Tag Archives: Langere verhalen

Goran Tunström, De dief

30 aug

Goran Tunstrom_De dief_182x292De schrijver en het boek waren nieuw voor mij. Als kind keek ik al naar de uitgeverij als een eerste steuntje, ik had met plezier sommige boeken van Kluitman gelezen en boeken van dezelfde uitgever begonnen daarom met een plusje. Nu zijn het de literaire uitgevers die dat plusje hebben en De Bezige Bij hoort erbij. De flaptekst sprak me aan en een stukje uit NRC dat trots op de omslag stond: ‘De dief heeft alles wat een leeslustige van een dikke roman verlangt: liefde, ongeluk, geestige toon, geleerdheid, spanning. Het type boek dat je zelfs op de fiets niet weg wilt leggen.’

Ik werd niet teleurgesteld. Het boek begint met een man die nooit iets onbehoorlijks gedaan had, aangezien hij nooit ook maar iets gedaan had. Het is een nietsnut en juist deze Fredrik ontmoet het argeloze schoolmeisje Ida. Op bladzijde elf denkt zij ‘dat ze iemand die zo vriendelijk is maar eens over zijn wang moet strijken.’ En na een witregel lezen we: ‘Het moeten merkwaardige liefkozingen zijn geweest, want een paar weken later begon Ida over te geven.’ Aan de andere kant van de badkamerdeur staan haar ouders en de broer die voor dominee studeert en die degene is die haar het huis uitgooit omdat ze zijn goede naam heeft bevlekt. Waarna een vreselijk huwelijk begint. Het zou ook vreselijk lezen kunnen zijn, ware het niet dat Tunströms toon je regelmatig doet glimlachen waardoor de geschiedenis weliswaar niet vrolijker wordt, maar ontkomt aan de zwaarte die het makkelijk had kunnen hebben. Ze komen te wonen in het huis van zijn disfunctionele ouders, als geschenk krijgen ze Johan die Ida ruimhartig accepteert. In de loop van de tijd ontstaat er een band tussen Johan en zijn halfzusje Hedvig. Op basis van die dramatische verhouding zou je het boek een liefdesverhaal kunnen noemen. Maar er is veel meer. In de eerste plaats zijn er talloze bijfiguren en hun verhalen, verhalen die zo kleurrijk zijn dat je ze beslist niet wilt overslaan. In een van die verhalen hoort Johan van een Gotische, in zilver gebonden bijbel die ooit door een verre voorvader gered zou zijn. Hij voelt zich ermee verbonden, hem stelen zou niet honderd procent stelen zijn en het zou hem rijk genoeg maken om aan Hedvig een mooi bestaan te kunnen bieden. Om in de buurt te komen begint hij te studeren en allengs klimt hij hogerop in de wereld van oude handschriften. Vanzelfsprekend is dit allerminst voor iemand met een vader die nergens voor deugt en aan de drank is, en broers die voor galg en rad opgroeien.

Interessant is het dat Tunström de roman is begonnen als een verhaal vanuit verschillende personages en dat hij op bladzijde 157 een ommezwaai maakt. ‘Dag en nacht ben ik, die ze Johannes van de Kruik noemen, met een gevoel van haast bezig geweest mijn levensverhaal op te schrijven. Ik heb geprobeerd afstand tot mijzelf te bewaren door over mijzelf in de derde persoon te schrijven. Dat is niet langer mogelijk. Immers, die belachelijke figuur die over Hedvig gebogen staat in de overtuiging dat hij haar in de wereld van de conventies kan teruglokken, dat ben ik.’

