Archief | april, 2014

H.J.A. Hofland, Cicero Consultants

27 Apr

HJA Hofland - Cicero Consultants-181x292Voor de beschamende prijs van tien cent kwam ik gisteren, Koningsdag, op de vrijmarkt in het bezit van deze roman. Op de derde pagina heette het onder de titel: Een scenario. Op pagina vijf begint het verhaal met de introductie van de hoofdpersoon.

‘Jacob Daader was niet helemaal goed bij zijn hoofd, niet krankzinnig of achterlijk, of op een of andere manier psychotisch. Hij was niet goed bij zijn hoofd op zo’n manier dat degenen die met hem te maken kregen daar pas later achter kwamen. Zoals het meer mensen overkomt: soms kreeg hij een idee. Het verschil was dat hij zich liet meeslepen. Het idee was sterker dan hij.’
Het is duidelijk dat dit niet het begin is van een doodernstig verhaal. Op het achterplat was al aangekondigd dat Jacob met zijn vriend Roen Trapstra Cicero Consultants opricht ‘voor al uw toespraken’ en dat vanaf dat moment een wervelstorm van gebeurtenissen begint. Dat is een juiste samenvatting.
De twee kameraden, Jacob voorop, stellen dat iedereen rijk en beroemd wil worden, dat je dat kan bereiken door een goed redenaar te zijn, maar dat daar geen recept voor is. In plaats van een boek te schrijven, starten ze Cicero Consultants, een bureau dat zich specialiseert in kwaliteitslaster, afbraakhypes; het verbale doodschoppen. Beroemd gaat immers gepaard met gevreesd, hoe gevreesder hoe beroemder. Alles net binnen de grenzen van de wet.
Na een advertentie meldt zich de eerste klant, een rijzige weduwe met een zwarte hoed, een zwarte voile en jurk… ‘Meer rouw was niet mogelijk, meer haute couture evenmin.’ Ze wuift de condoleances weg, ze, Daria, is blij dat hij dood is en ze wil in haar toespraak tijdens de crematieplechtigheid graag kwijt dat het leven met deze man bepaald geen pretje was. Of bureau Cicero een passende speech wil maken.
Het schrijven is bij de auteur in goede handen, zijn uitstekend lopende zinnen lezen heel plezierig weg. Natuurlijk is het over the top, de reacties van de nabestaanden gaan over in een handgemeen en het is dat de consultants met haar weten te vluchten, anders was de weduwe nog gelyncht.

Als lezer vergelijk je steeds met gebeurtenissen die je kent. Afgezien van Daria’s openhartigheid, zoals ik nooit meemaakte, zie ik binnen mijn familie- en vriendenkring geen vechtpartijen ontstaan in de aula van een crematorium. Ik accepteerde wel een van de ongeschreven contracten tussen auteur en lezer: dit is een satirisch en hilarisch verhaal, ik kan nog van alles verwachten. (Begint de schrijver met Er was eens… dan accepteer je het sprookjescontract, je kijkt er niet van op als kikkers in prinsen kunnen veranderen en heksen kindertjes vetmesten.)
De overleden man was bezig met een groot project voor de herontwikkeling van een stuk verlaten havengebied. Zeer binnenkort zal de weduwe dit plan aan de pers presenteren. Er is echter een tegenpartij, een bekende bouwer die een alternatief en luxueus plan heeft, niet voor het volk maar voor de rijken die er veilig en bewaakt kunnen wonen. De tactiek van Jacob, om ervoor te zorgen dat Daria haar plan kan doorzetten, bestaat eruit de tegenpartij onderuit te halen. Hij moet daarom te weten komen waar en wanneer de concurrentie en zijn medestanders dingen deden die het daglicht niet verdragen. Jacob gaat aan de slag. Hij verzamelt louche informatie, een ambtenaar die gratis het bordeel van een zakenman bezoekt, een official die verliefd is op iemand uit het andere kamp, waardoor neutrale beslissingen onmogelijk worden. Bij het verzamelen van de bewijzen heiligt het doel – de nobele waarheid – de middelen. Jacob is de motor van Cicero, Roen de loyale vriend en in dezelfde beeldspraak: de bijwagen.
In een razend tempo ontvouwt de schrijver een tafereel met gladde zakenlieden en buigzame politici. Er is een grote onderlinge verwevenheid waarbij ieder uit is op eigen gewin. Hoewel het verhaal grotesk is, blijft de indruk achter dat je dit meer hebt gezien. Omkoping en corruptie, nieuw is het niet, het is niet het boek dat onthullingen doet, nieuwe inzichten verschaft; het levert wel een vrolijk verhaal dat je in één klap uitleest. Het herinnerde me aan jongensboeken en aan kwajongensstreken. Dat is trouwens het leuke van de literatuur, dat elk, of bijna elk boek tussen de voor- en achterkant een andere wereld tevoorschijn tovert, andere personages en een andere stijl. Zware kost en niet zo zware kost en soms, zoals nu, een vederlicht tussendoortje dat je toch even aan het denken zet over het leven in ons lage land.

