Tag Archives: Langere verhalen

Structuur

16 mrt

Je kunt, en vroeger op school moest je zulke dingen ook, een verhaal bekijken op perspectief, het tijdsverloop en de Nelleke Noordervliet, Veeg tekenplot. Alles bij elkaar zou je over structuur kunnen praten; hoe zit het verhaal, de novelle of roman in elkaar?

Tijdens de cursus van afgelopen maandag hadden we het over de plot. Ik verbond plot en personage. In verreweg de meeste verhalen wil het personage iets, of er overkomt hem of haar iets. Vervolgens…. Zolang iemand “wunschlos glücklich” is, valt er niets te vertellen. Pas als het personage iets in zijn of haar leven wil veranderen begint het verhaal. Hij of zij onderneemt iets, handig of niet, en de resultaten zijn er naar; goed slecht of een beetje goed. Uiteindelijk wordt het doel bereikt, of niet. In het ergste geval is ons personage er aan het eind nog slechter aan toe dan aan het begin. De hele logische serie van oorzaken en gevolgen maakt deel uit van de plot.
Maar, was op de valreep een vraag, hoe zit het met de structuur? Waar begin je bijvoorbeeld? Goeie vraag, en het antwoord is een stuk minder eenvoudig. Er is ook niet één antwoord. Je zou een verhaal kunnen uitpluizen en dat ga ik ook doen, maar wat je ziet is een mogelijkheid. Bij het volgende verhaal zie je weer een andere mogelijkheid. Dus? Misschien maar erg veel verhalen lezen en je gedachten laten gaan over de vraag hoe de schrijver het deze keer heeft aangepakt.

Hoe zit de novelle van Nelleke Noordervliet, Miss Blanche in elkaar. Ik heb het net herlezen, het is niet al te lang of ingewikkeld. In de bundel Veeg teken, waarin drie novellen bijeen zijn gebracht, beslaat het verhaal 91 bladzijden. De hoofdpersoon, Herman Hillebrand Wedigh is een 68-jarige sigarenhandelaar aan de Schieweg in Rotterdam. Het is een kleine winkel die in de loop van de jaren versloft en verstoft is. Zijn vrouw Gerda is al jaren dood. Hij heeft een vrij rimpelloos bestaan tot hij bij het vegen van het straatje voor de deur, tegen een Turkse aanbotst. ‘Hé, ouwe lul, kijk een beetje uit!’ roept ze. Hij kijkt haar aan, kijkt in haar grote amandelvormige ogen en is verloren. (Dit klopt helemaal met het idee dat het verhaal begint op het moment dat het personage iets wil. Wat hij wil is wel niet helemaal benoemd, maar zijn gezapige leventje tot nu toe, voldoet niet meer.) Als hij ze later nog eens ziet, volgt hij haar en ziet haar nog net ergens naar binnen gaan. Khalid staat er op de deur. De kans dat dit plot in een sprookje zal eindigen is klein. Zij is misschien veertig jaar jonger en je kan niet zeggen dat ze direct van hem gecharmeerd was. We volgen het verhaal vanuit het perspectief van Wedigh. Als lezer heb je een wat ruimere kijk op de omstandigheden en zodoende ga je niet mee in zijn dromen, die trouwens vrij vaag blijven. Noordervliet is geen McEwan die heel dicht op het personage zit, onder diens huid. Zij blijft wat meer op een afstand, al krijgt het personage in de loop van het verhaal duidelijke contouren. Het verhaal