De meeste schrijvers zie je zulke veranderingen niet doorvoeren en in het algemeen wordt gedacht dat je een perspectief kiest en daarbij moet blijven. Ik vind het prikkelend om te zien dat een auteur afstapt van dat dogma. Niet dat ik daarmee voorstander wordt van een vorm die zomaar alle kanten uitgaat. Tunström laat zijn personage met een duidelijke verklaring komen en houdt zich daarmee aan een andere regel, namelijk dat je van alles mag laten gebeuren in je verhaal, zolang je weet te verkopen dat het onwaarschijnlijke wél geloofwaardig is, onder deze omstandigheden, en gegeven de karakters van deze personages. In De dief zijn de personages geen alledaagse mensen, al hebben ze herkenbaren verlangens en gevoelens. Een korte inhoud doet een roman altijd tekort en in dit geval gebeurt er zoveel dat er geen beginnen aan is. Eén uitzondering: in Ravenna vindt Johan een belangrijk oud Gotisch handschrift. Dat dit in zijn geheel in de roman opgenomen is, past in de lust, de passie voor verhalen van Tunström. Als lezer laat je je meeslepen en denk je nooit, hou je nu eens aan de hoofdlijn. Dat komt door de aanstekelijke manier van schrijven. Inderdaad, je zou al fietsend nog door willen lezen.

W.H. Auden, Brieven uit IJsland

9 mei

WH Auden - Brieven uit IJsland-191x299pxAls je dit boek rubriceert als reisverhaal, dan is het wel een uitzonderlijke vorm van dit genre. De dichter Auden, op reis met Louis MacNeice, schrijft een ratjetoe aan brieven, gedichten en proza over IJsland, maar ook over de actualiteit, kunst en cultuur. De oorspronkelijke Letters from Iceland werden in 1937 uitgegeven door Faber & Faber, mijn vertaling door Anneke Brassinga stamt uit 1990 en kwam uit bij Veen. De uitgever nam niet het hele werk over maar een ruime keuze.
Centraal staat een brief aan Lord Byron in dichtvorm. Centraal in zoverre dat het gedicht uit vier delen bestaat die over het boek verdeeld zijn, en er de ruggengraat van uitmaken. Het idee om Byron (geboren in 1788) te schrijven getuigt al direct van een speelse fantasie. Daarnaast zijn er twee brieven aan zijn vrouw Erika Mann*, brieven aan E.M. Auden, waarin hij onder andere het leven en de omgeving beschrijft. Zaken die ook voorkomen in een hoofdstuk voor toeristen; waar te logeren, welke boeken vooraf te lezen, etc.
Het is niet alleen een fantasievol spel dat Auden speelt. In de tijd dat hij schrijft bestaat de grote context uit massale werkloosheid in Engeland, de Spaanse burgeroorlog en de opkomst van Hitler. In de brieven komen die kwesties naar voren, net zo goed als de ontwikkeling van wat toen De moderne tijd was. Door fysiek te reizen krijg je afstand om niet gehinderd door alledaagse beslommeringen te kijken naar een vreemde omgeving, maar juist ook naar de omgeving van waaruit je bent vertrokken. Bij Auden is dit alles tot een grote collage geworden. En daarmee tot een van de meest aparte en spannende reisboeken die er te vinden zijn.
Voor de sfeer nog even de flaptekst:
“W.H. Audens familienaam is van IJslandse origine, en dit land heeft hem blijvend gefascineerd. In 1936 reist hij door IJsland met de bevriende dichter en prozaschrijver Louis MacNeice; de bevindingen en belevenissen van dit tweetal zijn vastgelegd in Letters from Iceland, een grillig, origineel en buitengewoon grappig boek met een fascinerende verzameling brieven, gedichten, adviezen voor toeristen, navertelde sagen, citaten uit historische teksten en dagboekfragmenten. Brieven uit IJsland biedt een selectie uit deze Letters en richt zich vooral op de bijdragen hieraan van W.H. Auden.
Als een rode draad door alle ongelijksoortige bouwstenen van het boek loopt Audens lange, lichtvoetige gedicht ‘Letter tot Lord Byron’, een satirische beschouwing over cultuur en over de geneugten en ongemakken van het reizen. Dit gedicht, waaraan Auden gedurende de hele reis met tussenpozen werkt en waarin hij met uitzonderlijk succes Lord Byron heeft nagebootst, is in vier delen in het boek opgenomen. Hieromheen weeft Auden een duizelingwekkend web van teksten waarin zowel aan de dagelijkse realiteit van IJsland en de reis, als aan Audens meer op cultuur en geschiedenis gerichte interesse recht wordt gedaan.”

