Tag Archives: J. Bernlef

Ode aan J. Bernlef: Een schrijver is iemand… – kort verhaal uit De schaduw van een vlek, 1967

3 nov

Dit keer geen tekst van mij over het werk, maar een van Bernlefs kortste verhalen over het schrijven. Als ode.

 

Een schrijver is iemand…

De schrijver staarde naar buiten, naar een schoorsteen waaruit wat vuilgele rook door de wind naar beneden werd geslagen, naar een roerloos zittende meeuw op een televisie-antenne, naar de lucht die egaal grijs was, zon­der een enkele lichtere plek. Nee zo gaat het niet. Afgezien nog van het feit dat je tegenwoordig wordt doodgegooid met verhalen over schrijvers die het moeilijk hebben of schrijvers die bezig zijn een verhaal te schrijven, enfin de bekende Droste-zustertjes-techniek. Zo kan ik niet verder gaan. Bovendien heb ik niet het flauwste idee hoe ik ver­der zou moeten gaan. Ik kan er maar beter mee ophouden vandaag. Het wordt toch niks. Ik staar naar buiten en concludeer dat mijn op schrift gestelde observaties nog steeds juist zijn. Ik zoek in mijn zakken naar sigaretten en terwijl ik achter mijn werktafel zit te roken blader ik een boekje in, een catalogus voor sportartikelen van de firma Denig. De plaatjes boeien mij nogal. Een man staat in een helgele pofbroek op een lichtgroen geverfde heuvel en kijkt in de wijde verte met achter zich een bruine mo­deltent waarin een uit vage lijnen samengestelde vrouw met haar rug naar mij toe op haar hurken rondscharrelt bij een primus. Een bladzijde verder speelt een kind met een hond, die er nogal gevaarlijk uitziet. Wat het met kam­peren te maken heeft begrijp ik niet direct en ik ben ook niet van plan de tekst op de bladzijde ernaast te gaan lezen. Hoe komt die catalogus hier eigenlijk. Waarschijn­lijk heeft mijn vader hem hier achtergelaten. Maar waar­om? Hij is een verwoed kampeerder. Overal ging ik met hem naar toe. Zolang het mooi weer was ging het wel, maar als het regende, en dat deed het op onze vakanties vaak, dan lag ik op mijn rug in de tent doodsbang naar het zeil boven mij te kijken. Je mocht het namelijk niet aanraken als het regende want dan begon het op de plaats waar je er tegen aan had gezeten te lekken.

Ik maakte mijn sigaret uit en staarde weer voor mij op het papier waarop ik de eerste alinea van een verhaal had geschreven. Een kampeerverhaal zie ik ook niet zo. Heb ik geen zin in ook. Al die grijze middagen luisterend naar het ruisen van de regen in de bossen van Hoenderlo of Dwingeloo, al die vermoeiende wandelingen door mul zand, al die verveloze uitspanningen met hun reclames van voor de oorlog en een speeltuin vol blèrende kinde­ren, weer op te roepen, het is al mooi genoeg zo.

Kom op, kop op. Schrijven is gewoon werken, hard wer­ken soms zelfs. Dus tanden op elkaar. Wat was de laat­ste zin.

