Tag Archives: korte verhalen

Peter Høeg, Nachtvertellingen

26 jan

Peter Hoeg - Nachtvertellingen 292x182Vijf verhalen, één motief en één datum, de liefde en de nacht van 19 op 20 maart 1929. Mocht je denken daarmee en voorspelbaar of zelfs alledaags boek in handen te hebben, dan kom je bedrogen uit. Bedrogen in de goede zin van het woord, want de verhalen zijn heel verschillend, net als de plaatsen, de omstandigheden en de personages. Eigenlijk kun je alleen bij oppervlakkig denken veronderstellen dat het ene verhaal met de liefde als thema zou lijken op het andere. Misschien als de verhalen zich allemaal in de stad afspelen, tussen studenten, of tussen dertigers in een Vinex-wijk… Maar genoeg algemene speculaties, terug naar het boek.

Het zou zonde zijn om de vijf verhalen in het kort na te vertellen, als dat al zou gaan zonder die verhalen ernstig tekort te doen. Wáár ze spelen, dat kan wel denk ik. Het eerste verhaal speelt in Afrika, de Katanga spoorlijn is zojuist ceremonieel geopend en de hoofdpersoon bevindt zich onder de genodigden tijdens de eerste rit. Die spoorlijn bestaat, verschillende elementen ook, maar het verhaal is fictie, en zo hoort het ook als je luistert naar een nachtvertelling.
In het volgende verhaal treffen we twee jonge en heel verschillende mannen die met een klein zeilbootje in de haven van Lissabon zijn beland. Het derde verhaal heet Experimenten met de duur van de liefde.
Hier is een hoofdpersonage erop uit om via experimenten te zien of de liefde die een mens heeft, constant is of langzaam afneemt. Kan de mens alleen de eerste keer met volle kracht liefhebben? Interessante gedachtegang en boeiend om te zien waar dit op uitloopt.
Op de avond van de negentiende maart 1929 zweefde de jonge schrijver Jason Toft door de binnenstad van Kopenhagen. Dit is de eerste zin van het vierde verhaal: Vertelling over een huwelijk. Weer heel anders en niet te vergelijken tot de vorige verhalen. Over het laatste en veruit kortste verhaal zeg ik niet meer dan dat een spiegel een belangrijke rol speelt.

Na het lezen van de laatste bladzijde, op het moment dat ik overdacht wat ik nu eigenlijk had gelezen, plaatste ik een kanttekening bij dat ene motief dat op de achterflap wordt genoemd. Inderdaad, de liefde is steeds belangrijk, maar er is meer. Steeds zijn de personages op plaatsen waar zij niet thuis zijn, in letterlijke of overdrachtelijke zin. De Europeanen in het hart van Afrika, de twee mannen die verzeild, buiten hun plan, in Lissabon terechtkomen. Steeds gaat het om een kritiek moment, een crisis soms. Wie denkt dat ik om de hete brei heen draai, vaag blijf, die heeft gelijk. De hete brei moet je zelf eten, lezen in dit geval. De verhalen nemen je stuk voor stuk mee in onverwachte werelden en worden door Peter Høeg verteld op een sprankelende manier die je vastpakt en niet meer loslaat.

Advertenties

Sylvia Plath, Johnny Panic en de Droombijbel

7 aug

Sylvia Plath - Johnny Panic en de droombijbel 184x292Sylvia Plath werd in Boston geboren, studeerde in Cambridge waar ze in 1956, op mijn verjaardag, trouwde met de Engelse dichter Ted Hughes. Ik ga niet de algemeen bekende feiten herhalen, behalve dan dat haar bekendste werk De glazen stolp is en dat ze in 1963 stierf als gevolg van ernstige depressies. Dit boek bevat verhalen en aantekeningen die door Hughes zijn geselecteerd en van een nawoord zijn voorzien.