In de film Away from her leest de echtgenoot van een aan Alzheimer lijdende vrouw voor uit de Letters. Zij hield erg van het boek maar kan het niet meer lezen. Joost de Vries, redacteur van De Groene Amsterdammer, citeerde het bewuste stuk:
‘Isn’t it true however far we’ve wandered into our provinces of persecution, where our regrets accuse, we keep returning back to the common faith from which we’ve all dissented, back to the hands, the feet, the faces? Children are always there and take the hands, even when they are most terrified. Those in love cannot make up their minds to go or stay. Artist and doctor return most often. Only the mad will never, never come back. For doctors keep on worrying while away, in case their skill is suffering or deserted. Lovers have lived so long with giants and elves, they want belief again in their own size. And the artist prays ever so gently, let me find pure all that can happen. Only uniqueness is success. For instance let me perceive the images of history. All that I push away with doubt and travel, today’s and yesterdays alike, like bodies.’

Je zult Brieven uit IJsland niet elke dag tegenkomen, aarzel niet als het je pad kruist, schaf het aan, neem het mee. Mocht je op reis gaan en een verhaal willen schrijven, bedenk dan dat er nog veel meer mogelijkheden zijn dan de voor de hand liggende verhalen voor thuisblijvers of reizigers.

*) De homofiele Auden trouwde Erika Mann, oudste dochter van Thomas Mann, om haar aan een Brits paspoort te helpen. Ze woonden nooit samen maar bleven een leven lang bevriend.

Vertrek en leegte in De bekoring, Hans Münstermann

2 apr

Het is alweer een tijdje terug dat ik iets schreef over de roman waarmee Hans Münstermann in 2006 de AKO-literatuurprijs won. Ik googelde hem nog eens en het eerste wat me trof is dat wij, in verschillende jaren, op dezelfde dag zijn geboren: 16 juni. Hij als echte babyboomer, twee jaar na de bevrijding.
De hoofdpersoon in Münstermanns verhalen, Andreas Klein, heeft heel wat weg van de schrijver zelf. Hij is daar wel content mee. Het maakt dat je als schrijver automatisch de goede toon aanslaat, je hoeft minder te verzinnen en te liegen. Niet iedereen zal het met deze uitspraken eens zijn; er zijn al heel wat discussies gevoerd over het waarheidsgehalte van min of meer autobiografische verhalen, zelfs als de schrijver met de beste bedoelingen begint. Bij Münstermann staat, voor zover ik het weet, alleen vast dat hij en zijn hoofdpersoon op elkaar lijken.
In de bekoring gaat het over het vertrek van Andreas’ moeder. Zij sterft. Weliswaar op leeftijd, maar toch nog vrij plotseling. Dit vertrek, dit verlies, heeft een pendant in het verleden. Toen Andreas een kleine jongen was, is diezelfde moeder precies op zijn verjaardag vertrokken. Met de noorderzon, zou je kunnen zeggen.
Tweemaal een vertrek, een verdwijning. Het zou bijna vreemd zijn als de schrijver die twee gebeurtenissen niet tegenover elkaar stelt. Inderdaad wisselt Münstermann voortdurend tussen het verlies van nu en de onbegrijpelijke leegte van toen. Er zijn de twee tijdlagen: nu is 2004 en toen is 1960. Door op de achtergrond het nieuws van de dag weer te geven kun je de tijd nauwkeurig vaststellen. Of die precisie en de nieuwsfeiten van die momenten werkelijk veel toevoegen is de vraag. In 2004 speelde de afschuwelijke gijzeling en slachtpartij in de school van Beslan en in 1960 werd Lumumba in Congo bij een staatsgreep afgezet. Het is wereldnieuws dat de lezer eerder uit het verhaal trekt of die hem of haar snel over die passages heen doet lezen.
Er zijn twee of drie perspectieven. Ten eerste dat van Andreas die een jaar of twaalf was toen zijn moeder een koffertje pakte en verdween. Hij is in 2004 44 jaar ouder, maar die gebeurtenis, de verdwijning van zijn moeder, is hem altijd bijgebleven. Het tweede perspectief is dat van de moeder, Marianne. Het kan ook zijn dat dit in feite een reconstructie is in het hoofd van Andreas. Dit kan, maar ik hou het toch maar op het perspectief van de moeder, waaruit de lezer een beeld krijgt van een verstikkend huwelijk en de tijd voordat de vrijheden van de jaren zestig doorbraken.
Het derde perspectief is dat van de architect die de stadswijk waarin de familie woonde, heeft gebouwd. Andreas is bezig een boek over hem te schrijven, is daarin een beetje vastgelopen en besluit hem een andere rol te geven. De architect is trouwens een bestaande figuur, J.C. van Epen die in december 1960 overleed. Münstermann laat hem, ziek en wel uit bed komen om Marianne op haar vlucht te volgen. Hij kan er niet bij dat iemand uit de huizen die hij vol idealisme bouwde, zou vluchten.
Het verhaal gaat in de hij/zij-vorm en in de tegenwoordige tijd. Af en toe lijkt de auteur een explicateur. Een voorbeeld daarvan in de eerste regels:
Hij is thuisgekomen van de bakker, samen met zijn zoon, en ze zijn naar binnen gestapt door de openstaande voordeur, want het is lekker weer.
‘Ik moet je iets ergs vertellen.’
Zie hoe zijn vrouw daar staat en dit zegt: midden in de kamer, handen op de rug.
Als schrijver zou je, en de meeste schrijvers doen dat, gewoon beschrijven hoe de vrouw er staat. Dit heeft dus meer iets van een explicateur, volgens Van Dale: persoon die toelichtingen gaf (m.n. bij een stomme film).
Inhoudelijk gaat het over een moeder zoon relatie en over een vrouw die het vijftiger jarenmilieu ontvlucht, om uiteindelijk ook elders niet gelukkig te worden. En uiteraard gaat het over verlies, waarbij het verlies door verlating en door het definitieve vertrek uit het leven, tegenover elkaar worden gesteld.

