Tag Archives: roman

Adriaan van Dis, Ik kom terug

30 nov

Adriaan van Dis - Ik kom terug_195x290Er zit een dreiging in de titel, enigszins versterkt door de tekening van een weinig genaakbare vrouw die uit urn en spade opstijgt.
Ik kom terug bevat het relaas van de schrijver, die voor een goed deel met de ik lijkt samen te vallen, over de laatste periode van en met zijn moeder. Het is meer dan dat en het is fictie, aangeduid met het woord roman. Van Dis probeert, nu het nog net kan, te weten te komen wie zijn moeder is. Zoals van een schrijver te verwachten is, bedoelt hij van haar leven een verhaal te maken. Met die gedachte verzamelt hij feiten en informatie. Dat verhaal is echter niet de inhoud van deze roman. We volgen de schrijver bij het voorwerk, bij zijn pogingen de sluier die zijn moeder altijd over haar leven heeft geworpen stukje bij beetje te lichten. Dat valt helemaal niet mee. Als zij een mededeelzame moeder geweest zou zijn, hoefde hij niet nu te proberen om iets van haar geheimen te weten te komen. Ze is 98 en wel klaar met het leven, meer en meer laat haar lichaam het afweten. Wat ze wil als tegenprestatie voor haar verhalen is een pil die haar de mogelijkheid geeft gerieflijk uit te stappen.

Ik vermoed dat elke lezer een onbekende moeder heeft, al is het alleen maar omdat je de ander nooit volledig kent. Er is dus veel te herkennen hoewel lang niet elke moeder zoveel geheimen met zich meedraagt als moeder Van Dis. Sommige feiten kent de ik wel. Zijn moeder was getrouwd met een legerofficier uit wat nu Indonesië is. Hij heeft een paar gekleurde halfzussen, maar híj is van een andere vader, is wit en draagt een Zeeuwse naam. Ook weet hij dat moeder tijdens de oorlog in een jappenkamp moest zien te overleven. Dit zijn harde feiten, maar wat weet je dan nog. Elke kampbewoonster maakte de werkelijkheid en de vernederingen op een andere manier mee. Weinigen hadden de neiging om die verhalen en de emoties van toen weer op te halen. Veel belangstelling om ernaar te luisteren was er sowieso niet. Deze moeder had zich door een gemengd huwelijk buiten de vooroorlogse bekrompen samenleving geplaatst, ook in het ‘Indië’ van die tijd waren zulke verbintenissen not done. Een gewoon Hollands en voorspelbaar leven is dan ook niet te verwachten. De moeder blijkt ook niet een gewoon Hollands karakter te hebben, even in het midden gelaten wat dat precies is. Zij zoekt haar heil in oosterse godsdiensten en bij goeroes die in directe verbinding met het hogere staan. Zelf helpt zij haar medemensen als medium en is ze in staat om contacten met overledenen te leggen. Zij gelooft ook sterk in reïncarnatie, op deze wijze zal ze zeker terugkomen.

In de loop van de roman komt de ik wel meer te weten van zijn moeder. Samen gaan ze een keer terug naar Zeeland waar ze nog grond bezit, of bezat. Van boerse oorsprong, daar wilde ze een leven lang niet van weten, maar als zij de klei weer onder haar nagels voelt blijkt die afkomst niet te verloochenen. In de loop van de roman maakt de lezer kennis met een Duitser die in Indonesië woonde, daar was iets mee, maar de onderzoekende ik komt er niet achter welke rol hij speelde. Tegen het eind komt een zus over om te helpen bij de verzorging van de moeder die niets meer wil. Dit en meer wil ik niet beschrijven met in het achterhoofd dat je het boek zelf moet lezen en dat ik het lezen niet door een teveel aan details moet bederven.
Mij zette de roman eens te meer aan het denken over mijn eigen moeder, wat vermoedelijk weinig uniek is. Afgezien daarvan komen de verhoudingen in de overgangsperiode tussen Nederlandsch-Indië en Indonesië op de achtergrond aan bod. Situaties die complexer zijn dan in korte of zelfs langere artikelen zijn te beschrijven. Door dat alles heen hoorde ik de stem van Van Dis met de herkenbare, eigen melodie. Onwillekeurig vertelt de speurtocht naar wie je moeder was ook heel veel over de speurder op. Zo is Ik kom terug in hoge mate een ego-document.

Advertentie

A. den Doolaard, Ogen op de rug. Terugkijkend naar boeken en tijdgenoten

21 nov

A den Doolaard - Ogen op de rug_181x292Een jaar, misschien al weer twee, geleden zag ik in de bibliotheek van Apeldoorn een tentoonstelling over het leven van de schrijver A. Den Doolaard, pseudoniem van C.J.G. (Bob) Spoelstra. Eerlijk gezegd had ik hem tot dan toe in gedachten als een oudere en intussen op de achtergrond geraakte schrijver. De expositie maakte duidelijk dat Den Doolaard een stuk interessanter was dan ik dacht.

Zojuist heb ik met veel plezier Ogen op de rug gelezen. Vooral omdat het de nadruk legt op het ontstaan van zijn romans en andere boeken. Daarbij komt de autobiografie zijdelings aan bod. Zo schrijft hij hoe hij zijn baan bij een Nederlandse Petroleum Maatschappij en daarmee zijn zekerheden opgeeft om samen met een vriend naar Frankrijk te trekken. Ze verdienen hun geld met het werk dat ze onderweg kunnen vinden. Dat loopt van betonwerker tot druivenplukker. Er zijn in die tijd meer mensen en van verschillende nationaliteiten die op deze manier overleven. Uit de verhalen die hij op deze manier beleeft en oppikt ontstaat in 1931 De druivenplukkers. Dit weetje kun je ook op internet kan vinden, het interessante van Ogen op de rug is dat je hier niet alleen de geschiedenis leest maar ook hoe Den Doolaard deze roman vorm gaf. Hij was ervan overtuigd dat hij een verháál moest vertellen en dat hij daarom niet genoeg had aan de verhalen die hij met bij de nodige wijn had gehoord. Hij scherpte verschillende figuren aan, maakte ze nog wat kleurrijker en verzon er situaties bij. Tegenover zijn arbeider-hoofdpersoon had hij een tegengewicht nodig en dat werd de heer van het kleine kasteel dat op de wijngaard stond. De beschrijving van die overwegingen maakt het boek interessant voor de lezer die ook schrijft, of die erin is geïnteresseerd hoe de schrijver ‘het doet’.

