Tag Archives: stijl

Jan Wolkers, Een roos van vlees

24 Dec

Jan Wolkers - Een roos van vlees_183x292Ik kan niet zeggen dat het ‘heet van de naald’ gelezen is. De eerste druk kwam in november 1963 uit; ruim vijftig jaar geleden. Zo vertraagd lezen is wel een soort test: was het een roman die het alleen in de zestiger jaren goed deed omdat het verhaal aansloot bij de tijdgeest of doorstond het al die jaren?

Gelukkig voor mijn leesplezier is dat laatste het geval. Dat ligt vooral aan de onontkoombaar-heid van het verhaal. Toch kan ik me goed voorstellen dat sommige mensen het boek met een zucht wegleggen. De hoofdpersoon is een raspessimist, hij torst een zwaar verdriet mee, de omgeving is nat, koud, mistig, hij is erg astmatisch: het is een en al ellende. In zijn dromen wordt alles nog eens versterkt. De roman beschrijft ongeveer een dag uit het leven van de hoofdpersoon.
‘Daniël heeft vanmorgen weer de zenuwen. Rillend van de kou zit hij op de rand van zijn bed.’ Hij overweegt dat hij zijn oefeningen zou kunnen doen en daarna een flinke dag over kan hebben. Hij aait de kat, bedenkt dat het enige wezen is dat van hem houdt. Wat later stapt hij de deur uit, er ligt sneeuw, het heeft flink gevroren, hij neemt het pad langs het kerkhof. Daar ligt zijn twee jaar oude dochtertje, gestorven door een ongeluk met heet water. Hij was in die tijd nog met Sonja. Die twee hadden veel ruzie, in de loop van het verhaal begon ik wel te vermoeden dat dat waarschijnlijk aan hem lag.
Het is goed mogelijk dat een gezamenlijk groot verdriet de partners dichter bij elkaar brengt, maar het hoeft niet. Ook buiten de wereld van de roman heb ik stellen gekend die na het verlies van een kind uit elkaar groeiden, partners die zo’n verschil hadden in de manier waarop ze rouwden dat ze bij elkaar geen enkele steun konden vinden. Dat is hier in extreme mate aan de hand. Daniël kan heel slecht met mensen omgaan, het lukt hem gewoon niet. Met dieren gaat het beter, zo snijdt hij onderweg met een zakmes een vastgevroren waterhoen voorzichtig los. Hij voelt wel dat het dier te zwak is om een werkelijke kans te hebben. Hij stopt het onder zijn trui, maar na een tijdje blijkt de vogel toch gestorven. Hij delft dan ergens een grafje en begraaft het dier. Het is herkenbaar Wolkers, begaan met het lot der dieren, maar ook nuchter over de hardheid van de natuur. Thuis in zijn rommelige woning vindt hij een nestje jonge, nog kale muizen tussen de zakdoeken. Hij legt de zakdoeken weer terug en zorgt ervoor dat de kat niet in de kast kan komen. Daar volgt Daniël zijn gevoelens, maar contact en zeker het aanraken van mensen ondervindt hij als onmogelijk.
Hij heeft een vriendin waarover niet veel wordt verteld. Met haar had hij afgesproken om naar De ingebeelde zieke van Molière te gaan. Ze belt dat ze niet kan maar stelt voor dat een vriendin haar plaats inneemt. En zo komt Emmy naar zijn huis. Door de sneeuw is het openbaar vervoer door de war, de onbekende jonge vrouw komt binnen met natte schoenen en kousen die ze uittrekt om bij de kachel te drogen. Ze is verpleegster in een geriatrisch ziekenhuis en staat zodoende dicht bij de dood. Ze wordt er vrijwel dagelijks mee geconfronteerd, net als met het menselijk verval. De dood is trouwens bijna steeds aanwezig in dit verhaal. Daniël krijgt van tijd tot tijd vrijwel geen lucht meer. Hij heeft daar medicijnen voor, een drankje waarvan hij driemaal daags een eetlepel moet innemen. Hij neemt het gedurende de dag soms met slokken tegelijk. In die situatie neemt Emmy de zorgende rol op zich. Het lijkt haar niets om in zijn toestand over straat te gaan om naar een toneelstuk te kijken. Dan gaan we toch niet, suggereert ze.
Ze is niet een mooi meisje, vindt Daniël, maar ze is op een simpele manier goed, ook een beetje naïef. Om de kou te verdrijven drinken ze stevig en onder invloed van de alcohol vertelt Emmy over haar leven. Zij en haar zus zijn door haar tirannieke vader misbruikt. Dat hield pas op toen hij na een ongeluk invalide raakte en in een tehuis terecht kwam, waar zussen hem nooit meer opzochten. Daniël constateert, met enige verbazing, dat dit onbekende meisje hem veel vertelt en dat hij daar niets tegenover stelt. Later in de avond is het vanwege het weer en de tijd het beste als zij blijft slapen. Dat stelt Emmy voor, niet hij. Hij garandeert dat hij haar met rust zal laten. Als ze ziet dat hij geen pyjama heeft, zegt ze hem zijn onderbroek aan te houden. Maar hij raakt haar überhaupt niet aan. Wel hangt zijn arm een keer buiten bed. Hij voelt dan de bovenkant van haar schoen waar een stukje vacht op verwerkt is. Hij aait dat vachtje. Hij realiseert zich dat hij dichterbij niet kan komen. Het menselijk onvermogen tot werkelijk contact is hier heel sterk uitvergroot. Dat je blijft lezen komt door de stijl waarin Wolkers schrijft. Zeker bij een roman in de tinten zwart en donkergrijs is de stijl van groot belang om het verhaal te dragen.