Structuur

16 mrt

Je kunt, en vroeger op school moest je zulke dingen ook, een verhaal bekijken op perspectief, het tijdsverloop en de Nelleke Noordervliet, Veeg tekenplot. Alles bij elkaar zou je over structuur kunnen praten; hoe zit het verhaal, de novelle of roman in elkaar?

Tijdens de cursus van afgelopen maandag hadden we het over de plot. Ik verbond plot en personage. In verreweg de meeste verhalen wil het personage iets, of er overkomt hem of haar iets. Vervolgens…. Zolang iemand “wunschlos glücklich” is, valt er niets te vertellen. Pas als het personage iets in zijn of haar leven wil veranderen begint het verhaal. Hij of zij onderneemt iets, handig of niet, en de resultaten zijn er naar; goed slecht of een beetje goed. Uiteindelijk wordt het doel bereikt, of niet. In het ergste geval is ons personage er aan het eind nog slechter aan toe dan aan het begin. De hele logische serie van oorzaken en gevolgen maakt deel uit van de plot.
Maar, was op de valreep een vraag, hoe zit het met de structuur? Waar begin je bijvoorbeeld? Goeie vraag, en het antwoord is een stuk minder eenvoudig. Er is ook niet één antwoord. Je zou een verhaal kunnen uitpluizen en dat ga ik ook doen, maar wat je ziet is een mogelijkheid. Bij het volgende verhaal zie je weer een andere mogelijkheid. Dus? Misschien maar erg veel verhalen lezen en je gedachten laten gaan over de vraag hoe de schrijver het deze keer heeft aangepakt.