Advertenties

Tommy Wieringa, Een mooie jonge vrouw

21 Apr

Tommy Wieringa - Een mooie jonge vrouw-292x176Een intrigerende titel, maar de lading dekt hij maar ten dele. Goed, de hoofdpersoon, Edward, begint een relatie met een aanzienlijk jongere vrouw, na zes jaar en de nodige moeite krijgen zij zelfs een kind, maar in hoofdzaak gaat het verhaal over Edward zelf. Meer diepte zou de geschiedenis krijgen als de tekst op het achterplat werd bewaarheid: “In dit liefdesverhaal stelt Tommy Wieringa de vraag wat pijn is en of je kunt doordringen tot de pijn van een ander als je deze niet eerst zelf hebt gevoeld.” Zeker, de woorden komen voor in de tekst, maar het blijft zijdelings. Ook bij “liefdesverhaal” zet ik een vraagteken.

De hoofdpersoon, viroloog en bekend zoals de bekende virologen die bij griep- of andere epidemiedreigingen op de beeldbuis verschijnen, heeft zich een naam opgebouwd in de wetenschap. Als hij even in de veertig is, kijkt hij rond zich heen en constateert dat hij een sociaal, laat staan familieleven, is vergeten. Het feit dat hij een prachtige jonge meid ziet fietsen – achter in de twintig, opvallend kontje – zet een mechaniekje in beweging. Zoals gezegd, dat aspect van het leven was hij vergeten; tijd voor een inhaalslag. Dat de twee zich in een totaal andere levensfase bevinden komt bij Edward niet op. De vader van het meisje wijst hem daar wel op, en in flink gechargeerde termen. De vraag of zij zich het leeftijdsverschil realiseert, en de consequenties, wordt door Edward niet gesteld.
Vragen stellen doet zij trouwens meer dan hij. Hoe het zit met de dieren die voor onderzoek worden gebruikt, wie de conferenties in aangename mondaine plaatsen betaalt. Tegenover haar idealisme stelt hij een praktisch, op geld en status berustend realisme. Natuurlijk werkt het zo in de wetenschap.
Edward begint al tegen de vijftig te lopen als hij vader wordt. Erg enthousiast toont hij zich niet. Enigszins merkwaardig, want volgens de auteur zou hij door middel van zijn jonge vrouw de tijd, de ouderdom en zijn verval kunnen overwinnen. In dat geval zou hij zijn vaderschap juist moeten omarmen, zou ik denken. Er kan dan nog van alles misgaan, maar laat ik me houden aan het verhaal zoals het geschreven is. Het kind blijkt een huilbaby en de moeder merkt, of denkt te merken dat het kind speciaal huilt als hij in huis is. Omwille van het kind kan hij maar beter vertrekken. Dat doet hij, en als lezer moeten we nu geloven dat de man met status en geld op een matrasje op kantoor gaat slapen en zich ’s morgens vroeg op de toiletten scheert en een beetje opfrist.
Daar tussendoor – het begon toen zijn vrouw in verwachting was – loopt een seksuele relatie met een laborante van nog eens een jaar of acht jonger. De mooie jonge vrouw uit de titel is intussen geheel buiten beeld geraakt. Wat mij betreft zou De ondergang van Edward Landauer een titel zijn die de lading beter dekt. Want dat het niet goed voor hem afloopt ligt voor de hand; dat het op een nogal groteske manier verkeerd afloopt, maakt het tamelijk zwakke verhaal er niet beter op.

Aan de positieve kant staat wel dat een aantal maatschappelijke onderwerpen aan de orde komt, ik noemde al de relatie tussen wetenschap en de industrie, ofwel het grote geld. Of dieren pijn kunnen voelen komt in een gesprek naar voren, hoewel de lezer daar niet veel wijzer wordt dan hij of zij waarschijnlijk al was. De tegenstellingen tussen de man die dierproeven doet en de vrouw die vegetarisch wenst te leven zijn interessant maar worden nauwelijks uitgewerkt. Dat het huwelijk niet erg lukt is niet verrassend, bij van geen van de twee zie je iets van een poging om de ander te begrijpen. Jammer voor de personages én voor de lezer. Twee mensen die een huwelijk een kans trachten te geven en mislukken, lijkt mij interessanter dan wat ik nu heb gelezen.
Je mag een gegeven paard niet in de bek kijken. Laat ik het maar bij dat oubollige spreekwoord houden.

Franca Treur, De woongroep

17 Apr

Franca Treur - De woongroep_187x292De hoofdpersoon, Elenoor, is bijna dertig. De studie zit erop, ze heeft een baan als content manager, dat wil zeggen ze houdt de inhoud van een paar websites bij. Ze heeft een vriend die al jaren bezig is om een film te maken, mede mogelijk gemaakt door een rijke vader.