Advertenties

Adriaan van Dis, Ik kom terug

30 Nov

Adriaan van Dis - Ik kom terug_195x290Er zit een dreiging in de titel, enigszins versterkt door de tekening van een weinig genaakbare vrouw die uit urn en spade opstijgt.
Ik kom terug bevat het relaas van de schrijver, die voor een goed deel met de ik lijkt samen te vallen, over de laatste periode van en met zijn moeder. Het is meer dan dat en het is fictie, aangeduid met het woord roman. Van Dis probeert, nu het nog net kan, te weten te komen wie zijn moeder is. Zoals van een schrijver te verwachten is, bedoelt hij van haar leven een verhaal te maken. Met die gedachte verzamelt hij feiten en informatie. Dat verhaal is echter niet de inhoud van deze roman. We volgen de schrijver bij het voorwerk, bij zijn pogingen de sluier die zijn moeder altijd over haar leven heeft geworpen stukje bij beetje te lichten. Dat valt helemaal niet mee. Als zij een mededeelzame moeder geweest zou zijn, hoefde hij niet nu te proberen om iets van haar geheimen te weten te komen. Ze is 98 en wel klaar met het leven, meer en meer laat haar lichaam het afweten. Wat ze wil als tegenprestatie voor haar verhalen is een pil die haar de mogelijkheid geeft gerieflijk uit te stappen.

Ik vermoed dat elke lezer een onbekende moeder heeft, al is het alleen maar omdat je de ander nooit volledig kent. Er is dus veel te herkennen hoewel lang niet elke moeder zoveel geheimen met zich meedraagt als moeder Van Dis. Sommige feiten kent de ik wel. Zijn moeder was getrouwd met een legerofficier uit wat nu Indonesië is. Hij heeft een paar gekleurde halfzussen, maar híj is van een andere vader, is wit en draagt een Zeeuwse naam. Ook weet hij dat moeder tijdens de oorlog in een jappenkamp moest zien te overleven. Dit zijn harde feiten, maar wat weet je dan nog. Elke kampbewoonster maakte de werkelijkheid en de vernederingen op een andere manier mee. Weinigen hadden de neiging om die verhalen en de emoties van toen weer op te halen. Veel belangstelling om ernaar te luisteren was er sowieso niet. Deze moeder had zich door een gemengd huwelijk buiten de vooroorlogse bekrompen samenleving geplaatst, ook in het ‘Indië’ van die tijd waren zulke verbintenissen not done. Een gewoon Hollands en voorspelbaar leven is dan ook niet te verwachten. De moeder blijkt ook niet een gewoon Hollands karakter te hebben, even in het midden gelaten wat dat precies is. Zij zoekt haar heil in oosterse godsdiensten en bij goeroes die in directe verbinding met het hogere staan. Zelf helpt zij haar medemensen als medium en is ze in staat om contacten met overledenen te leggen. Zij gelooft ook sterk in reïncarnatie, op deze wijze zal ze zeker terugkomen.