Den Doolaard was van 1901. Tegen de tijd dat hij begint te schrijven, aanvankelijk poëzie die nog alle kanten uitvliegt, is de Eerste Wereldoorlog voorbij. Er bestaan nog flarden van stromingen van rond de eeuwwisseling, het impressionisme, het naturalisme, neoromantiek, sommige schrijvers gebruiken gezwollen taal. Bij Is. Querido leidt dat tot uitwassen die volstrekt onleesbaar worden. Als reactie ontstaan het expressionisme en het vitalisme. Teksten worden soberder en vooral in het vitalisme speelt de lust om te leven een grote rol. Voor Den Doolaard gold zeker: lééf en durf te leven. Tussen de namen uit deze stroming vinden we ook Hemingway, door Den Doolaard soms als voorbeeld genomen. Een ander voorbeeld vond hij in oude Ierse sagen. Aan de hand van Diarmuid en Grania ziet hij – en laat hij in Ogen op de rug zien – hoe je een gebeurtenis kan beschrijven zonder expliciet en wijdlopig te worden. Korter dan kort: Diarmuid schaakt met haar volle instemming de koningsdochter Grania. Op de vlucht overnachten ze in grotten en als teken van zijn correcte gedrag laat hij elke ochtend een ongebroken brood achter. Tot zij hem zijn afstandelijkheid verwijt, een ruzie ontstaat en een verzoening. ‘En toen zij de volgende morgen opbraken was het geen ongebroken brood dat Diarmuid bij de ingang achterliet maar het was verkruimeld brood dat hij achterliet.’ Den Doolaard ziet dat zijn tijdgenoten er een hoofdstuk aan hadden kunnen besteden met als titel ‘Grania’s eerste liefdesnacht’.
Zijn regel was dat er geen vaste regels zijn. Hij las veel en noteerde wat hem in teksten wel of niet beviel. Zijn slotsom is: ‘Ik besefte (…) dat een roman een kleine eigen wereld moest zijn, door de schrijver opgebouwd uit bestanddelen van de bestaande, de grote, de overdonderend rijke en tegelijk chaotische. Om de lezer die wereld binnen te voeren bestaan er X plus 1 methoden.’

Deze week sprak ik een Rotterdamse antiquarin (ik leen het woord uit het Duits omdat er in ons taalgebied kennelijk geen vrouwelijke antiquaren zijn) die me vertelde na lange tijd de boeken van Den Doolaard maar weggedaan te hebben. ‘Net waren ze weg of iemand vroeg ernaar; dat zal je altijd zien.’ Reden te meer om je slag te slaan als je een Doolaard tegenkomt.

Havank – De N.V. Mateor

5 nov

HAVANK - NV Mateor - 188x292Onlangs vond ik een fraai uitgegeven herdruk in paperback uitvoering (1996, Walvaboek) van Hans van der Kallens zesde boek. De eerste druk stamt uit 1938 , de tekening van ‘De Schaduw’ van Dick Bruna verwijst naar de talloze Zwarte Beertjes waarin de Havank misdaadromans werden uitgegeven. Ik was benieuwd hoe dit verhaal ruim driekwart eeuw had overleefd. Het sobere taalgebruik van bijvoorbeeld Nescio en Elsschot hield de boeken van die schrijvers goed leesbaar. Havank gebruikte een duidelijk blommiger taal met rijke beschrijvingen. Hij begint met een proloog en eindigt met een epiloog. Chique, zeer chique, je komt dat niet vaak meer tegen. Van de bloemrijke beschrijvingen neem ik de allereerste zin over. Door de beschrijving te beschrijven bereik ik nooit hetzelfde resultaat.

‘De antieke Bretonse klok, naast de haard waarin een zorgvuldig gestapeld vuur van beukenblokken te gloeien lag dat de klamme kilte van de late novembermiddag verdreef, vervulde de rust en de stilte van de ruime bibliotheek, die door de groenoverkapte lamp op het gebeeldhouwde schrijfbureau in het midden van het vertrek slechts schemerig verlicht werd, met het gerucht van haar vijf bronzen slagen.’

Daarna volgen volzinnen over Lord Crainford zodat de lezer, met een beetje begaafdheid op dat vlak, de man en de kamer kan uittekenen. Dit is duidelijk níet de methode die ik tijdens schrijfcursussen propageer, namelijk: met een zo pakkend mogelijke zin met de deur in huis vallen, vanaf de eerste zin de lezer het verhaal in trekken. Qua stijl blijft het verhaal in lijn met de eerste zin, zij het dat er een wat spottende toon bij komt. Ik sla het boek op een willekeurige plek open en zie een scène waarin de politievrouw Manon in een nachttent is. ‘De dikke buitenlandse provinciaal naast haar spande zich zonder dralen ernstig in zich daverend belachelijk te maken. Manon vond het best, zolang hij het maar niet in zijn hoofd haalde aan haar tafel te komen zitten.’
De Schaduw gaat het een paar bladzijden verder minder goed: ‘Bewaakt door zes schietgrage pistolen bereikte hij de grond en stak veiligheidshalve zijn armen in de lucht – gelijk hem overigens bevolen werd.’
Al lezend vroeg ik me af of dit de stijl was die in 1938 leuk werd gevonden. Het moet wel, want de politieromans van Havank verkochten goed en nog lang daarna. Toch zou ik deze stijl vandaag de dag niemand aanraden. Ik heb het boek wel uitgelezen, deels omdat ik niet gauw opgeef waaraan ik begon, maar toch ook omdat het plot je voldoende nieuwsgierig houdt naar de uiteindelijke afloop. Havank bouwt een wereld op rond een klein misdaadsyndicaat dat zich bezighoudt met afpersing door met ontvoeringen en liquidaties te dreigen. Het speelt allemaal in Parijs, waar de schrijver uitstekend de weg lijkt te kennen. Er zijn verschillende personages die ‘fout’ zouden kunnen zijn, sommigen zijn het inderdaad, andere spelen een onverwachte rol. Zoals het, ik zou bijna zeggen ‘standaard’, recept voorschrijft is er een conflict tussen de situatie zoals die zou moeten zijn – zonder boeven – en de werkelijkheid. De held boekt aanvankelijk successen, dan valt de grafieklijn van het succes, de held en zijn kompanen winnen weer, nieuwe tegenslag, maar uiteindelijk winnen de goeden. Zo zitten James Bond films in elkaar, zelfs de verderfelijke Dick Bos-boekjes volgden dit principe.
Wat niet of nauwelijks aan de orde komt is de psychologische factor. Waarom doen de personages wat ze doen? Daardoor blijven ze flat characters. Naast de hoofdpersoon, De Schaduw, zijn er belangrijke rollen voor Silvère en voor de aantrekkelijke typiste Manon die, voornamelijk vanwege haar uiterlijk en haar vlot gebekt zijn, tot assistente van het opsporingsteam wordt bevorderd. Ze wordt getekend zoals middelbare scholieren mooie meiden in hun agenda tekenden, als een soort etalagepoppen. Is daarmee het lezen van zo’n oude detective verloren tijd? Ik denk het niet. Ook een uitstapje naar wat niet als Literatuur geldt kan interessant zijn, zeker een zo populaire titel als dit. Daarbij kun je zien wat je als schrijver anno 2014 niet meer zou doen. Wat brengt het bloemrijke taalgebruik teweeg en de goedmoedige ironie? Zorgt het voor glimlachend lezen, leidt het af van het verhaal of geeft het er een nieuwe dimensie aan?