Hoe zit de novelle van Nelleke Noordervliet, Miss Blanche in elkaar. Ik heb het net herlezen, het is niet al te lang of ingewikkeld. In de bundel Veeg teken, waarin drie novellen bijeen zijn gebracht, beslaat het verhaal 91 bladzijden. De hoofdpersoon, Herman Hillebrand Wedigh is een 68-jarige sigarenhandelaar aan de Schieweg in Rotterdam. Het is een kleine winkel die in de loop van de jaren versloft en verstoft is. Zijn vrouw Gerda is al jaren dood. Hij heeft een vrij rimpelloos bestaan tot hij bij het vegen van het straatje voor de deur, tegen een Turkse aanbotst. ‘Hé, ouwe lul, kijk een beetje uit!’ roept ze. Hij kijkt haar aan, kijkt in haar grote amandelvormige ogen en is verloren. (Dit klopt helemaal met het idee dat het verhaal begint op het moment dat het personage iets wil. Wat hij wil is wel niet helemaal benoemd, maar zijn gezapige leventje tot nu toe, voldoet niet meer.) Als hij ze later nog eens ziet, volgt hij haar en ziet haar nog net ergens naar binnen gaan. Khalid staat er op de deur. De kans dat dit plot in een sprookje zal eindigen is klein. Zij is misschien veertig jaar jonger en je kan niet zeggen dat ze direct van hem gecharmeerd was. We volgen het verhaal vanuit het perspectief van Wedigh. Als lezer heb je een wat ruimere kijk op de omstandigheden en zodoende ga je niet mee in zijn dromen, die trouwens vrij vaag blijven. Noordervliet is geen McEwan die heel dicht op het personage zit, onder diens huid. Zij blijft wat meer op een afstand, al krijgt het personage in de loop van het verhaal duidelijke contouren. Het verhaal begint met een goed neergezette beschrijving van Wedigh, gevolgd door een plaatsbepaling die vooral voor Rotterdammers heel herkenbaar is. Het verhaal wordt chronologisch verteld. Hij weet niet hoe de Turkse heet, ook Khalid is niet honderd procent zeker, maar hij verzint een voornaam voor haar, Halina. Intussen gaat zijn leven door, zij het met kleine veranderingen. Dat is misschien wel de oorzaak dat hij naar een vergadering van de wijkraad gaat, waar hij Joop, oud-vakbondsman, ontmoet, die hem vraagt of hij dit jaar wil optreden als Sinterklaas. Een paar weken later zal hij het pak komen afleveren. Eén van Wedighs kleine uitspattingen is dat hij af en toe naar het Hilton hotel wandelt en daar een glas bier drinkt in de bar. Hij doet daar alsof hij een internationaal tabakshandelaar is. Tijdens het eerste bezoek binnen het verhaal gebeurt daar iets merkwaardigs en Wedigh denkt dat dit het gevolg is van de ontmoeting met Halina, dat de goden hem tekenen geven.
Op een regenachtige dag komt ze voorbij zijn winkel, hij doet de winkel op slot en volgt haar. Dan ziet hij haar in een helder verlicht reisbureau. Hij gaat er binnen en begint naar dure reizen te informeren. Ver boven zijn stand. Hij gaat uiteindelijk met een Australië-folder de deur uit.
De sinterklaasweek breekt aan, hij heeft verschillende optredens, en omdat de bisschop uit het Turkse Myra afkomstig is, lijkt het de organisatie een goed plan die gemeenschap in het feest te betrekken. Zijn contact met de organisatie is de gepensioneerde kleuterleidster, Puck. In zijn sinterklaasrol ontmoet hij “Halina” weer, ditmaal met een gehandicapt zoontje Orhan. Zij herkent hem niet. Aan het eind van de dag stelt Puck voor samen iets te drinken en een praatje te hebben over het evenement. Hij slaat dit af, gaat naar huis, wordt daar overvallen en belandt in het ziekenhuis. Door een Turk? Daar lijken aanwijzingen voor. Zou het kunnen zijn dat Halina haar echtgenoot Khalid heeft verteld dat die sigarenhandelaar er warmpjes bij zit, exotische reizen wil maken die hij contant zou kunnen betalen. Als de politie Khalid verdenkt, die al wat op zijn kerfstok heeft, zegt Wedigh zich geen gezichten te kunnen herinneren.
Eenmaal thuis gaat hij nog eens naar het Hilton en drinkt daar meer dan zijn gewoonte is met een dame aan wie hij van alles vertelt. Die episode maakt duidelijk dat hij alleen is en behoefte heeft aan contact. Een dag of een paar dagen later zoekt Puck hem op om te zien hoe het hem na die overval gaat. Pas als ze de deur weer uit is, roept hij haar terug: ‘We zouden toch nog iets gaan drinken?’ Hij kijkt haar nog eens aan; ze kan er heel goed mee door. Ze spreken voor dezelfde avond af bij het Hilton Hotel.
Zo kan de structuur van een verhaal zijn. Degene die zelf een verhaal wil schrijven is nog even ver als eerst. Je kunt ook vrijwel aan het eind beginnen en heel veel in flashbacks vertellen. Ik vraag me af of de schrijver bewust de structuur kiest of dat het verhaal een structuur kiest die zich aan de schrijver opdringt.