In de verhalen viel mij vooral de intensiteit op. Niets is vrijblijvend. In het eerste verhaal is de ik aan het werk in een psychiatrische kliniek, waar ze buiten haar werk om oude patiëntendossiers doorspit om daaruit de dromen over te schrijven. Dit valt, uiteraard zou ik bijna zeggen, niet onder de opdrachten van haar cheffin, Miss Taylor. Het moet dus stiekem gebeuren op momenten dat Miss Taylor er niet is.
In een vergelijking met de alledaagse mens, de aan de maatschappij aangepaste, valt de ik buiten het ‘normale’. Wat me doet denken aan de schrijfster die ook niet aan de norm voldeed en bij tijd en wijle leed onder stoornissen. Ik zal maar niet het zijpad inslaan dat begint bij de vraag hoe je ‘normaal’ moet definiëren. Iets wil ik er wel over zeggen: de zogenaamd normale mens die ’s avonds na gedane arbeid op de bank ploft, zal geen kunst in welke vorm dan ook maken. Daarvoor is een innerlijke gedrevenheid nodig. Dat is precies hetgeen uit alle verhalen naar voren komt. Al lezend kreeg ik de indruk dat alle verhalen mij iets meer vertelden over de schrijfster. Dat kan inbeelding zijn, iedere lezer maakt uiteindelijk zijn eigen verhaal.
Uit de verschillende verhalen neem ik er twee waarin de hoofdpersoon dagdroomt over hoe de metgezel (een broer, een partner) om zou kunnen komen. In het geval met de overheersende, behoudende en veel te nuchtere broer, stelt ze zich voor dat zij op een steiger aan zee iets laat vallen, dat hij zou pakken waarna hij door een golf wordt meegenomen. In het andere geval telt de ik beren die ze tegenkomen, waarbij de 59e beer fataal zou worden. Steeds is het personage ongelukkig door de ander die haar ruimte en ontplooiingsmogelijkheden beperkt. Dan is er nog de tiener die op een valse manier wordt beschuldigd van iets waar ze part noch deel aan heeft, maar die moet ervaren dat zelfs haar ouders haar niet geloven. Zij maken, niet boos maar bedroefd, bij de ouders van het valse wicht excuses. Alles bij elkaar geen vrolijke verhalen, maar zeker indringende.
Jammer vond ik dat ik te vaak de indruk kreeg dat het Engels wel heel letterlijk was vertaald, waardoor het Nederlands niet honderd procent Nederlands was. Als ik de oorspronkelijke uitgave onder handbereik had gehad, had ik daar zeker naar gegrepen. Het nawoord voegt nog wel wat toe; door de verhalen en door het aura dat om Sylvia Plath hangt, ben ik benieuwd naar haar als persoon. Daar stond wel tegenover dat ik niet blij was met de uitleg die Hughes geeft over zijn keuze. In de eerste afdeling staan De beste verhalen, in de tweede afdeling de mindere… Ik heb helemaal geen behoefte aan iemand die dat voor mij uitzoekt. In elke bundel staan wel betere en wat mindere verhalen of gedichten, maar welke dat zijn mag de lezer bepalen. Ook bij Plaths aantekeningen komt Hughes hinderlijk tussenbeide, hij vermeldt dat hij sommige heeft weggelaten omdat ze niet voor publicatie geschikt waren. Waarom is dat vermeldenswaard? De uitgever die een verhalenbundel samenstelt van een van de auteurs uit zijn fonds, doet de lezer ook geen plezier door op de achterflap te zeggen dat er wel meer verhalen waren, maar dat hij die niet had opgenomen omdat enzovoorts.

De aantekeningen zijn overigens boeiend, soms kleine waarnemingen van de mensen uit haar buurt. Vingeroefeningen in goed kijken en schrijven met als achterliggende idee dat sommige mensen als personage in een volgend verhaal of een volgende roman zouden kunnen optreden. Het is voor iedereen die schrijft een interessante exercitie. Een klein, zelf geschreven portretschetsje herlezend kan het je overkomen dat je ontdekt een paar wezenlijke details niet genoteerd te hebben. Ligt dat aan jou als schrijver, of waren die details niet zo belangrijk? Aangezien de schrijver geen foto’s neemt, zal de lezer van de woorden weer een eigen plaatje maken dat misschien wel op een flinke afstand staat van het beschreven personage. Al met al boek dat ik iedereen, lezers en schrijvers, van harte aanbeveel. Het gebruikte Nederlands moet je maar op de koop toe nemen.