Renate Dorrestein, Een nacht om te vliegeren

21 okt

Renate Dorrestein - Een nacht om te vliegeren-283x292Door haar eerste roman, Buitenstaanders, was ik direct gewonnen voor Renate Dorrestein. De twee woorden die me te binnen schieten zijn fantasie en duister. Het eerste voor een rijke fantasie die graag de niet alledaagse kant op gaat, en het tweede voor de duistere kanten die bij sommige personages, gewild of ongewild de overhand krijgen.

Een nacht om te vliegeren moet je met aandacht lezen om niet de draad kwijt te raken. Toch lijkt de opzet heel overzichtelijk, het is een midzomernacht, het verhaal begint om 18:00 uur, het volgende hoofdstuk speelt tussen 19:00 en 20:00 en het laatste hoofdstuk draagt als titel 03:00. Hoeveel meer chronologie kun je wensen? Maar zoals niemand een dag leeft zonder dat het verleden daarop invloed heeft, zo hebben ook de verschillende personages een verleden dat hun daden tijdens de langste nacht mede bepaalt. In flashbacks krijgt de lezer iets mee van dat verleden. Het zijn vaak korte herinneringen, gedachteflitsen, waardoor het lang duurt voor je daaruit een samenhangend verhaal kan maken, en zelfs dan blijf je als lezer zitten met blinde vlekken.
Zonder de roman kort na te vertellen en daarmee het leesplezier weg te nemen voor wie eraan wil beginnen, toch iets over het verhaal. Op de eerste bladzijde komt negentienjarige Linde surfend over een flink meer aan bij een danig uit de kluiten gewassen huis. ‘Wie het huis voor het eerst zag, moest onwillekeurig denken aan een prehistorisch wezen dat zich tegen de flank van de heuvel te slapen had gelegd. Als men het naderde schubden er op onvoorspelbare plaatsen draconische torens tevoorschijn en werden lage uitbouwen zichtbaar, die als ontspannen ledematen langs de helling hingen.’ Dit zijn de eerste twee zinnen. Het huis is pas twintig jaar oud, gebouwd met het geld van een ondernemer die rijk geworden was met een soort superklutser voor in de keuken. Het ontwerp was van zijn echtgenote en net als zij, wild, hartstochtelijk en onstuimig.
Linde is te logeren gestuurd naar deze oom en tante., Ze heeft een schandelijk akkefietje achter de rug, haar ouders denken dat ze er eens uit moet en dat ze leuk zou kunnen opschieten met haar nichtje Asa, hoewel die vier jaar jonger is, wat op die leeftijd een flink verschil is. Al gauw verschuift het perspectief naar Asa die verschillende drama’s achter de rug heeft, het verlies van haar broer Alex en een stel verminkingen die het einde betekenden van haar rol als lief, bevallig meisje. Ze heeft zich in het hoofd gezet dat de vader de schuld van alles is. Alex is niet dood denkt ze, maar door de eisen van haar vader was hij gedwongen het huis te verlaten. Dat is nu vijf jaar geleden, maar hij zal zeker terugkomen. Wat er precies is gebeurd is niet helemaal duidelijk, omdat de herinneringen van Asa verre van betrouwbaar zijn. Ze waren aan het vliegeren en het huis had en heeft een balkon waarvandaan je heel goed vliegers kan oplaten. Het vliegeren kun je heel goed als een metafoor opvatten. Asa laat verschillende keren vallen dat deze midzomernacht heel geschikt is om te vliegeren.
De moeder is na het verlies van Alex nooit meer de oude geworden, al kan je bij wat dan wel ‘de oude’ was ook kanttekeningen zetten. De vader probeert alles, zijn gezin en zijn talloze relaties, bij elkaar te houden. Wat bepaald niet meevalt met de wraakzuchtige Asa die vast besloten is het jaarlijkse midzomernachtfeest drastisch te verstoren. Onder andere door de verzameling reptielen en slangen los te laten. En om Linde onschadelijk te maken. Terwijl Linde probeert op vriendschappelijke manier met Asa om te gaan, zich ook zorgen maakt over de moeder, haar tante, ziet Asa haar alleen als iemand die tussen haar vader en moeder tracht te komen. En haar vader die zich gedraagt als de beesten valt daar als een blok voor. Hier moet Asa optreden. Hoe dat ten slotte afloopt voor Linde is niet echt duidelijk. Goed, zou ik hopen, want zij leek mij een goede ziel te hebben. Inzicht in de vader kreeg ik niet en de twee andere hoofdpersonages hebben een verstoord beeld van de werkelijkheid. Bij de moeder leidt dit tot inertie en bij Asa tot een dadendrang die je op zijn allerzachtst ‘fout’ zou kunnen noemen.
Dan is er het personeel, een paar dozijn mensen, waarvan het hoofd van de keuken diezelfde avond bevalt van een zoontje, en waarvan de rest zeer ontevreden is over de werkomstandigheden. Wat ze ook laten merken.