In de loop van de roman komt de ik wel meer te weten van zijn moeder. Samen gaan ze een keer terug naar Zeeland waar ze nog grond bezit, of bezat. Van boerse oorsprong, daar wilde ze een leven lang niet van weten, maar als zij de klei weer onder haar nagels voelt blijkt die afkomst niet te verloochenen. In de loop van de roman maakt de lezer kennis met een Duitser die in Indonesië woonde, daar was iets mee, maar de onderzoekende ik komt er niet achter welke rol hij speelde. Tegen het eind komt een zus over om te helpen bij de verzorging van de moeder die niets meer wil. Dit en meer wil ik niet beschrijven met in het achterhoofd dat je het boek zelf moet lezen en dat ik het lezen niet door een teveel aan details moet bederven.
Mij zette de roman eens te meer aan het denken over mijn eigen moeder, wat vermoedelijk weinig uniek is. Afgezien daarvan komen de verhoudingen in de overgangsperiode tussen Nederlandsch-Indië en Indonesië op de achtergrond aan bod. Situaties die complexer zijn dan in korte of zelfs langere artikelen zijn te beschrijven. Door dat alles heen hoorde ik de stem van Van Dis met de herkenbare, eigen melodie. Onwillekeurig vertelt de speurtocht naar wie je moeder was ook heel veel over de speurder op. Zo is Ik kom terug in hoge mate een ego-document.

Havank – De N.V. Mateor

5 Nov

HAVANK - NV Mateor - 188x292Onlangs vond ik een fraai uitgegeven herdruk in paperback uitvoering (1996, Walvaboek) van Hans van der Kallens zesde boek. De eerste druk stamt uit 1938 , de tekening van ‘De Schaduw’ van Dick Bruna verwijst naar de talloze Zwarte Beertjes waarin de Havank misdaadromans werden uitgegeven. Ik was benieuwd hoe dit verhaal ruim driekwart eeuw had overleefd. Het sobere taalgebruik van bijvoorbeeld Nescio en Elsschot hield de boeken van die schrijvers goed leesbaar. Havank gebruikte een duidelijk blommiger taal met rijke beschrijvingen. Hij begint met een proloog en eindigt met een epiloog. Chique, zeer chique, je komt dat niet vaak meer tegen. Van de bloemrijke beschrijvingen neem ik de allereerste zin over. Door de beschrijving te beschrijven bereik ik nooit hetzelfde resultaat.

‘De antieke Bretonse klok, naast de haard waarin een zorgvuldig gestapeld vuur van beukenblokken te gloeien lag dat de klamme kilte van de late novembermiddag verdreef, vervulde de rust en de stilte van de ruime bibliotheek, die door de groenoverkapte lamp op het gebeeldhouwde schrijfbureau in het midden van het vertrek slechts schemerig verlicht werd, met het gerucht van haar vijf bronzen slagen.’

