Archief | mei, 2016

Bibi Dumon Tak, Wolfskwint

14 Mei

Bibi Dumon Tak - Wolfskwint - 292x184Haar blik hield de mijne vast, ik denk dat ze naar me keek zoals een moeder haar pasgeboren kind bekijkt, doodop, bijna uitgeschakeld, maar zielsgelukkig.

Ik had Kom hier dat ik u kus gelezen van Griet Op de Beeck en begon aan Wolfskwint. Ik ken mensen die niet aan toeval geloven en daar hele theorieën over hebben. Toeval of niet, beide boeken gaan over een gezin, over een hoofdpersoon die in de ik-vorm vertelt, een vrouw is met een zus en een broertje. Op dit punt moet ik denken aan de beroemde openingszin uit Anna Karenina: “Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.” Het gezin waarin Steffie opgroeit is op een heel eigen manier ongelukkig. De moeder is met psychische klachten opgenomen in een kliniek en de vader is bepaald niet de liefdevolle man die je graag zou willen als kind.

Steffie is de tweede dochter, een jaar jonger dan haar zus Gertie en ongeveer drie jaar ouder dan haar jongere broer Peer. Zoals altijd hebben de verschillende kinderen hun eigen herinneringen aan de tijd thuis. Dit is het verhaal van Steffie, het is haar perspectief en dat is genoeg. Omdat Steffie onder een andere naam bestaan heeft, of nog bestaat, noemen sommigen dit non-fictie. Ik noem het een roman, het is als zodanig gecomponeerd en hoewel iemand heeft verteld hoe het eraan toeging in het gezin Mons, is het door Dumon Tak omgezet in scènes waarin de verschillende personages tot leven komen. Daarmee is het niet een zomaar verslag aan de hand van herinnerde feiten maar een roman en laat ik het maar direct zeggen, een goede roman. Waarom? Omdat ik het uitstekend geschreven vind. Als je van taal houdt, hou je van goedlopende zinnen, beelden die iets losmaken. Heerlijk lezen begint bij een goed verzorgd boek dat lekker openvalt, goed papier heeft waarop de letters staan die een typograaf met liefde op zijn plaats heeft gezet. Dan begin je te lezen, de ene goedlopende zin na de andere. Zo ziet volgens mij leesplezier eruit. Daarna begint het verhaal en hoe het wordt verteld. In deze roman is het een verre van luchtige geschiedenis. Ik vind het een extra staaltje van goed schrijverschap om juist een zwaar verhaal zo te schrijven dat het je als lezer aangrijpt zonder dat er van trucjes gebruik wordt gemaakt die je in de muziek “schmieren” noemt.

Een van Steffies oudste herinneringen is een ruzie tussen vader en moeder, waarbij de moeder een suikerpot naar de vader gooit. Welgemikt, het potje komt met een oor precies tussen de ogen van vader, die naar buiten rent en van het gebeurde een spektakel maakt waarop de buren en wat later de politie op af komt. Moeder wordt afgevoerd. De instanties die in de vijftiger jaren van de twintigste eeuw de rol van kinderbescherming vervulden, vonden dat de vader met wat huishoudelijke hulp de opvoeding van drie kinderen (5-3-1 jaar) wel aankon. Daar zet de lezer van nu vraagtekens bij, net als de Steffie van vele jaren later. De vraag hoe het nu eigenlijk zat met haar moeder heeft ze jarenlang weggeduwd, maar dringt zich op na de dood van haar vader. Op de begrafenis heeft een buurvrouw een opmerking gemaakt die zich niet laat wegpoetsen. Hoe is het destijds werkelijk gegaan, wat is de rol geweest van haar vader en van de kinderen die voor hun eigen veiligheid de kant van de vader kozen? Hoe stond het met de psychiatrie in de vijftiger jaren? Steffie probeert het te achterhalen en vindt een non die uit het systeem is gestapt en die op een manier waarover ze niets wil zeggen, aan het dossier van haar moeder komt. Dat geeft een ontluisterende inkijk in de aanpak uit die jaren. Onvermijdelijk komt ook haar eigen rol aan de orde.

Het was me niet duidelijk hoe het kwam dat de kinderen toch een goede scholing kregen. Misschien de intelligentie van de moeder? De vader was eerder dommig, maar Steffie maakt de middelbare school af en gaat geschiedenis studeren en ze speelt piano. In het begin van het verhaal solliciteert ze naar een baan als pianostemster bij een pianohandelaar die haar zelf wil opleiden. Dat gaat haar goed af, ze heeft er veel werk in, ontmoet andere mensen, kortom de muziek en het stemmen bepalen haar leefomgeving. Dumon Tak heeft zich uitgebreid laten vertellen hoe het stemmen in zijn werk gaat. Voor mij kwam dat goed over. Ik ben lange tijd opgetrokken met een concertpianiste en kwam zodoende ook in contact met stemmers en restaurateurs. Die wereld kwam in geuren en kleuren terug. Om meer te weten over wat een wolfskwint is, kun je het best even zoeken op Wikipedia. Heel in het kort komt het erop neer dat als je alle intervallen puur en zuiver stemt, je er een overhoudt die lelijk vals klinkt. Een van de personages, een musicus die aan een psychiatrische kliniek is verbonden, wil graag zo’n stemming. Je komt er niet omheen (ik althans) hier de nodige symboliek in te zien. Alles bij elkaar vind ik Wolfskwint een aangrijpende roman, een definitieve aanrader die je nog lang bij zal blijven.