Slangen en kaaimannen die dankzij Asa in de tuin terechtgekomen zijn, zorgen voor een chaos die behoorlijk uit de hand loopt. Voor de zekerheid keek ik nog op de achterflap, maar nee, ik heb niet meer prijsgegeven dan wat er in de flaptekst staat. Om te weten wat er gebeurt en vooral om je een beeld te vormen van de verschillende personages moet je het boek lezen en eigenlijk gelijk ook maar herlezen. Dan vallen allerlei kleine hints op hun plaats omdat je ze in verband kan brengen met wat je al weet van de eerste keer lezen. De tweede lezing is daarom niet een herhaling, maar een mooie aanvulling.

Max Frisch, De mens treedt op in het Holoceen

9 okt

Max Frisch - De mens treedt op in het Holoceen-181x292Dit verhaal, Max Frisch noemt het een vertelling, niet een roman, is geschreven in 1979 en een jaar later vertaald. Het zou makkelijk gedateerd kunnen aandoen, maar dan heb ik het puur over de leeftijd van het drukwerk, want Frisch is wars is van modieuze tierlantijnen, waardoor zijn werk niet snel veroudert.
Wie zelf schrijft (ook wie dat niet doet) treft hier een voorbeeld van hoeveel meer mogelijkheden je hebt met teksten als je je niet houdt aan de gebruikelijke aanpak. Als docent schrijven geef ik ook tips waarmee je de grootste valkuilen kan vermijden. Ik realiseer me dat als je een verhaal netjes volgens de regels opzet, je tot een goed en degelijk resultaat kan komen, maar dat de verrassende korte verhalen, of een roman, pas ontstaan als je buiten de lijntjes gaat.
Wat deed Frisch in deze vertelling? Hij toont de lezer mijnheer Geiser, die oorspronkelijk uit Basel komt, maar lang geleden is verhuisd naar een dal in Ticino, het Zwitserse kanton dat aan Italië grenst. Het regent. Het regent al lange tijd en het mist. Kennelijk zijn er aardverschuivingen geweest, de bus rijdt niet meer. De weduwnaar Geiser maakt toch al weinig contacten, maar nu is hij helemaal van de wereld afgesloten. Een van de weinigen die hem wel eens aanspreekt en die hem in deze periode soms een pannetje soep komt brengen, probeert mijnheer Geiser te vermijden.
Hij heeft zorgen: werken zijn hersens nog wel naar behoren, vergeet hij niet van alles, dingen die hij vroeger moeiteloos wist. Om het vergeten tegen te gaan, begint hij encyclopedische kennis over te schrijven uit naslagwerken. Hij kiest de geschiedenis van de aarde, de verschillende tijdperken -wie kent die lijstjes nog?- Paleoceen, Eoceen, Oligoceen, Mioceen, Plioceen, Pleistoceen en het Holoceen . Hij ontdekt gaandeweg dat het niet nodig is om alles over te schrijven, hij knipt uit wat hij wil onthouden en zet die briefjes met punaises vast aan de wanden. Later, als de punaises op zijn gaat hij over op wondertape. De briefjes zijn in het boek gekopieerd, zodat je als lezer een precies beeld krijgt van wat Geiser het opzoeken en uitknippen waard vindt. Dit is niet de enige manier waarop hij zijn veroudering wil tegenhouden. Hij herinnert zich een bergtocht die hij vroeger ooit volbracht en besluit die nog eens over te doen. Het wordt waarschijnlijk moeilijker, maar hij zou het nog steeds moeten kunnen volbrengen. Voor de lezer levert het een spannende episode op, de man gaat in slechte omstandigheden aan zijn tocht beginnen en het wordt meer en meer de vraag of hij ooit zal terugkeren. En wie zal hem zoeken als er niemand is die weet dat hij aan deze tocht is begonnen.

De stijl van Frisch kan je geruist sober noemen, hij gebruikt geen woord teveel om de eenzaamheid van Geiser te beschrijven en te laten zien hoe deze zijn levenseinde probeert te verhinderen. Het boek heeft een open einde, hoewel de lezer conclusies kan trekken uit een aantal aanwijzingen. Zo zou het gevecht met, en de angst voor de dood zou heel goed contraproductief kunnen zijn. Die dagelijkse concentratie op het eigen verval zou dat verval in de hand kunnen werken. Mijnheer Geisers fascinatie voor de aardgeschiedenis, waarin het ontstaan en de erosie tot de huidige vorm van de Alpen een rol speelt, zie ik als een fraai beeld voor de nietigheid van de mens. In een van de naslagwerken leest Geiser dat de mens optreedt in het Holoceen, pas laat in de hele aardgeschiedenis. Daarmee is de titel van het boek letterlijk verklaard.
Zoals gezegd, de aanpak van deze vertelling is apart en het gegeven is simpel: oudere man verzet zich tegen afnemende capaciteiten; zijn eenzaamheid versterkt zijn angst voor de dood. Doordat hij alleen staat is er ook geen huisgenoot is die als rem en of bemoediging werkt. Dit laat Max Frisch zien, hij blijft dicht op de huid van zijn personage en illustreert het verhaal met de werkelijk uitgeknipte stukjes waarmee mijnheer Geiser angstvallig wil vasthouden aan de schoolkennis die hij ooit meende te bezitten. De manier waarop dit is uitgewerkt resulteert in een een boek dat ook na zoveel jaren leest als van een verhaal uit de laatste oogst.

Ian McEwan, Amsterdam

25 aug

Ian Mc Ewan - Amsterdam 292x182Schreef McEwan nu een boek over de stad waarvan de bewoners toch al denken dat het de navel van de wereld is? Nee, dat blijkt niet het geval. De plaats waar alles gebeurt is vooral Londen, gevolgd door een stukje Lake District en een flintertje Manchester. Uiteindelijk komen de hoofdrolspelers samen in Amsterdam en, zo blijkt uit het verhaal, die stad had beslist niet Zürich of Marseille kunnen zijn. Tot zover de geografie.