Harry Mulisch, De versierde mens

2 jun

Harry Mulisch - De versierde mens 291x183Onder deze titel verschenen in 1957 zeven verhalen. Mijn exemplaar stamt uit 1982. Magisch-mythisch wordt de stijl wel genoemd, abstract-realisme zei Mulisch zelf ooit. Hoe we het noemen doet niet heel veel ter zake. Uit beide benamingen blijkt wel dat het niet gaat om verhalen waarin een werkelijke of verzonnen gebeurtenis wordt verteld, punt, uit. Dat is niet de aanpak van Mulisch in zijn gehele werk en zeker niet in deze verhalen die hij tussen 1953 en 1955 schreef. Bij sommige verhalen kwam de gedachte op: hoe zat het met de tijd, halverwege de vijftiger jaren, waren toen psychedelische stoffen al in omloop? Volgens Van Dale kwam het woord na 1950 in zwang. Dat wil niet zeggen dat iedereen die psychedelische muziek, schilderijen of teksten maakte, zelf geestverruimende middelen nam. Wel dat het werk binnen de tijdgeest paste. Laat ik eindigen met de omtrekkende bewegingen en op de verhalen ingaan.

Het verhaal Keuring gaat over Sander Broodman die de keuring voor militaire dienst negeert en wordt opgehaald door militairen in bloederige uniformen. Wat volgt is een aaneenschakeling van bizarre gebeurtenissen vol vuil en geweld. Uiteindelijk wordt hij buiten gezet, het lijkt erop met een S-vijfje al wordt dat niet gezegd. S5 was de term voor iedereen die geestelijk niet helemaal stabiel was. Homofilie viel daar gemakshalve ook onder.
De terugkomst is rustiger van toon. Ook de dood is minder gruwelijk. De vader van de hoofdpersoon die elk voorjaar weg trok om over de eilanden te zwerven, overlijdt in een bootje aan de oever van een weiland in Kortenisse, een glimlach om de mond. “Wakker geworden aan de verkeerde kant van zijn dromen. Wie dat overkomt is dood. De dromen laten hem niet meer door…” Veel later gaat de hoofdpersoon op zoek naar getuigen van zijn vaders leven en komt uiteindelijk ook niet meer terug van de eilanden.
De sprong der paarden en de zoete zee is een verhaal dat ooit los is uitgegeven. Hier een dertienjarige jongen die verliefd raakt op een onbereikbaar meisje. Hij overweegt zelfmoord, denkt dan aan moord, het meisje komt door een ongeluk om het leven, wat hem een groot schuldgevoel oplevert, ten slotte verliest hij zijn verstand. Zijn verhaal, opgeschreven in zijn strafwerkschrift, wordt gevonden, en tweemaal doorverteld in vormen die niet meer lijken op het origineel. Het wordt een mythe over Schokland en de Zuiderzee. Ook hier speelt de dood een grote rol, en zijn het de herhalingen die het verhaal uittillen boven het anekdotische van het dagelijks leven.
Quauhquauhtinchan in den vreemde gaat over een jongen wiens moeder bij de geboorte sterft, die wordt meegenomen door een kinderloze man en in een Mexicaans-indiaans gezin opgroeit. Tot hij tot buitengewone proporties groeit. Staan kan hij allang niet meer, zijn groei verplettert hele steden, bossen en bergen. Dit gaat 62 bladzijden door en ik was blij aan het volgende verhaal te beginnen: Wat gebeurde er met sergeant Massuro? Dit speelt in Nieuw Guinea. Een groep soldaten moet de orde daar handhaven. Van de bevolking en de omgeving hebben ze geen idee. Als ze ergens nieuwe, ver weg gelegen dorpjes vinden, geven ze het namen als Verneukschoten. Een soldaat neemt een inlands meisje. “Heb je je hand voor haar mond gehouden?” Nee, zegt de soldaat, maar als hij zijn hand opendoet staan de tanden erin. Massuro wordt ziek en wordt steeds zwaarder. Schuldgevoelens uit eerdere, niet beschreven perioden, verstenen hem. Als hij na zijn dood open wordt gezaagd, blijkt hij geheel uit graniet te bestaan.
De versierde mens is het volgende verhaal. Het blijkt aan te duiden dat de mens zich via de techniek voorziet van allerlei extensies, daarmee siert hij zich, maar terwijl zijn uiterlijke verschijning indrukwekkender wordt, krimpt zijn innerlijk. Ten slotte een apocalypsachtig verhaal, Een stad in de zon, waarin een man zijn weg vindt tussen door natuurkrachten verwoest landschap. Hij heeft een stervend paard en een vleugel (piano) bij zich.