Beknopt of uitgesponnen schrijven

31 jan

handschriftIn de cursussen die ik geef komen weleens vragen op over beknopt of uitgesponnen schrijven. Kort of lang? Een vrijwel onmogelijke vraag, want het gaat om twee begrippen die je niet zomaar kunt definiëren. De eigenlijke vraag zou kunnen zijn: boeit wat ik heb geschreven, of niet? Vertel ik genoeg of teveel, laat ik in een scène zien waar het echt om gaat? Met zulke vragen komen we dichter in de buurt.
Ik had een korte tekst in gedachten die misschien wel tegelijkertijd te lang én te kort was, terwijl ik aan het lezen was in Ian McEwan, Boetekleed. Eerst een vrije impressie van de tekst die een cursist schreef:
“Frits had zich die morgen gewassen, geschoren en keek nog even in de spiegel: met zijn pas geknipte haar zag hij er prima uit. Het was nog vroeg. De ochtend liet genoeg tijd over om rustig naar zijn werk te rijden. Het was een halfuurtje naar het gebouw van zijn nieuwe baan, hij zou tijd genoeg hebben om te parkeren. Zijn auto stond in de parkeergarage recht onder de flat waar hij sinds kort woonde. Hij nam de lift en drukte de P in. Eenmaal bij de receptie van het bankfiliaal werd een medewerker  gebeld die hem naar de afdeling begeleidde. Na een rondje voorstellen kreeg hij uitleg over de werking van het computersysteem, hoe in te loggen en wat zijn eigen e-mailadres zou zijn. Nu voelde hij zich echt deel van het team.”
In betrekkelijk weinig woorden krijg je een beeld van wat er die ochtend in pakweg anderhalf uur gebeurde.
Ian McEwan beschrijft hoe Cecilia in opdracht van haar moeder een vaas met wilde bloemen zal vullen om die op de kamer van een van de gasten te zetten. Hij neemt de tijd. Hij laat ons Cecilia zien en hoe ze staat tegenover Robbie, de zoon van een vrouw die in een huisje op het landgoed woont: “Hier te blijven hangen, verveeld en gerieflijk, was een vorm van zelfkastijding met een vleugje genot of de verwachting daarvan; als ze wegging gebeurde er misschien iets naars, of erger nog, iets leuks, iets wat ze zich niet kon veroorloven te missen. En dan was er nog Robbie, die haar ergerde met zijn vertoon van afstandelijkheid en zijn grootse plannen die hij alleen met haar vader wilde bespreken. Ze kenden elkaar al vanaf hun zevende, zij en Robbie, en het stoorde haar dat ze niet op hun gemak waren als ze praatten. Ook al vond ze dat grotendeels zijn schuld – kon zijn cum laude hem naar het hoofd gestegen zijn? – ze wist dat dit iets was wat ze moest ophelderen voordat ze overwoog om weg te gaan.” Dan gaat ze naar haar kamer om de vaas met bloemen te vullen. Vervolgens wordt de vertelling onderbroken door het verhaal dat met de vaas is verbonden. De overleden oom en enige verwant van haar vader heeft die vaas in Frankrijk gekregen, uit dankbaarheid omdat hij tientallen mensen het leven had gered. Het is een kostbare vaas van Meissner porselein. Met zoveel nadruk op de vaas, begin je als lezer ongerust te worden; is dit de inleiding tot een ongeluk met de vaas? McEwan gaat verder met Cecilia, die nu water in de vaas moet doen. Zij overweegt intussen van alles, haar verblijf hier in het ouderlijk huis, haar broer en een vriend, Robbie… De meest logische plek zou de keuken zijn, maar daar is de kokkin bezig en van een afstand is al te horen dat die in een vreselijk humeur is. Ze zou naar de vijver kunnen gaan, hoewel Robbie daar staat, en daar heeft ze geen zin in. Al die overwegingen worden onderbroken door een vervolg op de geschiedenis van de vaas. Iemand die in een museum werkte vermoedde dat de vaas bij Sotheby een hoop geld zou opleveren. Haar vader vond dat de vaas gewoon gebruikt moest worden uit eerbetoon aan zijn broer. Uiteindelijk gaat Cecilia toch naar de vijver.
McEwan vertraagt in dit gedeelte sterk: het kost je meer tijd om te lezen hoe Cecilia de bloemen in de vaas schikt en water toevoegt, dan de tijd die dit in de werkelijkheid heeft gekost. Maar goed, daarna zit er niet alleen water in de vaas, maar weet je als lezer een stuk meer van wat er in Cecilia omgaat, en hoe verschillende verhoudingen thuis liggen. Behalve dat ligt er over de hele episode de dreiging dat er iets misgaat met die vaas. Er is niet gezegd dat er iets zal gebeuren, maar alle aandacht ervoor, maakt je als lezer gevoelig voor het lot van de vaas.