Met deze roman uit 1998 bewijst McEwan opnieuw zijn vakmanschap als romanschrijver. Het verhaal gaat om twee hoofdpersonen binnen hun werelden, omgeven door belangrijke en iets minder belangrijke personages. Er is een plot, er zijn maatschappelijke, herkenbare situaties en er zijn verschillende wendingen en verrassingen. Ten slotte eindigt het verhaal toch anders dan de lezer waarschijnlijk had gedacht. Allemaal prima ingrediënten. Wat alles goed en rond maakt, want de ingrediënten bieden op zich geen garantie, is dat ik zowel in de personages als in de omstandigheden kon geloven. Niet dat het verhaal zich ook in het leven van de gemiddelde lezer zou kunnen afspelen. Daarvoor zijn allereerst de hoofdspelers te bijzonder. De gevierde componist Clive Linley en de hoofdredacteur van een Engelse kwaliteitskrant, Vernon Halliday zijn beiden ex-geliefden van Molly, die later trouwde met George Lane. Op de eerste bladzijde treffen we hen op haar crematie op een koude dag in februari. Molly, levenslustig, in voor avonturen, was een bekend fotografe die onder andere voor Vogue werkte. De twee mannen zijn het er over eens dat ze haar einde zo nooit gewild zou hebben, hulpbehoevend en geheel in handen van de rijke maar saaie en bezitterige George. Deze organiseerde dan ook alleen een crematie, geen herdenkingsdienst, want hij wilde voorkomen dat vroegere relaties het woord zouden voeren. De twee vrienden maken een afspraak om te voorkomen dat – als het leven niet meer levenswaard zou zijn – de ander hulp biedt om op een aanvaardbare manier uit het leven te stappen. Als de wetgeving in Engeland tegen die tijd niet veranderd is, zullen ze naar Nederland uitwijken.
Intussen gaat het leven door. Clive is gevraagd een symfonie te schrijven die bij het ingaan van het nieuwe millennium gespeeld moet worden. Hoewel het jaar 2000 nog niet voor de deur staat, is er druk om dit stuk al snel klaar te hebben. McEwan schetst nauwkeurig wat een componist te doen staat, wat Clive te doen staat. Deze is een van de eerdere die zijn afgestapt van het modernisme waarin melodie, harmonie of ritme verbannen waren. Clive heeft een thema nodig, iets wat hij kan uitwerken, waarin variaties komen, omdraaiingen, stille passages en waarin dat alles leidt tot een groots slot. In de roman volgen we dit proces van nabij, zonder dat je musicus moet zijn om dit te kunnen meebeleven. En dan is er Clive zelf, hoe gaat hij om met de roem die hem ten deel valt, welke fantasieën komen zijn dromen binnen? Hoe geconcentreerd kan hij blijven; scheppen is immers iets anders dan een ambacht uitvoeren.
Vernon, de oude vriend heeft een totaal ander leven. Hij is als hoofdredacteur aangesteld om de krant uit de rode cijfers te halen. De oplage loopt al tijden terug. Dieper gravende artikelen zijn degelijk en chique, maar wie leest ze, welke concessies moeten er worden gedaan aan een jonger lezerspubliek? Vernon heeft al het nodige veranderd, hij heeft een goede kijk op de krantenwereld, waarin hij aan de ene kant te maken heeft met de redactie en de behoudende elementen daarin, en aan de andere kant met een directie die zich concentreert op de rendementen. Daar zou je een economisch opstel van kunnen maken. McEwan vertelt gelukkig een verhaal. Tot hoever je kan gaan voor het commerciële doel wordt een geschiedenis over onthullende foto’s die het bestaan van een hoog geplaatste gefotografeerde kunnen vernietigen, maar die voor de krant een grote klapper zullen betekenen. Terwijl de strijd tussen ethiek en commercie woedt, blijkt dat het slachtoffer, het bejaagde groot wild, niet stil zit. Tussen Vernon en Clive ontstaat een verschil van mening dat hun vriendschap sterk onder druk zet.
De symfonie zal uiteindelijk op de al lang bekende datum in Amsterdam worden gerepeteerd en zowel Clive als Vernon zullen op de receptie zijn ter ere van de eerste uitvoering. Het verhaal neemt dan weer een nieuwe wending waarover ik natuurlijk niets zal zeggen.
Net als de eerdere boeken van McEwan, moet je Amsterdam zeker zelf lezen. Dat wat vriendschappen kan bedreigen is niet veranderd, en de dilemma’s waarmee beiden te maken krijgen, zijn ook nu aan de orde.

Oscar van den Boogaard, Meer dan een minnaar

8 aug

Oscar van den Boogaard - Meer dan een minnaar-292x183Wat heb je net gelezen voor je aan het volgende boek begint? Ik merkte dat het wel degelijk iets uitmaakt, zeker waar het net gelezen boek een bundel verhalen en notities was van Sylvia Plath. In de eerste bladzijden miste ik al de indringendheid, alsof je na een tocht op een ruige zee op een kalm meer terecht komt. De eerste alinea begint met een relativering. Als je maar voldoende afstand neemt, in ruimte maar zeker ook in tijd, vervaagt zelfs de eigen familie inclusief de ongelukkige leden daarvan, tot een zoetsappige onschuld. Aan het woord is een ’ik’ die later zoon August van Regina blijkt te zijn. Om niet in raadselen te spreken: de roman gaat in hoofdzaak om zes mensen, twee echtparen waarvan Noël en Regina een zoon hebben, en Rudolf en Elsie een dochter, Lilly.