Het ene verhaal zal de lezer meer aanspreken dan het andere. Er zijn ook twee manieren om het te lezen: als teksten met een diepe betekenis waarvoor je als lezer de moeite neemt ze te lezen en herlezen omdat je ze wilt doorgronden, of je houdt ermee op, vindt het te gemaniëreerd, en je gelooft het verder wel. Ik vond het interessant te zien hoe je de grenzen van het schrijven kunt verleggen. Binnen de bundel had ik wel duidelijk mijn voorkeuren. Ik vroeg me dan ook af of de schrijver zelf na een halve eeuw nog achter al zijn verhalen zou staan. Maar ja, dat heeft ook te maken met het karakter van de auteur.

R.J. Peskens, Mijn moeder was eigenlijk een Italiaanse

22 nov

Peskens_RJ_Mijn moeder was eigenlijk een Italiaanse-186x292

Onder het pseudoniem R.J. Peskens schreef de legendarische uitgever Geert van Oorschot. Vóór dit boek verschenen Twee vorstinnen en een vorst en Mijn tante Coleta, waarmee Van Oorschot zijn eigen bestsellers schreef. Ze zijn nog regelmatig antiquarisch te vinden. Op de flaptekst zegt de auteur nadrukkelijk dat Mijn moeder was eigenlijk een Italiaanse geen vervolg is op de genoemde titels. Het bevat acht korte verhalen, te beginnen met het titelverhaal, dat gaat over Richard Neleman. De ik-verteller leert hem kennen in de vijfde klas van de Lagere School. Richard was een ongewone jongen, de ik-figuur was de enige met wie hij, op een afstandelijke manier, omging. Over zijn ouders had hij wilde verhalen waarvan de bewering dat zijn vurige en avontuurlijke moeder eigenlijk een Italiaanse was, deel uitmaakte.
In het tweede verhaal wordt een 
hij opgebeld door een vrouw met wie hij vijfentwintig jaar eerder in een dorp had kennisgemaakt. Ze hadden iets, geen volledige relatie, en dat iets betekende voor haar en het dorp veel meer dan voor de stadse hij. Na het onverwachte telefoontje volgt een afspraak en een gesprek in een café waaruit de geschiedenis duidelijk wordt voor de lezer. Voor de man betekent het dat ‘de andere kant’ met vertraging helder wordt. Gevolgen voor het nu van zoveel jaren later, heeft het niet.
Het daarop volgende verhaal gaat over de heer Huisman, luchtig geïntroduceerd als ‘een lange man met een te kleine hoed op het hoofd. Hij had een uitdrukking op zijn gezicht alsof hij iedereen uitlachte, maar het net niet deed. Niemand wist eigenlijk goed raad met de heer Huisman’.
Na een aanloop komen de heer en mevrouw Van Putte in beeld, de eigenaar en de echtgenote van de zaak in marmeren grafmonumenten waar Huisman werkt. Wat er in dit langere (49 pagina’s) verhaal gebeurt, is verrassend en boeiend. Ik moet mij bedwingen om er niet meer over te vertellen. Wat na drie verhalen opvalt is dat ze steeds gaan over mensen die het op zijn zachtst gezegd moeilijk hebben met de omgang met andere mensen. Ze dragen een last met zich mee, iets wat ze niet kunnen relativeren om daarna verder te gaan. Oppervlakkig zijn de personages niet, in tegendeel, ze hebben juist een grote diepte, zij het op een monomane manier. Juist doordat ze afwijken van de gewone man of vrouw zijn ze interessant. De problemen waarmee ze te maken hadden zijn herkenbaar, maar ze zijn in de ogen van de doorsnee mens, sterk uitvergroot, zodanig dat ze hun hele leven bepalen.