Het is het moment dat ze omkijkt: waar gaat mijn leven eigenlijk over? De religieuze vraag zou geweest zijn: waartoe ben ik op aarde? Maar dit is niet Treurs vorige roman waarin de dominee een hele gemeenschap antwoord geeft op deze vraag. Elenoor denkt zingeving te vinden in een activistische woongroep. Die mensen staan tenminste ergens voor denkt ze. Even waan je je in de zeventiger jaren, heel even maar, want de gadgets waarvan Elenoor houdt zijn anno 2010. En waar de twintigers van toen geen enkele moeite hadden om de barricaden op te gaan – er was genoeg recht te zetten in de wereld – moeten de huidige woongroepers een vergadering beleggen om aan een onderwerp te komen. Niet iedereen stelt de vraag, maar wie de vraag naar zingeving wel stelt, krijgt geen eenduidig antwoord. Dat is wat Franca Treur vooral laat zien.
De wereld die zij oproept vind ik geloofwaardig en dat komt omdat zij in taal de bijna dertigers van nu uitstekend weet neer te zetten. Het onderwerp is zwaar genoeg, maar Treurs zinnen geven lucht, laten je regelmatig even glimlachen. Bij mensen die op zoek zijn denk ik eerder aan tasten, aan onzekerheid, dan aan grote gebaren, sterk neergezette avonturen. Wat dat aangaat past de stijl bij de inhoud.
Een tweede verhaallijn gaat over de zorg, de vercommercialisering ervan aan de ene kant, de handen aan het bed aan de andere kant. Medebewoner Alexander doet dat laatste. Elenoor ziet er een nobele, fraaie zingeving in. Maar ook dit is niet zo romantisch positief als het lijkt.
De stijl van schrijven leek me het best te illustreren door een deel van pagina 81-82 te scannen: op de warmste dag van het jaar helpt haar vriend Erik Elenoor met haar verhuizing.

De hele dag heb ik met Erik spullen lopen sjouwen. Wat een troep zeg, niet te geloven. Allemaal dingen waar ik eerder nog heel enthousiast over was. Ik heb alleen al een verhuisdoos vol opladers en afstandsbedieningen.
Ik denk dat ze me in mijn nieuwe huis voor een materialist zullen verslijten, bezit en commune gaan moeilijk samen, zeggen ze toch. En wat is daar nog van wie? Ik heb een paar apparaten van een heel goed merk. Voor de Vibropower-trilplaat heb ik bijvoorbeeld geen doos kunnen vinden, daar moesten we dus zo mee de gang over. Ik was vooruitgelopen, om te kijken of er niemand was.
Kust veilig,’ zei ik tegen een oververhitte Erik, die ermee in het trappenhuis stond te wachten. Iemand die al chagrijnig is moet je eigenlijk niet laten wachten. Nietzsche heeft al gezegd: iemand lang laten wachten is de beste manier om hem op gemene gedachten te brengen. (Ik heb dat niet zelf gelezen, ik citeer iemand die zelf de godganse dag Nietzsche citeert.)
Mijn kamers zijn helemaal aan het eind van de gang, tegenover die van Alexander. Ik heb uitzicht op een binnentuin, Annerie ook. De jongens kijken uit over de kade. Zij laten zich vandaag niet zien, maar Anneries deur staat de hele dag open. Vanuit mijn ooghoeken zie ik hoe Erik daar zo nu en dan een steelse blik naar binnen werpt.
De spullen staan op hoopjes en torentjes in mijn woonkamer, een stilleven alsof de ondergang van de wereld al geweest is. We zitten doodop op mijn bank, en ineens krijgen we hevige ruzie om een rotopmerking van Erik die ik niet ga herhalen, en ook over iets lulligs dat ik niet terug had moeten zeggen. De conclusie is dat Erik thuis gaat slapen.
Thuis?’
Ja.’
Sinds wanneer is jouw kamer thuis en de mijne niet?’
Ik dacht niet dat hij echt zou gaan. Ik dacht dat ik de situatie onder controle had, dat het in mijn handen lag om de juiste zin te zeggen met de juiste intonatie, en dat, zodra ik dat deed, alles weer in orde zou zijn.
Maar de situatie is dat hij tegen de dozen aan loopt te trappen, en dat hij naar zijn jas zoekt.
Ik zeg: ‘Waar heb je nu een jas voor nodig?’ Maar daar zitten z’n sleutels in. Hij vindt hem verdomde snel tussen de rotzooi, en voor ik het weet rent hij ermee de trappen af, zonder afscheidszoen of wat.
Ik hoor hem bonken op de treden. Het is een gehorig huis.

(Als ik dit fragment een paar keer herlees, zie ik wel zinnen die net iets beter zouden kunnen. Bij het lezen, niet in de modus docent Creatief schrijven, was het niet storend, maar toch, de recensenten die er een opmerking over maakten hebben een puntje.)