Ik heb nu de keuze tussen: a) de auteur droomt weg ach­ter zijn schrijftafel, waarvan de poten zich langzaam kronkelend oplossen (zich vermengend met de lichtblau­we rookslierten van zijn sigaret in de asbak voor hem). Dan een pregnante jeugdherinnering waarna terugkeer achter de schrijftafel met het onbeschreven blad papier waarop de schrijver dan het verhaal gaat schrijven dat de lezer net gelezen heeft (de sigaret was tot een lange grijze kegel opgebrand). Jezus Christus. Dan: b) er wordt ge­beld, nee, gebonsd is beter want een kapotte bel schept meteen al sfeer. Dus: er wordt gebonsd. Goed. De schrij­ver staat op en trekt de deur open (het touw is gerafeld en op vele plaatsen gebroken en weer aan elkaar geknoopt; niet vergeten de geur van de gang te beschrijven). Het is zijn vriend Pim Z. Kom boven, zegt de schrijver. Was je aan het werk, zegt Pim Z., ik wil niet storen. Nee, ant­woordt de schrijver, kom gerust binnen (Zo gaat dat toch?). Ze gaan in de keuken zitten en de schrijver schenkt zijn vriend Pim Z. een borrel in. Hij morst een beetje op tafel. Hij veegt de jenever met de mouw van zijn jasje van tafel. Er ontstaat een gesprek. Of een gesprek, een schijnbaar coherent vraag- en antwoordspelletje, dat bij nadere beschouwing een volkomen chaotisch en ner­gens op elkaar aansluitend gezwets blijkt te zijn. Carmig­gelt heeft daar eens iets over geschreven. Dat er bij net zo’n ouwehoer als Pim Z. een blauw lint uit zijn mond kwam. Maar goed, Pim Z. heeft moeilijkheden met zijn vrouw. Ze vervreemdt van me, klaagt hij. Logisch denkt de schrijver, die opgestaan is en naar het raam loopt, ze was gisteren nog hier. Als je goed ruikt kun je haar parfum nog herkennen. Maar Pim Z. is verkouden. Kijk, de rook is nu blauw. De bewoner heeft dus eindelijk in de gaten gekregen dat je beter een paar gulden meer uit kunt geven en in plaats van die stinkende eierkolen waarvan de kachel op de meest onverhoedse momenten ploft an­traciet nemen. Wat moet ik doen, vraagt Pim Z. Moet ik met haar praten? De schrijver schudt zijn hoofd. Met vrouwen moet je niet praten, zegt hij. Bah. Hier zit nu totaal geen ‘esprit’ in. Op deze manier wordt het weer zo’n druilerige geschiedenis van een schrijver die steeds weer verliefd wordt omdat hij indertijd is afgewezen door een vierjarig meisje dat met bungelende benen op een tuinhekje zat terwijl de zon haar blonde haren omgaf met een aureool. Ja, de jeugd is de goudmijn van een auteur, maar de meesten brengen slechts doublé naar boven. Ik geloof dat ik maar eens een eindje omga, de raad van Hen­ry Miller opvolgend die zei dat de litteratuur op straat te vinden was. Ik trek mijn jas aan en ga voorzichtig de stei­le trap af waar vandaag een vage geur van Lodaline hangt. Ik doe de deur open en blijf een ogenblik in de deurope­ning staan. Er komen twee negers aan, gekleed in wijde loshangende jassen. Beiden roken lange dunne sigaren. Als ze mij passeren zegt de een, kennelijk de vraag van de ander beantwoordend: ‘You should’n talk to women.’ Een ogenblik sta ik daar in dezelfde gemoedstoestand waarin ik uren voor de boekenkast kan doorbrengen, zo nu en dan een boek eruit trekkend, erin bladerend, een enkele zin lezend, om het daarna weer terug te zetten en een ander boek uit de kast te trekken. Als ik weer tot mezelf ben gekomen zijn de negers verdwenen. Ik begin te lopen, proberend me zo weinig mogelijk te verbazen over wat ik zie of hoor en overal zo weinig mogelijk over na te denken. Wat me ondanks deze voorzorgsmaat­regelen opvalt zijn de vele honden, de meesten van het verfoeilijke vuilnisbakkenras en een vrouw die een hoe­dendoos draagt. Ze draagt hem eigenlijk niet, dat is het vreemde, ze torst hem, alsof er lood inzit. Ik zeg, zachtjes in mezelf mompelend, lood in een hoedendoos. Nou en? Ik loop door de stad waarin de richels tussen de stenen, de barsten in het asfalt door het grijze licht worden ver­doezeld. Ondanks dat ik mij nergens op probeer te con­centreren en ook niet van plan ben over iets na te denken kan ik toch niet beletten dat ik steeds weer moet denken aan het merkwaardige voorval van zo-even, de twee ne­gers die mij passeren en waarvan de ene net het laatste zinnetje uitspreekt, al is het dan in het Engels, dat ik be­dacht had voor dat verhaal over de vrouw van Pim Z. Zoiets blijft merkwaardig. Het zou misschien wel iets kun­nen zijn voor een verhaal. Een schrijver die al schrijvend de wereld verandert. Alles wat hij verzint gebeurt. Het idee beurt me wat op. Ik zie er wel wat in. Naar huis? Nee, het is te laat om er vanmiddag nog mee te begin­nen. Weet je wat, ik zou even langs Pim Z. kunnen gaan. Wie weet hééft hij moeilijkheden met zijn vrouw. Nu moet ik mijn idee ook consequent doorvoeren. Ik neem de tram en sta een kwartier later in de straat waar Pim Z. woont. Zijn huis is, als enige in de straat, met klimop be­groeid. Ik bel. Uit mijn ooghoek zie ik de vitrage in de erker bewegen. Even later wordt de deur geopend. Dag El­ly, zeg ik tegen de vrouw van Pim Z. Is Pim thuis? Hé, zegt ze, dat is ook toevallig. Hij is net naar je toe. Zowat een half uur geleden is hij weggegaan. Kom je even binnen? Ik kijk haar aan en denk aan wat ik bedacht heb, een half uur geleden. Ik glimlach en schud mijn hoofd. Nee, zeg ik, een andere keer, ik moet nog ergens heen. In de dichtstbijzijnde kantoorboekhandel koop ik een ballpoint en een blocnote. In een café dat uitkijkt op een sportveld waarop twee in blauwe trainingspakken gesto­ken jongens elkaar een voetbal toeschieten, schrijf ik bo­venaan de eerste bladzijde van mijn nieuwe roman, met grote blokletters: EEN SCHRIJVER IS IEMAND DIE BANG IS VOOR NIEMAND.