Daarna volgen volzinnen over Lord Crainford zodat de lezer, met een beetje begaafdheid op dat vlak, de man en de kamer kan uittekenen. Dit is duidelijk níet de methode die ik tijdens schrijfcursussen propageer, namelijk: met een zo pakkend mogelijke zin met de deur in huis vallen, vanaf de eerste zin de lezer het verhaal in trekken. Qua stijl blijft het verhaal in lijn met de eerste zin, zij het dat er een wat spottende toon bij komt. Ik sla het boek op een willekeurige plek open en zie een scène waarin de politievrouw Manon in een nachttent is. ‘De dikke buitenlandse provinciaal naast haar spande zich zonder dralen ernstig in zich daverend belachelijk te maken. Manon vond het best, zolang hij het maar niet in zijn hoofd haalde aan haar tafel te komen zitten.’
De Schaduw gaat het een paar bladzijden verder minder goed: ‘Bewaakt door zes schietgrage pistolen bereikte hij de grond en stak veiligheidshalve zijn armen in de lucht – gelijk hem overigens bevolen werd.’
Al lezend vroeg ik me af of dit de stijl was die in 1938 leuk werd gevonden. Het moet wel, want de politieromans van Havank verkochten goed en nog lang daarna. Toch zou ik deze stijl vandaag de dag niemand aanraden. Ik heb het boek wel uitgelezen, deels omdat ik niet gauw opgeef waaraan ik begon, maar toch ook omdat het plot je voldoende nieuwsgierig houdt naar de uiteindelijke afloop. Havank bouwt een wereld op rond een klein misdaadsyndicaat dat zich bezighoudt met afpersing door met ontvoeringen en liquidaties te dreigen. Het speelt allemaal in Parijs, waar de schrijver uitstekend de weg lijkt te kennen. Er zijn verschillende personages die ‘fout’ zouden kunnen zijn, sommigen zijn het inderdaad, andere spelen een onverwachte rol. Zoals het, ik zou bijna zeggen ‘standaard’, recept voorschrijft is er een conflict tussen de situatie zoals die zou moeten zijn – zonder boeven – en de werkelijkheid. De held boekt aanvankelijk successen, dan valt de grafieklijn van het succes, de held en zijn kompanen winnen weer, nieuwe tegenslag, maar uiteindelijk winnen de goeden. Zo zitten James Bond films in elkaar, zelfs de verderfelijke Dick Bos-boekjes volgden dit principe.
Wat niet of nauwelijks aan de orde komt is de psychologische factor. Waarom doen de personages wat ze doen? Daardoor blijven ze flat characters. Naast de hoofdpersoon, De Schaduw, zijn er belangrijke rollen voor Silvère en voor de aantrekkelijke typiste Manon die, voornamelijk vanwege haar uiterlijk en haar vlot gebekt zijn, tot assistente van het opsporingsteam wordt bevorderd. Ze wordt getekend zoals middelbare scholieren mooie meiden in hun agenda tekenden, als een soort etalagepoppen. Is daarmee het lezen van zo’n oude detective verloren tijd? Ik denk het niet. Ook een uitstapje naar wat niet als Literatuur geldt kan interessant zijn, zeker een zo populaire titel als dit. Daarbij kun je zien wat je als schrijver anno 2014 niet meer zou doen. Wat brengt het bloemrijke taalgebruik teweeg en de goedmoedige ironie? Zorgt het voor glimlachend lezen, leidt het af van het verhaal of geeft het er een nieuwe dimensie aan?

Max Frisch, De mens treedt op in het Holoceen

9 Okt

Max Frisch - De mens treedt op in het Holoceen-181x292Dit verhaal, Max Frisch noemt het een vertelling, niet een roman, is geschreven in 1979 en een jaar later vertaald. Het zou makkelijk gedateerd kunnen aandoen, maar dan heb ik het puur over de leeftijd van het drukwerk, want Frisch is wars is van modieuze tierlantijnen, waardoor zijn werk niet snel veroudert.
Wie zelf schrijft (ook wie dat niet doet) treft hier een voorbeeld van hoeveel meer mogelijkheden je hebt met teksten als je je niet houdt aan de gebruikelijke aanpak. Als docent schrijven geef ik ook tips waarmee je de grootste valkuilen kan vermijden. Ik realiseer me dat als je een verhaal netjes volgens de regels opzet, je tot een goed en degelijk resultaat kan komen, maar dat de verrassende korte verhalen, of een roman, pas ontstaan als je buiten de lijntjes gaat.
Wat deed Frisch in deze vertelling? Hij toont de lezer mijnheer Geiser, die oorspronkelijk uit Basel komt, maar lang geleden is verhuisd naar een dal in Ticino, het Zwitserse kanton dat aan Italië grenst. Het regent. Het regent al lange tijd en het mist. Kennelijk zijn er aardverschuivingen geweest, de bus rijdt niet meer. De weduwnaar Geiser maakt toch al weinig contacten, maar nu is hij helemaal van de wereld afgesloten. Een van de weinigen die hem wel eens aanspreekt en die hem in deze periode soms een pannetje soep komt brengen, probeert mijnheer Geiser te vermijden.
Hij heeft zorgen: werken zijn hersens nog wel naar behoren, vergeet hij niet van alles, dingen die hij vroeger moeiteloos wist. Om het vergeten tegen te gaan, begint hij encyclopedische kennis over te schrijven uit naslagwerken. Hij kiest de geschiedenis van de aarde, de verschillende tijdperken -wie kent die lijstjes nog?- Paleoceen, Eoceen, Oligoceen, Mioceen, Plioceen, Pleistoceen en het Holoceen . Hij ontdekt gaandeweg dat het niet nodig is om alles over te schrijven, hij knipt uit wat hij wil onthouden en zet die briefjes met punaises vast aan de wanden. Later, als de punaises op zijn gaat hij over op wondertape. De briefjes zijn in het boek gekopieerd, zodat je als lezer een precies beeld krijgt van wat Geiser het opzoeken en uitknippen waard vindt. Dit is niet de enige manier waarop hij zijn veroudering wil tegenhouden. Hij herinnert zich een bergtocht die hij vroeger ooit volbracht en besluit die nog eens over te doen. Het wordt waarschijnlijk moeilijker, maar hij zou het nog steeds moeten kunnen volbrengen. Voor de lezer levert het een spannende episode op, de man gaat in slechte omstandigheden aan zijn tocht beginnen en het wordt meer en meer de vraag of hij ooit zal terugkeren. En wie zal hem zoeken als er niemand is die weet dat hij aan deze tocht is begonnen.