Advertenties

Griet Op de Beeck, Kom hier dat ik u kus

14 Mei

Griet Op de Beeck - Kom hier dat-290x186Ik kreeg deze roman uitgeleend van een goede vriendin. Een aanrader, zei ze, ik ben benieuwd wat jij ervan vindt; ik heb al lang geen blog meer van je gezien. Ze kent de redenen, maar gelijk heeft ze, het slapende blog moet hoognodig worden gewekt.

De Vlaamse Griet Op de Beeck had eerder veel succes met haar debuut Vele hemels boven de zevende. Dit is haar tweede roman en naar ik hoor opnieuw ontleend aan familieverhoudingen. De hoofdpersoon Mona vertelt haar verhaal in de ik-vorm. Niet een verhaal dat naadloos loopt van de eerste herinneringen tot aan het nu in de roman, circa vijfentwintig jaar later. Nee, de schrijfster kiest voor drie hoofdstukken als structuur: in het eerste is Mona negen tot tien jaar oud, in het tweede is ze vierentwintig en het derde begint als ze vijfendertig is.
In de eerste regels van het boek zit ze opgesloten in een donker hok, een straf die haar moeder regelmatig toepaste. Mona accepteert die straffen, ze is nu eenmaal niet zo lief als haar jongere broertje Alexander. Hiermee zijn we al snel bij de niet openlijk gestelde vraag wat een jeugd in mindere omstandigheden met iemand doet. Het maakt in ieder geval dat Mona niet in tranen uitbarst als haar ouders een auto-ongeluk krijgen en haar moeder overlijdt. Ze realiseert zich wel dat je zou moeten huilen; een goede dochter zou huilen als haar moeder dood gaat.

Ik las dit hoofdstuk geboeid en met plezier. Tegelijkertijd vroeg ik me af hoe goed dat kan lukken, een verhaal vertellen als negenjarige terwijl jij als schrijfster pakweg dertig jaar ouder bent. Lastig, leek me, omdat de stem van een negenjarige nu eenmaal kinderlijk is, terwijl teveel inzicht en wijsheid een gekunstelde indruk kan geven. De auteur moet dus balanceren op een dunne draad. Ik geef geen oordeel, tenminste een aantal van mijn lezers schrijft zelf levensverhalen en het lijkt me, zeker voor hen, interessanter om zelf tot een slotsom te komen.

Na de dood van de moeder komt er al snel een vriendin van vader in beeld, na korte tijd trouwen ze en wordt de kinderen voorgehouden dat ze deze Marie voortaan als mama moeten aanspreken. De nieuwe mama is niet zo streng en hard straffend als de biologische moeder Agnes, maar zij heeft een karakter dat op een andere manier veel vergt van het gezin. Vader, tandarts, heeft al vanaf zijn eerste huwelijk een eigen manier om met problemen om te gaan. Hij trekt zich terug in de praktijk in een aanbouw aan het huis. Toegeven, pleasen, vooral geen confrontaties. Of die aanpak op de lange termijn werkt is de vraag. Voor de kinderen is het terugtrekken geen optie, hoogstens kunnen ze het voorbeeld volgen van toegeven en het plaatje van een gelukkig gezin in stand houden. Dat is het waartoe de vader hen aanmoedigt, ten koste van hun spontane en eerlijke gevoelens.

Als Mona vierentwintig is zijn er drie kinderen in het gezin. De nieuwe ouders hebben er een dochter bij gekregen, Anne-Sophie. Alexander is getrouwd, zijn elf jaar oudere vrouw Charlie (21 en 32 jaar zijn ze) brengt nieuw bloed in het gezin; zij is niet beïnvloed door de regels van het huis. Mona is dramaturge geworden, en heeft in werk en privé een eigen kring om zich heen. In haar gedrag zie je hoe haar vroege jeugd doorwerkt.

In het derde deel komt een belangrijke wending. Dit deel greep mij bij de strot. Ik moest wel blijven doorlezen. De personages en de gebeurtenissen zijn absoluut geloofwaardig en daardoor ging ik mee met de emoties die het verhaal en de goeie en bepaald niet zo goeie personages oproepen. Uiteindelijk moet er iets gebeuren, dat is wel duidelijk, maar gaan de leden van dit gezin ook werkelijk iets veranderen?

Het was laat geworden toen ik het boek uit had en weglegde. De volgende dag begon ik opnieuw. Sommige zinnen zijn het herlezen meer dan waard. Griet Op de Beeck weet zo te schrijven dat ook de meest schrijnende gebeurtenissen draaglijk en soms zelfs luchtig op papier komen. Als ik het boek op een willekeurige bladzijde opensla, zie ik een verpleegster binnenkomen in de ziekenhuiskamer waar Mona’s vader dan ligt. “Ze draagt orthopedische slippers, stevig in de top drie van het favoriete schoeisel van de dames die hier werken. Bij het binnenkomen trekt ze haar mond in een brede glimlach en zegt jubelend goedemiddag, alsof ze Prozac neemt, maar de juiste dosis nog niet heeft gevonden.” Of subtieler: “Mijn vader knikt met het kleinste knikje dat hij in huis heeft.” Of: “…in haar blik springerig gras, krokussen en vuurrode wangen.”

Ze had gelijk, mijn vriendin, dit boek is een aanrader.