Een bundel met verhalen over zulke mensen zou zware kost kunnen zijn, maar dat is het niet. Peskens schrijft op een lichte manier. We zagen het net al bij de introductie van Huisman.
In een ander verhaal: ‘Ten slotte kwam een oude verpleegster mij begroeten. Haar lippen waren christelijk smal en het stalen montuur van haar bril bewees dat ze nooit zondige gedachten had. Ze vroeg of ik haar maar volgen wilde.’
En, over iemand anders: ‘Haar mond gaf de gewaarwording van rulle droge lippen van een paard’.
Op blz. 115, ik sla het boek op een willekeurige pagina open: ‘Ik spreek allang niet meer op vergaderingen. Het verbeteren of gelukkig maken van de mensheid is toch een vergeefse zaak.’
Bij zo’n mededeling rijst de vraag of dit de opvatting is van de auteur, die dit via een van zijn personages overdraagt aan de lezer. Zeker is dat nooit. Legt de schrijver een personage goede of foute gedachten in de mond, dan zijn er altijd wel lezers die daar de schrijver op aankijken, terwijl de schrijver zich met gemak kan verdedigen: ik zeg dat niet, dat zegt het personage.
Ik vond de verhalen een plezier om te lezen. Wel viel mij een aantal slordigheden op. Misschien is het een beroepsdeformatie omdat ik met een kritisch oog naar veel verhalen van cursisten kijk. Het gaat dan om opbouw, perspectief en alle andere elementen van een verhaal, maar ook spelling en grammatica. Zo las ik in deze verhalenbundelvan iemand die telefoneerde: ‘ik (…) liet de haak bijna uit mijn handen vallen’. Op de volgende pagina, het begin van een nieuw verhaal: ‘Ik nam de hoorn van de haak…’ Dat laatste klopt, het eerste niet. Het laatste uit een serie gebeurtenissen kan je beschrijven met ‘ten slotte’ deed hij (bv.) het deksel op de pan en draaide het gas uit. Maar in het volgende voorbeeld schrijf je: hij liet haar niet in de steek, het was ‘tenslotte’ zijn eigen zus. Het is typisch een weetje uit het Groot dictee der Nederlandse taal, maar van een uitgever mag je verwachten dat hij dit verschil kent, en ook weet dat je schrijft dat iets ‘almaar’ doorgaat, en niet ‘als maar’. Zoals ik al zei, ik heb de verhalen met veel plezier gelezen en kan ze iedereen van harte aanraden. Je moet wel zoeken in de bibliotheek of op internet, want de eerste uitgave was in het midden van de zeventiger jaren. En tja, die kanttekening mag je ook onder muggenzifterij rangschikken.

Frans Pointl, De Heer slaapt met watjes in zijn oren

1 jun

Frans Pointl -De Heer slaapt met watjes in zijn oren-291In de vormgeving zijn de eerste overeenkomsten te vinden met de verhalenbundel waarmee Frans Pointl bekend werd, De kip die over de soep vloog. Ik las het kort voor ik een interview met de schrijver zou houden in de foyer van het Rotterdamse Bibliotheektheater. Dat leidde toen nog een bloeiend bestaan met een interessant gamma aan literaire programma’s. Het was begin jaren negentig maar aan de spreekwoordelijke stoelpoten van het theater werd al gezaagd.

Wat ik me vooral herinner zijn de waarschuwingen die ik vooraf kreeg: ‘Ga jij Frans Pointl interviewen? Nou ik ben benieuwd of je er een woord uitkrijgt.’ In de gesprekken die ik had voordat we een definitieve afspraak maakten, was hij inderdaad voorzichtig, maar ik verzekerde hem dat ik het over het schrijven wilde hebben en geen Van der Meijdenachtige vragen in gedachten had. Het was een gesprek in een serie interviews op podium, dus op schrift is er niets van achtergebleven.

De kip bestaat uit een zestiental korte autobiografische verhalen. Zij gaan voor een belangrijk deel over zijn jeugd die sterk werd overschaduwd door de kampervaringen van zijn joodse moeder. Na de oorlog heeft zij alleen nog haar zoon Frans en een oude Steinbach piano. Samen met haar zoon (1933) gaat zij bij oude buren op bezoek die zolang spullen zouden bewaren, maar nu ineens hun geheugen zijn kwijtgeraakt. In het huis van deze zwaar getraumatiseerde overlevende groeit Frans op tot een sociaal onhandige man. Hij ziet geen kans om baantjes te behouden en na de dood van zijn moeder komt hij terecht bij hospita’s. Een deel van zijn verhalen gaat over die ervaringen. Wie eens wil zien hoe ingetogen en kaal je kunt schrijven, doet er goed aan de verhalen van Pointl te lezen. Hij brengt ook in de praktijk wat je van een autobiografie kan zeggen, namelijk dat je niet direct hoeft te beginnen aan een groot alomvattend verhaal, maar dat je ook losse verhalen kan schrijven die je op een goed moment kan bundelen.