De stijl van Frisch kan je geruist sober noemen, hij gebruikt geen woord teveel om de eenzaamheid van Geiser te beschrijven en te laten zien hoe deze zijn levenseinde probeert te verhinderen. Het boek heeft een open einde, hoewel de lezer conclusies kan trekken uit een aantal aanwijzingen. Zo zou het gevecht met, en de angst voor de dood zou heel goed contraproductief kunnen zijn. Die dagelijkse concentratie op het eigen verval zou dat verval in de hand kunnen werken. Mijnheer Geisers fascinatie voor de aardgeschiedenis, waarin het ontstaan en de erosie tot de huidige vorm van de Alpen een rol speelt, zie ik als een fraai beeld voor de nietigheid van de mens. In een van de naslagwerken leest Geiser dat de mens optreedt in het Holoceen, pas laat in de hele aardgeschiedenis. Daarmee is de titel van het boek letterlijk verklaard.
Zoals gezegd, de aanpak van deze vertelling is apart en het gegeven is simpel: oudere man verzet zich tegen afnemende capaciteiten; zijn eenzaamheid versterkt zijn angst voor de dood. Doordat hij alleen staat is er ook geen huisgenoot is die als rem en of bemoediging werkt. Dit laat Max Frisch zien, hij blijft dicht op de huid van zijn personage en illustreert het verhaal met de werkelijk uitgeknipte stukjes waarmee mijnheer Geiser angstvallig wil vasthouden aan de schoolkennis die hij ooit meende te bezitten. De manier waarop dit is uitgewerkt resulteert in een een boek dat ook na zoveel jaren leest als van een verhaal uit de laatste oogst.

Harry Mulisch, De versierde mens

2 Jun

Harry Mulisch - De versierde mens 291x183Onder deze titel verschenen in 1957 zeven verhalen. Mijn exemplaar stamt uit 1982. Magisch-mythisch wordt de stijl wel genoemd, abstract-realisme zei Mulisch zelf ooit. Hoe we het noemen doet niet heel veel ter zake. Uit beide benamingen blijkt wel dat het niet gaat om verhalen waarin een werkelijke of verzonnen gebeurtenis wordt verteld, punt, uit. Dat is niet de aanpak van Mulisch in zijn gehele werk en zeker niet in deze verhalen die hij tussen 1953 en 1955 schreef. Bij sommige verhalen kwam de gedachte op: hoe zat het met de tijd, halverwege de vijftiger jaren, waren toen psychedelische stoffen al in omloop? Volgens Van Dale kwam het woord na 1950 in zwang. Dat wil niet zeggen dat iedereen die psychedelische muziek, schilderijen of teksten maakte, zelf geestverruimende middelen nam. Wel dat het werk binnen de tijdgeest paste. Laat ik eindigen met de omtrekkende bewegingen en op de verhalen ingaan.