Het verhaal wordt in de hij-vorm geschreven, het perspectief wisselt per hoofdstuk. Al lezend kom je te weten dat Noël een ware autochtoon is in het Vlaamse dorp aan de Leie. Hij en zijn vrouw staan voor de traditie, de kerk en eenvoud. Rudolf komt van buiten, is seksuoloog, welgesteld. Hij laat een grote hoeveelheid bomen kappen om er een kubistisch betonnen huis neer te zetten, naast de woning van Noël. Zijn hele levensstijl en -opvatting staan in scherp contrast met die van zijn buren.
Er zou weinig te vertellen zijn als deze buren hun eigen leven zouden leven en af en toe eens een glas wijn of bier dronken. In een korte flaptekst zien we al dat het weekend van de ramp met de Herald of Free Enterprise (vrijdag 6 maart 1987) het moment is waarin de levens van de echtparen op drift raken. Voor die tijd waren al vierhoeksverhoudingen ontstaan.
Op de tweede pagina is het 5 maart en komt de aarde tevoorschijn uit een laag van sneeuw en ijs. Het grootste deel van de roman wordt dus in flashbacks verteld. Veel algemeen beeld, achtergronden, af en toe een inkijkje in de psychologie van de personages. Dat ik een gevoel kreeg dat het aan urgentie ontbrak, kwam niet alleen door het vorige boek. Het mooie van lezen is dat je je laat meenemen door het huidige verhaal, zoals je luistert naar degene die je nu aan het vertellen is wat hem of haar is overkomen. Aandachtig. Dat neemt niet weg dat de een aangrijpender weet te vertellen dan de ander.

Tussen het moment dat ik de laatste bladzijden las en het schrijven van deze impressie ligt een goede week. Genoeg om een beeld van de roman als geheel te laten ontstaan. Wat boven kwam drijven was dat het plezier van het lezen overheerste. Oscar van den Boogaard is vakman genoeg om een roman tot een goed einde te brengen. En dat er twee snelheden zijn. In het begin is het vooral expositie, de schrijver schildert een beeld van de verschillende personages. Je leert ze stuk voor stuk kennen en er worden tipjes opgelicht van de sluier die nog over de toekomstige gebeurtenissen ligt. Daarna, we zijn dan denk ik al op twee derde van de roman moet de plot worden afgewikkeld. Het verhaal raakt in een stroomversnelling. Een sterke versnelling alsof de schrijver zich bewust wordt dat er zaken gedaan moeten worden, het verhaal moet af. Voor een verbinding met de werkelijkheid zorgt de veerboot Herald of Free Enterprise die net buiten de haven van Zeebrugge kapseisde en zonk. Veel mensen staat die gebeurtenis nog op het netvlies, ook al omdat het Rotterdamse Smit-Tak de berging voor haar rekening nam. De schrijver heeft het aangegrepen om een plotwending te bewerkstelligen. Natuurlijk weet de lezer dat hij een boek leest in het genre Fictie. Niettemin doet de schrijver zijn best een verhaal te maken dat tenminste waar had kúnnen zijn. Daarin kunnen waargebeurde elementen een positieve rol spelen. Een soortgelijk punt: eerder laat hij August zich zorgen maken over de gevolgen van Tsjernobyl. Dat was een klein jaar eerder. De vraag blijft wel hoeveel lezers nog weten wanneer dat was en hoe lang die verbinding met de roman blijft werken.
Aan het eind heb je het verhaal gelezen, de plot is afgewikkeld, de personages kijken aan tegen een nieuwe situatie. Het zat allemaal goed in elkaar, het was plezierig lezen, en toch blijft er een maar. Er zijn golven, maar noch de personages, noch de lezer wordt erdoor onderuit geslagen. Het zijn te zoete golven. Al met al, zeker een lezenswaardig boek, maar ik zou er geen zoektocht aan wijden om het per se en met alle geweld in handen te krijgen.

Theo Thijssen, Het grijze kind

25 jul

Theo Thijssen - Het grijze kind_183x292Een intrigerende titel, wat kan een grijs kind betekenen? De schrijver Theo Thijssen heeft die gedachte kennelijk voorzien en hij begint daarom met een verklarende inleiding. Gelukkig is hij in de roman meer schrijver dan schoolmeester, wat zijn beroep was. Hij begint de lezer mee te nemen: Wie kent niet dat eigenaardige herinneringsgevoel… Vervolgens komt hij met voorbeelden van het déjà vu. De ik-verteller heeft dat in sterke mate en soms is hij er niet zeker van of het om een herinnering gaat uit dit leven, een vorig of zelfs een voor-vorig leven. Al die herinneringen zorgen ervoor dat hij vroegwijs is, een kind en een grijsaard tegelijkertijd. En het gooit de geest van de ik, het grijze kind, door de war.

Op bladzijde twintig komt de ik op de gedachte dat hij nu eens met het eigenlijke verhaal moest beginnen. Iets wat ook bij mij opkwam, want de aanloop begon naar mijn smaak een Negentiende-eeuwse traagheid te krijgen. Net voor hij begint brengt Thijsse een vormvariant. Een verhaal met een ik-verteller is een bekende mogelijkheid. Soms is er nog een verteller die voor algemene informatie zorgt, de voorbij rijdende trams, de ruisende bomen, het stilstaande water. Maar hier introduceert de ik de schrijver als een personage op de achtergrond: “Het schrijvertje dat mijn verhaal overbrengt, boft niet erg, natuurlijk. Hij zal er niet erg veel genoegen van beleven. Maar hij trooste zich: hij zal wel es geboft hebben ook, of anders een volgende keer boffen.”
Nu ik het toch over de vorm heb, regelmatig spreekt de ik de lezer rechtstreeks aan: “Natuurlijk, ge begrijpt me nóg niet. Ge denkt…” Op dat moment, het citaat staat op bladzijde 39, is het verhaal begonnen en zijn we op school met de jonge ik. Hier blijkt wel dat het geen gewoon kind is, maar een wijs grijs kind. Hij doorziet de leermethoden en wat er allemaal mis kan gaan. Over de mensen die denken dat het vroeger met een flinke aanpak allemaal zoveel beter ging, zegt hij dat het zeer te betwijfelen valt of die mensen vroeger wel zo hard werden aangepakt en daarvan leerden. Die gezonde hardheid is een zielkundige stommiteit en de gedachte dat je kennis in de kinderen kan stampen, ook al zoiets. Als je ervoor zorgt dat het werk bij het kind past zal het een stuk harder werken dan volgens de dressuurmethode. Het is duidelijk dat hier geen kinderlijk of zelfs maar gewoon kind aan het woord is.
Het verhaal speelt zich niet alleen op school af. De ik vertelt over de omstandigheden thuis, over wat zijn moeder onder opvoeding verstaat en hoe hij bijvoorbeeld als er visite is, een beetje bedremmeld in de deuropening blijft staan om zijn moeder de kans te geven een staaltje opvoedkunde ten beste te geven voor het bezoek. Het is een mix van een kind dat veel te veel weet, en een die precies weet wat je moet doen om het schattige kind te zijn. Uiteindelijk wordt hij zelf wel de dupe van deze merkwaardige spagaat.
De ik groeit op in een gezin. Vader is accountant en firmant in de zaak. Hij is zo langzamerhand well-to-do geworden. Een stuk meer dan zijn vrouw vermoedt. Hij geeft haar jaarlijks wat meer geld te besteden, zodat ze zich heel wat voelt, maar houdt geheim dat hij haar ook wel twee- of viermaal zoveel zou kunnen geven. Dan is er de oudere zus. Een stuk ouder, ze is in de leeftijd om zich te verloven en dat doet ze ook. Die verloofde zien we, zoals alles door het perspectief van de ik. Er valt wel wat op hem aan te merken. Uiteindelijk belandt hij bij pa in de zaak, hij neemt de gewoonten van het bedrijf over, en zij die van haar moeder.
Uiteindelijk verveelt de ik zich enorm, niet onlogisch als je voortdurend het idee hebt dat je alles al eens hebt meegemaakt. Op een dag houdt hij op verder nog iets te willen, tot wanhoop van de ouders. Totdat ook daar De Zaak een uitkomst is. Het laat zich aan de kennissenkring mooi vertellen: het was wat hij altijd al had gewild, hij blijkt ook echt een geweldige aanwinst. Het gedeelte over deze zet is een van de prachtige stukken in de roman. In wezen is Het grijze kind een zedenschets over de Amsterdamse middenstand in het eerste kwart van de vorige eeuw, en een van de manier waarop scholen werkten. Daarnaast zit er nog een plot in, maar daarover zal ik het niet hebben.
Het grijze kind verscheen in 1937. Ik las de tiende druk, Van Oorschot, 1987.