In De Heer slaapt met watjes in zijn oren (acht wat langere verhalen) komen we een aantal situaties uit de eerdere bundel tegen. Zo is een kort verhaal over een relatie met een jonge vrouw met een hazenlip hier uitgebreid. Een paar omstandigheden zijn ook gewijzigd, zodat je je kan afvragen of dit verhaal, en daarmee álle verhalen, ook in de details op autobiografische waarheden berusten. Dit is trouwens, zoals steeds, typisch een verhaal rond een anti-held. Hij gaat mee met de koffiejuffrouw die door de chef ‘de lip’ wordt genoemd. Iets wat de ik hem erg kwalijk neemt: We noemen u toch ook niet Hamster vanwege die overdreven wangzakken? In het begin van het verhaal gaat hij met haar naar de bioscoop “en van het een kwam het ander. Op een avond had ze me meegenomen naar haar zolderkamertje aan de Jacob van Lennepkade en had ze me verleid.” De relatie blijft bijna uitsluitend lichamelijk. Zij houdt niet van zijn klassieke muziek, leest geen boeken en vindt het saai als hij wel leest. Op den duur raakt zij alleen nog maar enthousiast als hij dingen voor haar bekostigt. Zoals de occasion die ze kopen. Zij wil een auto en neemt rijlessen. Samen ontdekken ze dat de voordeligste aanschaf een auto van Oost-Duitse makelij was, een Trabant. Die kopen en financieren ze. Even lijkt het hem vreemd dat alleen zijn naam genoemd staat bij de afbetalingsregeling. Als zij vertrekt met een jongere nieuwe vriend, is hij nog aan het afbetalen. Tja, hij lijkt in de verhalen een abonnement te hebben op het kortste eind.
De titel interpreteerde ik in overdrachtelijke zin: er deugt heel veel niet in de wereld, maar God slaapt met watjes in zijn oren. Later blijkt het verband te houden met het verblijf van de ik in een ziekenhuis. Hij komt er terecht nadat hij hartklachten had. In een telefonisch consult stelde de cardioloog vast dat hij een hartaanval had gehad en zei hem stante pede naar het ziekenhuis te komen. Dat kan niet, zei de ik. Ik kan mijn katten niet in de steek laten.

“‘Wat is nu belangrijker, uw leven of uw katten?’ vroeg de cardioloog.
‘Mijn katten gaan altijd voor.’
De cardioloog stelde dat deze beslissing voor mijn verantwoording was en verbrak de verbinding.”