Het verhaal Keuring gaat over Sander Broodman die de keuring voor militaire dienst negeert en wordt opgehaald door militairen in bloederige uniformen. Wat volgt is een aaneenschakeling van bizarre gebeurtenissen vol vuil en geweld. Uiteindelijk wordt hij buiten gezet, het lijkt erop met een S-vijfje al wordt dat niet gezegd. S5 was de term voor iedereen die geestelijk niet helemaal stabiel was. Homofilie viel daar gemakshalve ook onder.
De terugkomst is rustiger van toon. Ook de dood is minder gruwelijk. De vader van de hoofdpersoon die elk voorjaar weg trok om over de eilanden te zwerven, overlijdt in een bootje aan de oever van een weiland in Kortenisse, een glimlach om de mond. “Wakker geworden aan de verkeerde kant van zijn dromen. Wie dat overkomt is dood. De dromen laten hem niet meer door…” Veel later gaat de hoofdpersoon op zoek naar getuigen van zijn vaders leven en komt uiteindelijk ook niet meer terug van de eilanden.
De sprong der paarden en de zoete zee is een verhaal dat ooit los is uitgegeven. Hier een dertienjarige jongen die verliefd raakt op een onbereikbaar meisje. Hij overweegt zelfmoord, denkt dan aan moord, het meisje komt door een ongeluk om het leven, wat hem een groot schuldgevoel oplevert, ten slotte verliest hij zijn verstand. Zijn verhaal, opgeschreven in zijn strafwerkschrift, wordt gevonden, en tweemaal doorverteld in vormen die niet meer lijken op het origineel. Het wordt een mythe over Schokland en de Zuiderzee. Ook hier speelt de dood een grote rol, en zijn het de herhalingen die het verhaal uittillen boven het anekdotische van het dagelijks leven.
Quauhquauhtinchan in den vreemde gaat over een jongen wiens moeder bij de geboorte sterft, die wordt meegenomen door een kinderloze man en in een Mexicaans-indiaans gezin opgroeit. Tot hij tot buitengewone proporties groeit. Staan kan hij allang niet meer, zijn groei verplettert hele steden, bossen en bergen. Dit gaat 62 bladzijden door en ik was blij aan het volgende verhaal te beginnen: Wat gebeurde er met sergeant Massuro? Dit speelt in Nieuw Guinea. Een groep soldaten moet de orde daar handhaven. Van de bevolking en de omgeving hebben ze geen idee. Als ze ergens nieuwe, ver weg gelegen dorpjes vinden, geven ze het namen als Verneukschoten. Een soldaat neemt een inlands meisje. “Heb je je hand voor haar mond gehouden?” Nee, zegt de soldaat, maar als hij zijn hand opendoet staan de tanden erin. Massuro wordt ziek en wordt steeds zwaarder. Schuldgevoelens uit eerdere, niet beschreven perioden, verstenen hem. Als hij na zijn dood open wordt gezaagd, blijkt hij geheel uit graniet te bestaan.
De versierde mens is het volgende verhaal. Het blijkt aan te duiden dat de mens zich via de techniek voorziet van allerlei extensies, daarmee siert hij zich, maar terwijl zijn uiterlijke verschijning indrukwekkender wordt, krimpt zijn innerlijk. Ten slotte een apocalypsachtig verhaal, Een stad in de zon, waarin een man zijn weg vindt tussen door natuurkrachten verwoest landschap. Hij heeft een stervend paard en een vleugel (piano) bij zich.

Het ene verhaal zal de lezer meer aanspreken dan het andere. Er zijn ook twee manieren om het te lezen: als teksten met een diepe betekenis waarvoor je als lezer de moeite neemt ze te lezen en herlezen omdat je ze wilt doorgronden, of je houdt ermee op, vindt het te gemaniëreerd, en je gelooft het verder wel. Ik vond het interessant te zien hoe je de grenzen van het schrijven kunt verleggen. Binnen de bundel had ik wel duidelijk mijn voorkeuren. Ik vroeg me dan ook af of de schrijver zelf na een halve eeuw nog achter al zijn verhalen zou staan. Maar ja, dat heeft ook te maken met het karakter van de auteur.

Thomas Hürlimann, Veertig rozen

16 Mei

Thomas Hürlimann - Veertig rozen 291`x185Het eerste boek dat ik van Hürlimann las, Het tuinhuis, maakte dat ik de Zwitserse schrijver toevoegde aan mijn persoonlijke toplijstje. In dit blog schreef ik eerder over Juffrouw Stark en over De grote kater (Der große Kater). Net als in die laatste roman speelt de politiek in Veertig rozen een flinke rol; het feit dat de schrijver de zoon is van een politicus zal ongetwijfeld meespelen.