begint met een goed neergezette beschrijving van Wedigh, gevolgd door een plaatsbepaling die vooral voor Rotterdammers heel herkenbaar is. Het verhaal wordt chronologisch verteld. Hij weet niet hoe de Turkse heet, ook Khalid is niet honderd procent zeker, maar hij verzint een voornaam voor haar, Halina. Intussen gaat zijn leven door, zij het met kleine veranderingen. Dat is misschien wel de oorzaak dat hij naar een vergadering van de wijkraad gaat, waar hij Joop, oud-vakbondsman, ontmoet, die hem vraagt of hij dit jaar wil optreden als Sinterklaas. Een paar weken later zal hij het pak komen afleveren. Eén van Wedighs kleine uitspattingen is dat hij af en toe naar het Hilton hotel wandelt en daar een glas bier drinkt in de bar. Hij doet daar alsof hij een internationaal tabakshandelaar is. Tijdens het eerste bezoek binnen het verhaal gebeurt daar iets merkwaardigs en Wedigh denkt dat dit het gevolg is van de ontmoeting met Halina, dat de goden hem tekenen geven.
Op een regenachtige dag komt ze voorbij zijn winkel, hij doet de winkel op slot en volgt haar. Dan ziet hij haar in een helder verlicht reisbureau. Hij gaat er binnen en begint naar dure reizen te informeren. Ver boven zijn stand. Hij gaat uiteindelijk met een Australië-folder de deur uit.
De sinterklaasweek breekt aan, hij heeft verschillende optredens, en omdat de bisschop uit het Turkse Myra afkomstig is, lijkt het de organisatie een goed plan die gemeenschap in het feest te betrekken. Zijn contact met de organisatie is de gepensioneerde kleuterleidster, Puck. In zijn sinterklaasrol ontmoet hij “Halina” weer, ditmaal met een gehandicapt zoontje Orhan. Zij herkent hem niet. Aan het eind van de dag stelt Puck voor samen iets te drinken en een praatje te hebben over het evenement. Hij slaat dit af, gaat naar huis, wordt daar overvallen en belandt in het ziekenhuis. Door een Turk? Daar lijken aanwijzingen voor. Zou het kunnen zijn dat Halina haar echtgenoot Khalid heeft verteld dat die sigarenhandelaar er warmpjes bij zit, exotische reizen wil maken die hij contant zou kunnen betalen. Als de politie Khalid verdenkt, die al wat op zijn kerfstok heeft, zegt Wedigh zich geen gezichten te kunnen herinneren.
Eenmaal thuis gaat hij nog eens naar het Hilton en drinkt daar meer dan zijn gewoonte is met een dame aan wie hij van alles vertelt. Die episode maakt duidelijk dat hij alleen is en behoefte heeft aan contact. Een dag of een paar dagen later zoekt Puck hem op om te zien hoe het hem na die overval gaat. Pas als ze de deur weer uit is, roept hij haar terug: ‘We zouden toch nog iets gaan drinken?’ Hij kijkt haar nog eens aan; ze kan er heel goed mee door. Ze spreken voor dezelfde avond af bij het Hilton Hotel.
Zo kan de structuur van een verhaal zijn. Degene die zelf een verhaal wil schrijven is nog even ver als eerst. Je kunt ook vrijwel aan het eind beginnen en heel veel in flashbacks vertellen. Ik vraag me af of de schrijver bewust de structuur kiest of dat het verhaal een structuur kiest die zich aan de schrijver opdringt.