Muriel Spark, Memento mori

29 mrt

Muriel Spark _ Memento mori -179x291In de eerste regels van Memento mori wordt Dame Lettie voor de achtste maal gebeld door iemand die anoniem blijft en steeds die ene zin uitspreekt: Denk erom dat u moet sterven. Ze belt een gepensioneerde politieman en haar broer Godfrey. De laatste haalt haar op zodat ze bij hem en zijn vrouw Charmian tot rust kan komen. In een paar zinnen hebben we al vier personages, allemaal een beetje tot ver boven de zeventig. Er komen er nog veel meer.
Een roman van een, zij het onterecht, niet zo bekende schrijfster die toen zij dit in 1959 schreef, 41 jaar was en aan het begin van haar carrière stond, zou meer dan vijftig jaar later behoorlijk kunnen tegenvallen. Temeer waar het een roman is over oude mensen en de dood. Niets is echter minder waar. Dat komt omdat de tekst nog steeds fris en helder is, en dat komt weer omdat de verteller in weinig woorden haar verhaal weet te doen en omdat we heel wat scènes meemaken aan de hand van dialogen. Charmian is een oudere schrijfster, wier werk na een periode van verminderde belangstelling weer stijgt in populariteit. Hoe ze functioneert blijkt uit de begroeting van Dame Lettie.
‘Heb je je geamuseerd in de bioscoop gisteravond, Taylor?’ zei Charmian.
‘Ik ben Taylor niet,’ zei Dame Lettie, ‘en in elk geval noemde je Taylor altijd “Jean” de laatste twintig jaar dat ze bij je in dienst was.’
Mrs. Anthony, hun huishoudster, bracht de slappe koffie binnen en zette hem op de ontbijttafel.
‘Heb je je geamuseerd in de bioscoop gisteravond, Taylor?’ vroeg Charmian haar.
‘Ja, dank u, mrs. Colston’, zei de huishoudster.
‘Mrs. Anthony is Taylor niet’, zei Lettie. ‘Er is hier niemand die Taylor heet. En bovendien noemde je haar op het laatste altijd Jean. Je noemde Taylor alleen maar Taylor toen je nog een meisje was. En in elk geval is mrs. Anthony Taylor niet.’
Godfrey kwam binnen. Hij gaf Charmian een kus.
‘Goeie morgen, Eric’, zei ze.
‘Het is Eric niet’, zei Dame Lettie.
Je zou als schrijver domweg iets kunnen zeggen over de staat van Charmians geest, maar wat Muriel Spark hier doet is volgens de gouden regel ‘Show, don’t tell’ en is de veel interessantere en hier ook leukere manier.
Dame Lettie (jonger dan Godfrey; pas negenenzeventig) blijkt algauw niet de enige die deze telefoontjes krijgt. De opgebelde mensen reageren er heel verschillend op. De meesten raken van slag, maar de vroegere huishoudster Jean Taylor neemt het laconiek op. Taylor ligt met zware reumatische klachten op een geriatrische ziekenzaal met een stuk of tien andere oude dames die door de verpleegster oma zus en oma zo worden genoemd. Die zaal is een heel andere wereld, een uitstapje van de andere scènes. Taylor die ooit uit solidariteit met haar werkgeefster katholiek is geworden en er meer in gelooft dan Charmian, stelt dat je ook zou kunnen doen wat de opbeller zegt, eraan denken dat je ooit moet sterven. Dat zegt ze ook tegen Dame Lettie als die op bezoek komt, maar die luistert niet en denkt dat Taylor dement begint te worden. Een aantal bejaarden vult de dag door het eigen testament bij te werken, dagelijks worden er mensen geschrapt of juist opgenomen als erfgenaam.
Ik zei al dat er nog heel wat personages komen. Je zou de weg kwijt kunnen raken, maar dat valt hard mee. Ze staan met elkaar in verbinding en je leert ze kennen aan de hand van de personages die je al kent. Allengs begint duidelijk te worden dat deze mensen heel wat te overdenken hebben. Tussen de personages spelen oude intriges, geheimen, en geheimen achter geheimen. Daardoor wordt Godfrey op een grappige manier chantabel in de handen van de valse gezelschapsdame mrs. Pettigrew. Ze weet hem af te persen. De zaak van de ‘Gedenk te sterven’-telefoontjes is in handen van de politie en haalt de pers. Het onderzoek schiet niet erg op. Dat de slachtoffers heel verschillende beschrijvingen geven van de stem van de opbeller is bepaald geen steun voor de politie. De roman is echter niet een misdaadroman waarbij aan het eind de schuldige gevonden moet worden. Het is een roman over oude mensen die om moeten zien te gaan met hun leven, het krakkemikkige lijf en het feit dat de dood niet meer zo heel ver weg zal zijn. Om daarin ernst en humor te vermengen tot een luchtig verhaal dat na dik vijftig jaar nog altijd met plezier te lezen is, vind ik knap. Ik weet niet meer van wie ik ooit las dat je de naam Muriel Spark moest onthouden; ik moet daarom in een paar onbestemde richtingen knikken en dankjewel zeggen.
Muriel Spark _ Memento mori (2)

Alain de Botton, Proeven van liefde (Essays in love)

16 mrt

Alain de Botton_Proeven van liefde-190x296Een paar zinnen uit de flaptekst: ‘De verteller ontmoet in het vliegtuig van Parijs naar Londen Chloé, op wie hij verliefd wordt. Dat leidt tot een essay over kansberekening. Wie verliefd is gelooft algauw in een lotsbestemming. Maar hoe groot was de kans werkelijk dat de verteller uitgerekend op deze vlucht, op deze dag in de stoel naast Chloé kwam te zitten?’
Ik had me kort daarvoor beziggehouden met het toeval en ik had een gedicht gemaakt waarin dat een grote rol speelt. Zelfs mijn eigen bestaan berust op gebeurtenissen die heel makkelijk anders verlopen hadden kunnen zijn. Al naar gelang je religieuze instelling of niet, kun je dit herleiden tot puur toeval, het lot, of een god die af en toe met een kleine beweging van een caleidoscoop de gekleurde stukjes van vele levens herschikt. Mijn aandacht was gewekt. En ik heb er geen spijt van gehad dat ik dit boek heb gelezen.