De roman gaat echter over veel meer. Hoofdpersoon is Marie Katz, kleindochter van een Joodse immigrant die als couturier een succesvol atelier begon. In de buurt van een van de Zwitserse meren bouwde hij een huis, omgeven door een park, met in de kelder een atelier vol snorrende naaimachines. Zijn creaties waren vooral in Midden- en Oost-Europa erg gewild. Onder het bewind van haar vader begint het minder te gaan, het modebeeld verandert, Italië en Duitsland raken in de ban van het fascisme, maar niet alleen die twee landen. Intussen is de familie half geassimileerd, Maries moeder is katholiek en haar oudere broer priester en zo mogelijk wat roomser dan de paus. Dit leren we uit de flashbacks. Het verhaal begint op de zoveelste veertigste verjaardag van Marie. Zoals altijd worden die ochtend veertig rozen bezorgd, zoals altijd zal ze naar de hoofdstad rijden waar haar echtgenoot een belangrijke politieke functie heeft. En zoals steeds zal ze eerst nog snel langs Percy, de kapper en vriend gaan. Het is een flinke tocht, er zijn files en opstoppingen en in die tijd heeft ze alle ruimte om haar leven te overdenken.
In essentie is het een leven waarin zij nooit zichzelf was. Als Marie Katz verwezenlijkt ze de droom van haar vader. Hij heeft haar pianoles gegeven en ze wordt aangenomen op het conservatorium. Daar komt ze in contact met vrijgevochten kunstzinnige geesten, in de trein naar huis schakelt ze naar de ingetogen dochter die haar vader verwacht te zien. Later komt ze Max Meier tegen die haar vooral waardeert als de First Lady aan zijn zijde die hem vooruit zal helpen in zijn politieke ambities. Ze speelt de rol en ze weet dat ze hem speelt. Steeds meer komt ze los van haar eigen persoonlijkheid om te voldoen aan het beeld dat politiek opportuun is.
De lezer krijgt inkijkjes in de Zwitserse houding tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Antisemitisme kwam daar ook voor, veel Zwitsers verwachtten, of sloten in ieder geval niet uit, dat er een Anschluß met Duitsland zou komen. Vader Katz werd dringend aangeraden zijn naam in neonletters van het dak te halen. De politici in het dorp aan het meer, die daarnaast middenstanders zijn, groeten niet meer, de slager levert alleen nog het taaiste vlees, het beeld dat Hürlimann van Zwitserland schetst,  is een stuk minder fraai dan de meeste inwoners graag etaleren.

Er zijn meer schrijvers die correct en goed leesbare zinnen op papier zetten, maar er is ook proza als muziek, proza dat je met extra plezier leest. Er zijn boeken vol tips voor een goed geschreven verhaal, hoe je dialogen schrijft, personages tot leven wekt, hoe je met de tijd omgaat. Dat kan je allemaal doen en met een beetje goeie wil schrijf je dan een behoorlijk boek, een roman die aan de eisen voldoet. En dan is er de schrijver die dit allemaal weet, misschien wel intuïtief toepast, maar op zoek gaat naar meer, naar nieuwere vormen. Er is wel een lijst te maken van vernieuwende en verrassende schrijvers, ik ga mezelf niet onderbreken om dát nu eerst te doen, maar Thomas Hürlimann hoort op die lijst te staan. In deze roman gaat hij ook met de tijd op een oorspronkelijke manier om. Tegen het eind van het verhaal is Marie bij het hotel aangekomen. We lezen hoe er als elk jaar een diner is, waarbij de eigenaar, de eigenaresse en de staf naar hun tafel komen voor felicitaties, tegelijkertijd zit Marie op het toilet en in haar gedachten herhaalt de scène zich, de eeuwige wederkeer, ze is moe. “Marie begon met het herstel van haar façade en was blij dat ze haar vale huid onder een dikke laag schmink kon verbergen. Max verwácht het, zei ze. Hij heeft het nódig. (…) Hoe werkt een opgebruikte man zijn rimpels weg? Juist, met een jonge vrouw! Daarom die veertig rozen…” Wat zich zo dadelijk zal afspelen hebben we al gezien, maar nu pas gaat Marie met de lift naar de vierde verdieping. “Het was als altijd, als in al de jaren ervoor: Max, al omgekleed, zijn rechterhand in zijn broekzak, stond als een schaduw voor het langzaam dovende avondlicht. Marie, zei hij, ben je daar eindelijk!”
Er zijn op dat punt nog tien bladzijden te gaan, met een laatste dramatische ontwikkeling.

H.J.A. Hofland, Cicero Consultants

27 Apr

HJA Hofland - Cicero Consultants-181x292Voor de beschamende prijs van tien cent kwam ik gisteren, Koningsdag, op de vrijmarkt in het bezit van deze roman. Op de derde pagina heette het onder de titel: Een scenario. Op pagina vijf begint het verhaal met de introductie van de hoofdpersoon.