Beknopt of uitgesponnen schrijven

31 jan

handschriftIn de cursussen die ik geef komen weleens vragen op over beknopt of uitgesponnen schrijven. Kort of lang? Een vrijwel onmogelijke vraag, want het gaat om twee begrippen die je niet zomaar kunt definiëren. De eigenlijke vraag zou kunnen zijn: boeit wat ik heb geschreven, of niet? Vertel ik genoeg of teveel, laat ik in een scène zien waar het echt om gaat? Met zulke vragen komen we dichter in de buurt.
Ik had een korte tekst in gedachten die misschien wel tegelijkertijd te lang én te kort was, terwijl ik aan het lezen was in Ian McEwan, Boetekleed. Eerst een vrije impressie van de tekst die een cursist schreef:
“Frits had zich die morgen gewassen, geschoren en keek nog even in de spiegel: met zijn pas geknipte haar zag hij er prima uit. Het was nog vroeg. De ochtend liet genoeg tijd over om rustig naar zijn werk te rijden. Het was een halfuurtje naar het gebouw van zijn nieuwe baan, hij zou tijd genoeg hebben om te parkeren. Zijn auto stond in de parkeergarage recht onder de flat waar hij sinds kort woonde. Hij nam de lift en drukte de P in. Eenmaal bij de receptie van het bankfiliaal werd een medewerker  gebeld die hem naar de afdeling begeleidde. Na een rondje voorstellen kreeg hij uitleg over de werking van het computersysteem, hoe in te loggen en wat zijn eigen e-mailadres zou zijn. Nu voelde hij zich echt deel van het team.”
In betrekkelijk weinig woorden krijg je een beeld van wat er die ochtend in pakweg anderhalf uur gebeurde.
Ian McEwan beschrijft hoe Cecilia in opdracht van haar moeder een vaas met wilde bloemen zal vullen om die op de kamer van een van de gasten te zetten. Hij neemt de tijd. Hij laat ons Cecilia zien en hoe ze staat tegenover Robbie, de zoon van een vrouw die in een huisje op het landgoed woont: “Hier te blijven hangen, verveeld en gerieflijk, was een vorm van zelfkastijding met een vleugje genot of de verwachting daarvan; als ze wegging gebeurde er misschien iets naars, of erger nog, iets leuks, iets wat ze zich niet kon veroorloven te missen. En dan was er nog Robbie, die haar ergerde met zijn vertoon van afstandelijkheid en zijn grootse plannen die hij alleen met haar vader wilde bespreken. Ze kenden elkaar al vanaf hun zevende, zij en Robbie, en het stoorde haar dat ze niet op hun gemak waren als ze praatten. Ook al vond ze dat grotendeels zijn schuld – kon zijn cum laude hem naar het hoofd gestegen zijn? – ze wist dat dit iets was wat ze moest ophelderen voordat ze overwoog om weg te gaan.” Dan gaat ze naar haar kamer om de vaas met bloemen te vullen. Vervolgens wordt de vertelling onderbroken door het verhaal dat met de vaas is verbonden. De overleden oom en enige verwant van haar vader heeft die vaas in Frankrijk gekregen, uit dankbaarheid omdat hij tientallen mensen het leven had gered. Het is een kostbare vaas van Meissner porselein. Met zoveel nadruk op de vaas, begin je als lezer ongerust te worden; is dit de inleiding tot een ongeluk met de vaas? McEwan gaat verder met Cecilia, die nu water in de vaas moet doen. Zij overweegt intussen van alles, haar verblijf hier in het ouderlijk huis, haar broer en een vriend, Robbie… De meest logische plek zou de keuken zijn, maar daar is de kokkin bezig en van een afstand is al te horen dat die in een vreselijk humeur is. Ze zou naar de vijver kunnen gaan, hoewel Robbie daar staat, en daar heeft ze geen zin in. Al die overwegingen worden onderbroken door een vervolg op de geschiedenis van de vaas. Iemand die in een museum werkte vermoedde dat de vaas bij Sotheby een hoop geld zou opleveren. Haar vader vond dat de vaas gewoon gebruikt moest worden uit eerbetoon aan zijn broer. Uiteindelijk gaat Cecilia toch naar de vijver.
McEwan vertraagt in dit gedeelte sterk: het kost je meer tijd om te lezen hoe Cecilia de bloemen in de vaas schikt en water toevoegt, dan de tijd die dit in de werkelijkheid heeft gekost. Maar goed, daarna zit er niet alleen water in de vaas, maar weet je als lezer een stuk meer van wat er in Cecilia omgaat, en hoe verschillende verhoudingen thuis liggen. Behalve dat ligt er over de hele episode de dreiging dat er iets misgaat met die vaas. Er is niet gezegd dat er iets zal gebeuren, maar alle aandacht ervoor, maakt je als lezer gevoelig voor het lot van de vaas.

Ik denk dat het verschil tussen de man op dag één van zijn nieuwe baan en Cecilia dit is: Als lezer zitten we niet alleen dicht op de huid van Cecilia, we zitten er als het ware onder. Van Frits weten we niets. Behalve dan dat hij zich door het e-mailadres deel voelt van het team. Daardoor missen elementen als tijd genoeg, het feit dat de parkeergarage onder de flat is gelegen en dat hij de lift neemt, een lading die ze interessant kunnen maken. Als we die ochtend met Frits sterk zouden meebeleven, dan kan de scène moeiteloos worden uitgebreid. Hij is misschien wel onzeker op die eerste dag, verwisselt een paar keer van overhemd en stropdas. Kleine dingen die op zichzelf banaal zijn, maar inzicht kunnen geven in het personage. Al die tijd zou hij kunnen denken aan vorige wel of niet goed uitgepakte banen, en wat deze nieuwe stap voor zijn leven kan betekenen. Zonder die insteek zou je de gang van Frits van huis tot aan zijn plek achter het beeldscherm nog aanzienlijk kunnen bekorten.
Cecilia die een vaas vult krijgt bij McEwan ettelijke pagina’s. Het gaat in dit geval echter niet om die simpele handeling, het gaat om Cecilia en al de dingen die voor haar belangrijk zijn. De handeling is van ondergeschikt belang, ook al loopt deze episode uit de roman uiteindelijk heel verrassend af.
Conclusie? Of handelingen meer of minder belangrijk zijn, ligt aan het personage. Als het voor hem of haar van belang is, moet je het de aandacht geven die het verdient. Die samenhang moet de lezer duidelijk zijn. Wat dat aangaat kan het stukje over Frits en zijn nieuwe baan zowel korter als langer  zijn. Als startend schrijver kun je beide in verschillende versies uitproberen.

Hoe ging Kundera te werk? De ondraaglijke lichtheid van het bestaan.