Ik denk dat het verschil tussen de man op dag één van zijn nieuwe baan en Cecilia dit is: Als lezer zitten we niet alleen dicht op de huid van Cecilia, we zitten er als het ware onder. Van Frits weten we niets. Behalve dan dat hij zich door het e-mailadres deel voelt van het team. Daardoor missen elementen als tijd genoeg, het feit dat de parkeergarage onder de flat is gelegen en dat hij de lift neemt, een lading die ze interessant kunnen maken. Als we die ochtend met Frits sterk zouden meebeleven, dan kan de scène moeiteloos worden uitgebreid. Hij is misschien wel onzeker op die eerste dag, verwisselt een paar keer van overhemd en stropdas. Kleine dingen die op zichzelf banaal zijn, maar inzicht kunnen geven in het personage. Al die tijd zou hij kunnen denken aan vorige wel of niet goed uitgepakte banen, en wat deze nieuwe stap voor zijn leven kan betekenen. Zonder die insteek zou je de gang van Frits van huis tot aan zijn plek achter het beeldscherm nog aanzienlijk kunnen bekorten.
Cecilia die een vaas vult krijgt bij McEwan ettelijke pagina’s. Het gaat in dit geval echter niet om die simpele handeling, het gaat om Cecilia en al de dingen die voor haar belangrijk zijn. De handeling is van ondergeschikt belang, ook al loopt deze episode uit de roman uiteindelijk heel verrassend af.
Conclusie? Of handelingen meer of minder belangrijk zijn, ligt aan het personage. Als het voor hem of haar van belang is, moet je het de aandacht geven die het verdient. Die samenhang moet de lezer duidelijk zijn. Wat dat aangaat kan het stukje over Frits en zijn nieuwe baan zowel korter als langer  zijn. Als startend schrijver kun je beide in verschillende versies uitproberen.

Hoe ging Kundera te werk? De ondraaglijke lichtheid van het bestaan.

4 dec

In De kunst van de roman noemt Kundera een paar keer zijn roman De ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Ik had het boek gelezen, misschien wel 25 jaar geleden en natuurlijk stond het me niet meer in alle details voor de geest.
Nu ik het weer las, was het ook met een oog voor zijn manier van werken. Opvallend vond ik de vorm. De roman beslaat 355 pagina’s verdeeld over zeven delen die elk een flink aantal hoofdstukken bevatten, in het totaal 146. Dat betekent dat een hoofdstuk gemiddeld nog geen 2,5 pagina lang is. Een andere schrijver zou misschien witregels hebben gebruikt. Het effect is hier wel dat de hoofdstukjes als scènes blijven hangen en dat je als lezer grotere momenten van rust krijgt. Terwijl je naar de volgende pagina gaat om aan het komende hoofdstuk te beginnen, heb je een moment van reflectie.