Hubert Lampo, De komst van Joachim Stiller

9 jul

 

Hubert Lampo - De komst van Joachim Stiller-181x291De roman wordt algemeen magisch-realistisch genoemd. Mythisch zou je ook kunnen zeggen. Het verhaal speelt zich af in Antwerpen; de straten, gebouwen en de cafés kloppen met de werkelijkheid. Bij de cafés houd ik een slag om de arm, want zo goed ken ik dat landschap, en dan eind jaren vijftig, niet. Ook de personages, met uitzondering van Joachim Stiller, zijn in zoverre realistisch dat ze hadden kúnnen bestaan.

Het verhaal wordt in de ik-vorm verteld vanuit Freek Groenevelt. Hij is journalist bij De Scheldebode en schrijft elke dag een stukje over klein Antwerps nieuws. In het begin is hij er getuige van dat de Kloosterstraat wordt opengebroken, er ontstaat een verkeersopstopping en na een tijdje maken de arbeiders de straat weer dicht. Wonderlijk, wat is hier nu eigenlijk gebeurd? Heeft de ploeg zich vergist en de verkeerde straat genomen? Hij schrijft erover en krijgt een regen van brieven; kennelijk is hij de enige die het waargenomen heeft. Dan krijgt hij een brief van ene Joachim Stiller. De postzegel en het stempel zijn van anderhalf jaar voor Groenevelts geboorte. Er staat in dat hij zal schrijven over de gebeurtenis in de Kloosterstraat en dat het stukje bij aankomst van de brief al verschenen zal zijn. Dit is voor de ik en voor alle lezers een raadsel. Waar kan die brief al die tijd zijn gebleven? Hoe zit het met die voorspelling? Hij geeft de brief aan een deskundige die de leeftijd van die brief bevestigt. Tussendoor zijn er realistische daagse gebeurtenissen, hij zoekt een buurvrouw op, er is overleg met de hoofdredacteur. Heel gewoon, passend in het verhaal en met lichte humor geschreven. Er komen meer tekenen van Joachim Stiller die ook zijn komst aankondigt. De tekenen zijn heel divers, bij een bevriend antiquaar vindt hij een zeventiende-eeuws boek, waarvan echter de eerste pagina’s ontbreken waarop je de herkomst en drukgeschiedenis kan lezen. Die vindt hij later in een bibliotheek en dan blijkt het boek een paar eeuwen geleden te zijn geschreven door een Joachim Stiller.
De ik maakt kennis met Simone Marijnisse. Hoe dat gaat en waardoor staat beschreven, maar gaat hier te ver. Ze raken bevriend en ook zij krijgt boodschappen. Als zij een flinke tijd later bij hem overnacht, horen ze beiden het carillon van een nabije kerk ongewoon luid spelen. Ze staan op, kijken over de daken van de stad die in een vreemd schijnsel staan. Later blijkt dat zij de enigen zijn die dit hebben waargenomen.
Kan je binnen een realistische context dit soort vreemde en onwaarschijnlijke zaken opvoeren en toch je lezers aan je binden? Bij mij is het gelukt, bij iemand die het jaren geleden las en met wie ik het erover had, ook. Maar zij herinnerde zich dat haar moeder eraan begonnen was en het boek zuchtend had weggelegd. Tegenover dat laatste staan de vele vertalingen, een verfilming en het feit dat Lampo voor dit werk de Belgische Staatsprijs voor verhalend proza 1963 kreeg. Je moet als lezer wel over het feit heen stappen dat er in de roman onwaarschijnlijke dingen gebeuren. Het is een soort afspraak met de schrijver en je gunt hem die ruimte omdat het verhaal boeiend is geschreven en ik noemde het al, met een prettig vleugje humor. Intussen gaat het verhaal door, er zijn meer verwikkelingen die erg de moeite waard zijn en op het eind zal er toch een ontmoeting zijn bij het Zuidstation (mooi gebouw, in 1965 afgebroken). Als hij uiteindelijk komt, wordt hij terwijl hij de straat oversteekt, overreden en blijft dood liggen op de tramrails, de armen gestrekt, als een gekruisigde. Drie dagen later blijkt het lichaam op onverklaarbare wijze te zijn verdwenen uit het mortuarium. Voor zover de gedachte niet eerder opkwam: is Stiller een beeld voor Jezus, terug op aarde? – dan is er hier niet aan te ontkomen: Stiller als een gekruisigde; het lichaam drie dagen na de dood niet meer in het graf of in het mortuarium. Leg dit naast de eerdere brieven en tekenen, en je vindt heel wat bevestigingen: de tijd heeft geen vat op Stiller, hij is alwetend, hij volgt de hoofdpersonen op een goede beschermende manier. Toch krijgt die laag van het verhaal niet de overhand. Er is geen opgelegde boodschap. Wat strookt met de persoon van de schrijver, deze heeft een atheïstisch-socialistische achtergrond. Hij is wel op zoek naar het transcendente, naar dat wat uitstijgt boven hetgeen je als mens kan waarnemen, en wat niet per se het goddelijke hoeft te zijn. Dat je in Antwerpen, met zijn katholieke tradities, zeker toen, toch terecht komt bij Jezus en Maria, ligt wel voor de hand. Het is, ik lees het er tenminste niet uit, zeker niet het verhaal van een ik die bekeerd wordt en nu zijn leven en de hand van Jezus legt.