4 dec

In De kunst van de roman noemt Kundera een paar keer zijn roman De ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Ik had het boek gelezen, misschien wel 25 jaar geleden en natuurlijk stond het me niet meer in alle details voor de geest.
Nu ik het weer las, was het ook met een oog voor zijn manier van werken. Opvallend vond ik de vorm. De roman beslaat 355 pagina’s verdeeld over zeven delen die elk een flink aantal hoofdstukken bevatten, in het totaal 146. Dat betekent dat een hoofdstuk gemiddeld nog geen 2,5 pagina lang is. Een andere schrijver zou misschien witregels hebben gebruikt. Het effect is hier wel dat de hoofdstukjes als scènes blijven hangen en dat je als lezer grotere momenten van rust krijgt. Terwijl je naar de volgende pagina gaat om aan het komende hoofdstuk te beginnen, heb je een moment van reflectie.

De roman speelt vanaf 1968, waarin Tsjecho-Slowakije koos voor een menselijke variant van het communisme, niet lang daarna gevolgd door de Russische inval met veel tanks, en de tijd waarin de totalitaire klok flink werd teruggedraaid. Tegen die achtergrond volgen we twee paren: de chirurg Tomas en de serveerster, later fotografe Teresa, en Sabine, aanvankelijk minnares van Tomas, later van Franz die weer later -weg van zijn vrouw- een relatie krijgt met een jonge bebrilde studente.

Een uittreksel geven van de inhoud doet de roman tekort. Ik zal maar twee elementen noemen: de relatie tussen Tomas, die verslaafd is aan vluchtige erotische contacten, en Teresa die daar de nodige moeite mee heeft, maar hoe hij toch heel veel voor haar opgeeft en langzaam maatschappelijk daalt, en merkt dat dit juist geen invloed heeft op zijn gevoel van welbevinden. Het tweede element is het algemeen menselijke gedrag in een samenleving waarin agenten, spionnen en procedures tegen intellectuelen aan de orde van de dag zijn. Om hun positie te behouden moeten zij verklaringen van trouw aan het regime tekenen en de trouw aan hun geweten vaarwel zeggen.

Terug naar de vorm: Kundera maakt gebruik van een duidelijk aanwezige alwetende verteller die zich als “ik” presenteert. Nu eens is de verteller dichtbij het ene personage, dan weer het volgende; de lezer ervaart wel wat het personage denkt, maar niet vanuit het personage. Niet in de zin dat je de wereld ziet door de ogen en oren van dat personage. De verteller reflecteert regelmatig op de daden van zijn personages en zegt dingen als (over Tomas) ‘desondanks vind ik de felheid van zijn beslissing merkwaardig’. Door zulke reflecties maakt de verteller duidelijk dat hij zijn eigen positie blijft innemen. Ook is hij aanwezig door zinnen als: ‘We keren terug naar het moment dat we al kennen…’
De tijd verspringt doordat we nu eens Tomas volgen, dan weer Sabine of Franz, en dan weer Teresa. In sommige gevallen maken we dezelfde gebeurtenissen mee gezien door verschillende personages. Er zijn ook momenten waarin de verteller de tijd neemt voor zijn eigen bespiegelingen. Zoals de rol van het toeval: er zijn wel zes toevallige omstandigheden aan te wijzen die er toe leidden dat Tomas en Teresa samenkwamen. Hoe indringend is zo’n gebeurtenis als hij zo toevallig tot stand komt? En omdat je maar één leven hebt zul je nooit weten wat er gebeurd zou zijn als je op een bepaald moment iets anders had gedaan. Hetzelfde gaat op, zegt de verteller in een overpeinzing, voor landen. Hoe zou Tsjechië eruit hebben gezien als boze burgers niet een aantal raadsheren uit het raam van het stadhuis hadden gegooid (wat uiteindelijk tot oorlog en onderdrukking leidde). We zullen het nooit weten, want ook elk land heeft maar één geschiedenis.

Het feit dat je leeft maar dat je leven ook zomaar anders hadden kunnen zijn, zou je een gevoel van lichtheid kunnen geven. Of dat een zware lichtheid is of niet, daarop komt de verteller meerdere keren terug. In de veelheid van bespiegelingen komt ook God aan bod. Als de mens is gemaakt naar het evenbeeld van God, dan moet God ook darmen hebben en alle consequenties daarvan, een poepende God. Als je daar niet aan wilt dan is de mens dus niet het evenbeeld van God.

Kundera heeft duidelijk een studie gemaakt van de geschiedenis van zijn land, hij heeft een belangrijke periode zelf meegemaakt – hij was tot 1975 in Tsjecho-Slowakije, en verhuisde daarna naar Parijs. Aan de roman verbindt hij een sterke filosofische component, wat hij bereikt door een alwetende verteller, die zich soms rechtstreeks tot de lezer richt. Tegen de achtergrond van de geschiedenis die via de media is te volgen, plaatst hij personages met hun eigen levens in voor- en tegenspoed.