‘Jacob Daader was niet helemaal goed bij zijn hoofd, niet krankzinnig of achterlijk, of op een of andere manier psychotisch. Hij was niet goed bij zijn hoofd op zo’n manier dat degenen die met hem te maken kregen daar pas later achter kwamen. Zoals het meer mensen overkomt: soms kreeg hij een idee. Het verschil was dat hij zich liet meeslepen. Het idee was sterker dan hij.’
Het is duidelijk dat dit niet het begin is van een doodernstig verhaal. Op het achterplat was al aangekondigd dat Jacob met zijn vriend Roen Trapstra Cicero Consultants opricht ‘voor al uw toespraken’ en dat vanaf dat moment een wervelstorm van gebeurtenissen begint. Dat is een juiste samenvatting.
De twee kameraden, Jacob voorop, stellen dat iedereen rijk en beroemd wil worden, dat je dat kan bereiken door een goed redenaar te zijn, maar dat daar geen recept voor is. In plaats van een boek te schrijven, starten ze Cicero Consultants, een bureau dat zich specialiseert in kwaliteitslaster, afbraakhypes; het verbale doodschoppen. Beroemd gaat immers gepaard met gevreesd, hoe gevreesder hoe beroemder. Alles net binnen de grenzen van de wet.
Na een advertentie meldt zich de eerste klant, een rijzige weduwe met een zwarte hoed, een zwarte voile en jurk… ‘Meer rouw was niet mogelijk, meer haute couture evenmin.’ Ze wuift de condoleances weg, ze, Daria, is blij dat hij dood is en ze wil in haar toespraak tijdens de crematieplechtigheid graag kwijt dat het leven met deze man bepaald geen pretje was. Of bureau Cicero een passende speech wil maken.
Het schrijven is bij de auteur in goede handen, zijn uitstekend lopende zinnen lezen heel plezierig weg. Natuurlijk is het over the top, de reacties van de nabestaanden gaan over in een handgemeen en het is dat de consultants met haar weten te vluchten, anders was de weduwe nog gelyncht.

Als lezer vergelijk je steeds met gebeurtenissen die je kent. Afgezien van Daria’s openhartigheid, zoals ik nooit meemaakte, zie ik binnen mijn familie- en vriendenkring geen vechtpartijen ontstaan in de aula van een crematorium. Ik accepteerde wel een van de ongeschreven contracten tussen auteur en lezer: dit is een satirisch en hilarisch verhaal, ik kan nog van alles verwachten. (Begint de schrijver met Er was eens… dan accepteer je het sprookjescontract, je kijkt er niet van op als kikkers in prinsen kunnen veranderen en heksen kindertjes vetmesten.)
De overleden man was bezig met een groot project voor de herontwikkeling van een stuk verlaten havengebied. Zeer binnenkort zal de weduwe dit plan aan de pers presenteren. Er is echter een tegenpartij, een bekende bouwer die een alternatief en luxueus plan heeft, niet voor het volk maar voor de rijken die er veilig en bewaakt kunnen wonen. De tactiek van Jacob, om ervoor te zorgen dat Daria haar plan kan doorzetten, bestaat eruit de tegenpartij onderuit te halen. Hij moet daarom te weten komen waar en wanneer de concurrentie en zijn medestanders dingen deden die het daglicht niet verdragen. Jacob gaat aan de slag. Hij verzamelt louche informatie, een ambtenaar die gratis het bordeel van een zakenman bezoekt, een official die verliefd is op iemand uit het andere kamp, waardoor neutrale beslissingen onmogelijk worden. Bij het verzamelen van de bewijzen heiligt het doel – de nobele waarheid – de middelen. Jacob is de motor van Cicero, Roen de loyale vriend en in dezelfde beeldspraak: de bijwagen.
In een razend tempo ontvouwt de schrijver een tafereel met gladde zakenlieden en buigzame politici. Er is een grote onderlinge verwevenheid waarbij ieder uit is op eigen gewin. Hoewel het verhaal grotesk is, blijft de indruk achter dat je dit meer hebt gezien. Omkoping en corruptie, nieuw is het niet, het is niet het boek dat onthullingen doet, nieuwe inzichten verschaft; het levert wel een vrolijk verhaal dat je in één klap uitleest. Het herinnerde me aan jongensboeken en aan kwajongensstreken. Dat is trouwens het leuke van de literatuur, dat elk, of bijna elk boek tussen de voor- en achterkant een andere wereld tevoorschijn tovert, andere personages en een andere stijl. Zware kost en niet zo zware kost en soms, zoals nu, een vederlicht tussendoortje dat je toch even aan het denken zet over het leven in ons lage land.