De roman speelt vanaf 1968, waarin Tsjecho-Slowakije koos voor een menselijke variant van het communisme, niet lang daarna gevolgd door de Russische inval met veel tanks, en de tijd waarin de totalitaire klok flink werd teruggedraaid. Tegen die achtergrond volgen we twee paren: de chirurg Tomas en de serveerster, later fotografe Teresa, en Sabine, aanvankelijk minnares van Tomas, later van Franz die weer later -weg van zijn vrouw- een relatie krijgt met een jonge bebrilde studente.

Een uittreksel geven van de inhoud doet de roman tekort. Ik zal maar twee elementen noemen: de relatie tussen Tomas, die verslaafd is aan vluchtige erotische contacten, en Teresa die daar de nodige moeite mee heeft, maar hoe hij toch heel veel voor haar opgeeft en langzaam maatschappelijk daalt, en merkt dat dit juist geen invloed heeft op zijn gevoel van welbevinden. Het tweede element is het algemeen menselijke gedrag in een samenleving waarin agenten, spionnen en procedures tegen intellectuelen aan de orde van de dag zijn. Om hun positie te behouden moeten zij verklaringen van trouw aan het regime tekenen en de trouw aan hun geweten vaarwel zeggen.

Terug naar de vorm: Kundera maakt gebruik van een duidelijk aanwezige alwetende verteller die zich als “ik” presenteert. Nu eens is de verteller dichtbij het ene personage, dan weer het volgende; de lezer ervaart wel wat het personage denkt, maar niet vanuit het personage. Niet in de zin dat je de wereld ziet door de ogen en oren van dat personage. De verteller reflecteert regelmatig op de daden van zijn personages en zegt dingen als (over Tomas) ‘desondanks vind ik de felheid van zijn beslissing merkwaardig’. Door zulke reflecties maakt de verteller duidelijk dat hij zijn eigen positie blijft innemen. Ook is hij aanwezig door zinnen als: ‘We keren terug naar het moment dat we al kennen…’
De tijd verspringt doordat we nu eens Tomas volgen, dan weer Sabine of Franz, en dan weer Teresa. In sommige gevallen maken we dezelfde gebeurtenissen mee gezien door verschillende personages. Er zijn ook momenten waarin de verteller de tijd neemt voor zijn eigen bespiegelingen. Zoals de rol van het toeval: er zijn wel zes toevallige omstandigheden aan te wijzen die er toe leidden dat Tomas en Teresa samenkwamen. Hoe indringend is zo’n gebeurtenis als hij zo toevallig tot stand komt? En omdat je maar één leven hebt zul je nooit weten wat er gebeurd zou zijn als je op een bepaald moment iets anders had gedaan. Hetzelfde gaat op, zegt de verteller in een overpeinzing, voor landen. Hoe zou Tsjechië eruit hebben gezien als boze burgers niet een aantal raadsheren uit het raam van het stadhuis hadden gegooid (wat uiteindelijk tot oorlog en onderdrukking leidde). We zullen het nooit weten, want ook elk land heeft maar één geschiedenis.

Het feit dat je leeft maar dat je leven ook zomaar anders hadden kunnen zijn, zou je een gevoel van lichtheid kunnen geven. Of dat een zware lichtheid is of niet, daarop komt de verteller meerdere keren terug. In de veelheid van bespiegelingen komt ook God aan bod. Als de mens is gemaakt naar het evenbeeld van God, dan moet God ook darmen hebben en alle consequenties daarvan, een poepende God. Als je daar niet aan wilt dan is de mens dus niet het evenbeeld van God.

Kundera heeft duidelijk een studie gemaakt van de geschiedenis van zijn land, hij heeft een belangrijke periode zelf meegemaakt – hij was tot 1975 in Tsjecho-Slowakije, en verhuisde daarna naar Parijs. Aan de roman verbindt hij een sterke filosofische component, wat hij bereikt door een alwetende verteller, die zich soms rechtstreeks tot de lezer richt. Tegen de achtergrond van de geschiedenis die via de media is te volgen, plaatst hij personages met hun eigen levens in voor- en tegenspoed.