Roman staat er op de kaft. Enerzijds is het een roman, het verhaal van de ik-verteller die na een korte ontmoeting verliefd wordt, een liefde die beantwoord wordt, en zich ontwikkelt zoals wel meer liefdes. Dat deel is een klassiek verhaal met een hoofdpersoon met een literair conflict. Hij is zonder Chloé, maar wil een leven met haar en tot de dood hem scheidt. Er kunnen tegenspelers zijn die dit streven in de weg staan, er zijn ups en downs en ten slotte slaagt de held uit het verhaal, of niet. Roman dus. Alleen is de verteller ook filosoof en heel regelmatig doet deze een stap terug om na te denken en de gebeurtenissen in een breder perspectief te plaatsen. Dat zijn essayistische mini-opstellen over de liefde, over hoe verliefde mensen handelen.
Het begint met een betoog over de kans dat de ik en Chloé naast elkaar in dat vliegtuig komen te zitten. De aanloop neemt de verteller niet eens mee in zijn sommen; dat de ik een paar dagen eerder klaar was met een opdracht in Bordeaux en besluit zijn in Parijs wonende zus op te zoeken, en dat zij op het laatste moment een reis moet overnemen van een zieke collega. Haar oorspronkelijke vlucht mist ze doordat ze bij vertrek uit het hotel merkt dat een fles shampoo in haar tas heeft gelekt. Ze maakt schoon, pakt haar tas opnieuw in en start zo wat later om vervolgens met de taxi in een file terecht te komen. Anders had ze haar eerdere Air France vlucht wel gehaald, nu boekt ze over op de British Airways vlucht waarmee de ik vliegt. Alleen al de kans dat twee mensen in een toestel met 191 stoelen naast elkaar komen te zitten, vermenigvuldigd met zes vluchten, leidt tot een kans van één op bijna zes miljoen.
Het gesprek klikt, ze ontdekken overeenkomsten, zij heeft snel door waarover hij het heeft, maakt zelfs zijn zinnen af. Het verliefde gevoel overvalt hem dat je iemand onbewust altijd al kende. Voor elkaar voorbestemd waren en dat dit op een dag móest gebeuren.
Terwijl het verhaal verdergaat, ze bellen, gaan uit eten, gaan ook de beschouwingen door. Bijvoorbeeld over het feit dat de verliefde zijn of haar eigen identiteit opgeeft voor een persoonlijkheid die hopelijk bij de ander in de smaak zal vallen. In het verhaal geïllustreerd door een dialoog over het al dan niet bestellen van wijn. Hij vraagt of ze wijn wil, zij retourneert de vraag: wat wil jij? Via een paar pogingen de ander te laten zeggen wat die wil, besluit zij dat zij water neemt. Waarop hij daarin meegaat, terwijl hij achter haar een groot schoolbord kan zien waarop de smakelijkste wijnen staan.
Er is veel te herkennen. De ruzies die over dingen gaan die je van elkaar zou moeten kunnen verdragen en waarvan de verteller-filosoof zegt dat de verliefde, als het eerste doel is bereikt, ontdekt dat er verschillen zijn tussen het ideaalbeeld en de werkelijkheid. Verschillen die hij of zij in de ander probeert de veranderen. Evenzoveel pogingen om de werkelijkheid te duwen en persen in de ideale mal. Er komt veel ter sprake, meer dan ik hier kan of wil vertellen; er moet ook wat te lezen en te ontdekken overblijven. Interessant vond ik de stelling dat mensen die wat afstandelijker bevriend zijn, vaak beschaafder met elkaar omgaan. Dat het feit dat de geliefden elkaar ook naakt kennen, een vlies wegtrekt dat de mens weerhoudt van fout gedrag.

Ik zou niet iedereen die schrijft aanraden om zulke dubbele romans te schrijven. Lang niet iedereen heeft een filosofische achtergrond. Wel is het interessant om je af te vragen: wat gebeurt hier eigenlijk? Hoeveel er dan uiteindelijk in het verhaal doorsijpelt, is een volgend chapiter; de vraag stellen is al van groot belang.
De roman is nog te koop in een Atlas-uitgave van tien euro.