 

Thomas Hürlimann, Veertig rozen

16 mei

Thomas Hürlimann - Veertig rozen 291`x185Het eerste boek dat ik van Hürlimann las, Het tuinhuis, maakte dat ik de Zwitserse schrijver toevoegde aan mijn persoonlijke toplijstje. In dit blog schreef ik eerder over Juffrouw Stark en over De grote kater (Der große Kater). Net als in die laatste roman speelt de politiek in Veertig rozen een flinke rol; het feit dat de schrijver de zoon is van een politicus zal ongetwijfeld meespelen.

De roman gaat echter over veel meer. Hoofdpersoon is Marie Katz, kleindochter van een Joodse immigrant die als couturier een succesvol atelier begon. In de buurt van een van de Zwitserse meren bouwde hij een huis, omgeven door een park, met in de kelder een atelier vol snorrende naaimachines. Zijn creaties waren vooral in Midden- en Oost-Europa erg gewild. Onder het bewind van haar vader begint het minder te gaan, het modebeeld verandert, Italië en Duitsland raken in de ban van het fascisme, maar niet alleen die twee landen. Intussen is de familie half geassimileerd, Maries moeder is katholiek en haar oudere broer priester en zo mogelijk wat roomser dan de paus. Dit leren we uit de flashbacks. Het verhaal begint op de zoveelste veertigste verjaardag van Marie. Zoals altijd worden die ochtend veertig rozen bezorgd, zoals altijd zal ze naar de hoofdstad rijden waar haar echtgenoot een belangrijke politieke functie heeft. En zoals steeds zal ze eerst nog snel langs Percy, de kapper en vriend gaan. Het is een flinke tocht, er zijn files en opstoppingen en in die tijd heeft ze alle ruimte om haar leven te overdenken.
In essentie is het een leven waarin zij nooit zichzelf was. Als Marie Katz verwezenlijkt ze de droom van haar vader. Hij heeft haar pianoles gegeven en ze wordt aangenomen op het conservatorium. Daar komt ze in contact met vrijgevochten kunstzinnige geesten, in de trein naar huis schakelt ze naar de ingetogen dochter die haar vader verwacht te zien. Later komt ze Max Meier tegen die haar vooral waardeert als de First Lady aan zijn zijde die hem vooruit zal helpen in zijn politieke ambities. Ze speelt de rol en ze weet dat ze hem speelt. Steeds meer komt ze los van haar eigen persoonlijkheid om te voldoen aan het beeld dat politiek opportuun is.
De lezer krijgt inkijkjes in de Zwitserse houding tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Antisemitisme kwam daar ook voor, veel Zwitsers verwachtten, of sloten in ieder geval niet uit, dat er een Anschluß met Duitsland zou komen. Vader Katz werd dringend aangeraden zijn naam in neonletters van het dak te halen. De politici in het dorp aan het meer, die daarnaast middenstanders zijn, groeten niet meer, de slager levert alleen nog het taaiste vlees, het beeld dat Hürlimann van Zwitserland schetst,  is een stuk minder fraai dan de meeste inwoners graag etaleren.

Er zijn meer schrijvers die correct en goed leesbare zinnen op papier zetten, maar er is ook proza als muziek, proza dat je met extra plezier leest. Er zijn boeken vol tips voor een goed geschreven verhaal, hoe je dialogen schrijft, personages tot leven wekt, hoe je met de tijd omgaat. Dat kan je allemaal doen en met een beetje goeie wil schrijf je dan een behoorlijk boek, een roman die aan de eisen voldoet. En dan is er de schrijver die dit allemaal weet, misschien wel intuïtief toepast, maar op zoek gaat naar meer, naar nieuwere vormen. Er is wel een lijst te maken van vernieuwende en verrassende schrijvers, ik ga mezelf niet onderbreken om dát nu eerst te doen, maar Thomas Hürlimann hoort op die lijst te staan. In deze roman gaat hij ook met de tijd op een oorspronkelijke manier om. Tegen het eind van het verhaal is Marie bij het hotel aangekomen. We lezen hoe er als elk jaar een diner is, waarbij de eigenaar, de eigenaresse en de staf naar hun tafel komen voor felicitaties, tegelijkertijd zit Marie op het toilet en in haar gedachten herhaalt de scène zich, de eeuwige wederkeer, ze is moe. “Marie begon met het herstel van haar façade en was blij dat ze haar vale huid onder een dikke laag schmink kon verbergen. Max verwácht het, zei ze. Hij heeft het nódig. (…) Hoe werkt een opgebruikte man zijn rimpels weg? Juist, met een jonge vrouw! Daarom die veertig rozen…” Wat zich zo dadelijk zal afspelen hebben we al gezien, maar nu pas gaat Marie met de lift naar de vierde verdieping. “Het was als altijd, als in al de jaren ervoor: Max, al omgekleed, zijn rechterhand in zijn broekzak, stond als een schaduw voor het langzaam dovende avondlicht. Marie, zei hij, ben je daar eindelijk!”
Er zijn op dat punt nog tien bladzijden te gaan, met een laatste dramatische ontwikkeling.