.90 was toen zeldzamer dan nu, die op Sinterklaasavond zit te broeden op een verstrooiend stuk. Zijn chef heeft eerdere bijdragen geweigerd: te literair, dat wil de lezer niet. Daarmee geeft Haasse aan dat het verhaal dat volgt eerder lectuur dan literatuur is.
Een goed verhaal schrijven is ook zonder literaire pretenties een kunst op zich. Sterrenjacht is een avontuurlijk verhaal, vol met onverwachte wendingen, toevallige ontmoetingen, twee kampen die elkaar de buit betwisten, kortom de bekende ingrediënten. Het is echter net als met koken, iedereen kan de ingrediënten bij elkaar brengen, maar er een perfect gerecht uit bereiden, is een tweede.
Onze hoofdpersoon krijgt op sinterklaasavond een pakket waarin een kleine zevenpuntige ster zit, bezet met rode granaten. Er zit een klein briefje bij waaruit blijkt dat er een geheim aan verbonden is, een sleutel die pas te ontcijferen is, wanneer alle zeven sterren bij elkaar zijn. Elk heeft aan de achterkant de inscriptie van een van de Zeven Provincieën en een codeteken. Verschillende mensen blijken op jacht zijn naar de complete set. De belangrijkste daarvan is tante Arabella, waarbij je wel heel ver terug moet gaan om de relatie aan te tonen tussen Casper, de laatste mannelijke afstammeling van de Sevensterres, en Arabella Ruygencamp. De oude mevrouw met negentiende eeuwse trekken, heeft een klein netwerk opgezet en weet met allerlei middelen mensen voor haar karretje te spannen. Ze weet ook haar ‘neef’ Casper in te lijven. Die leert in Arabella’s huis de jonge Titia kennen, voor wie hij al direct een zwak heeft, maar die hij uit het oog verliest. Een brief die hij stuurt naar het adres dat hij van haar heeft gekregen komt onbestelbaar terug.

De geschiedenis voldoet aan een goede voorwaarde voor een verhaal. De hoofdpersoon raakt van de ene situatie in de andere verzeild. Door de voorvallen die al verteld zijn, weet de lezer wie aan welke kant staat, wie wel of niet te vertrouwen lijkt, maar de tijd gaat door en de volgende dag gebeuren er weer nieuwe dingen. Dingen die onverwacht kunnen zijn, die laten zien dat de verdachte Z toch aan de goede kant staat. Of andersom.

Het verhaal is in ongeveer negentig episoden gepubliceerd. Aan het eind van elke episode is een cliffhanger ingebouwd, sterker of wat minder sterk. Nu het geheel in 2007 is gepubliceerd als een roman, vinden we de ruimte tussen de episoden soms terug als een witregel, soms als het begin van een nieuw hoofdstuk, en soms als niet meer dan het begin van een nieuwe alinea. De cliffhangers zitten er nog wel in, wat maakt dat de lezer na ongeveer drie bladzijden, ruim, een prikkel krijgt om verder te lezen. Natuurlijk is het een hilarisch en grotesk verhaal, eerder een sprookje dan harde realiteit, maar ook daarin kan je kwaliteit leveren. En Hella Haasse deed dat. Wie haar verdere werk kent, herkent haar liefde voor geschiedenis, en vindt sommige typisch Haasse-uitdrukkingen terug.