Archief | mei, 2014

Thomas Hürlimann, Veertig rozen

16 Mei

Thomas Hürlimann - Veertig rozen 291`x185Het eerste boek dat ik van Hürlimann las, Het tuinhuis, maakte dat ik de Zwitserse schrijver toevoegde aan mijn persoonlijke toplijstje. In dit blog schreef ik eerder over Juffrouw Stark en over De grote kater (Der große Kater). Net als in die laatste roman speelt de politiek in Veertig rozen een flinke rol; het feit dat de schrijver de zoon is van een politicus zal ongetwijfeld meespelen.

De roman gaat echter over veel meer. Hoofdpersoon is Marie Katz, kleindochter van een Joodse immigrant die als couturier een succesvol atelier begon. In de buurt van een van de Zwitserse meren bouwde hij een huis, omgeven door een park, met in de kelder een atelier vol snorrende naaimachines. Zijn creaties waren vooral in Midden- en Oost-Europa erg gewild. Onder het bewind van haar vader begint het minder te gaan, het modebeeld verandert, Italië en Duitsland raken in de ban van het fascisme, maar niet alleen die twee landen. Intussen is de familie half geassimileerd, Maries moeder is katholiek en haar oudere broer priester en zo mogelijk wat roomser dan de paus. Dit leren we uit de flashbacks. Het verhaal begint op de zoveelste veertigste verjaardag van Marie. Zoals altijd worden die ochtend veertig rozen bezorgd, zoals altijd zal ze naar de hoofdstad rijden waar haar echtgenoot een belangrijke politieke functie heeft. En zoals steeds zal ze eerst nog snel langs Percy, de kapper en vriend gaan. Het is een flinke tocht, er zijn files en opstoppingen en in die tijd heeft ze alle ruimte om haar leven te overdenken.
In essentie is het een leven waarin zij nooit zichzelf was. Als Marie Katz verwezenlijkt ze de droom van haar vader. Hij heeft haar pianoles gegeven en ze wordt aangenomen op het conservatorium. Daar komt ze in contact met vrijgevochten kunstzinnige geesten, in de trein naar huis schakelt ze naar de ingetogen dochter die haar vader verwacht te zien. Later komt ze Max Meier tegen die haar vooral waardeert als de First Lady aan zijn zijde die hem vooruit zal helpen in zijn politieke ambities. Ze speelt de rol en ze weet dat ze hem speelt. Steeds meer komt ze los van haar eigen persoonlijkheid om te voldoen aan het beeld dat politiek opportuun is.
De lezer krijgt inkijkjes in de Zwitserse houding tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Antisemitisme kwam daar ook voor, veel Zwitsers verwachtten, of sloten in ieder geval niet uit, dat er een Anschluß met Duitsland zou komen. Vader Katz werd dringend aangeraden zijn naam in neonletters van het dak te halen. De politici in het dorp aan het meer, die daarnaast middenstanders zijn, groeten niet meer, de slager levert alleen nog het taaiste vlees, het beeld dat Hürlimann van Zwitserland schetst,  is een stuk minder fraai dan de meeste inwoners graag etaleren.

Er zijn meer schrijvers die correct en goed leesbare zinnen op papier zetten, maar er is ook proza als muziek, proza dat je met extra plezier leest. Er zijn boeken vol tips voor een goed geschreven verhaal, hoe je dialogen schrijft, personages tot leven wekt, hoe je met de tijd omgaat. Dat kan je allemaal doen en met een beetje goeie wil schrijf je dan een behoorlijk boek, een roman die aan de eisen voldoet. En dan is er de schrijver die dit allemaal weet, misschien wel intuïtief toepast, maar op zoek gaat naar meer, naar nieuwere vormen. Er is wel een lijst te maken van vernieuwende en verrassende schrijvers, ik ga mezelf niet onderbreken om dát nu eerst te doen, maar Thomas Hürlimann hoort op die lijst te staan. In deze roman gaat hij ook met de tijd op een oorspronkelijke manier om. Tegen het eind van het verhaal is Marie bij het hotel aangekomen. We lezen hoe er als elk jaar een diner is, waarbij de eigenaar, de eigenaresse en de staf naar hun tafel komen voor felicitaties, tegelijkertijd zit Marie op het toilet en in haar gedachten herhaalt de scène zich, de eeuwige wederkeer, ze is moe. “Marie begon met het herstel van haar façade en was blij dat ze haar vale huid onder een dikke laag schmink kon verbergen. Max verwácht het, zei ze. Hij heeft het nódig. (…) Hoe werkt een opgebruikte man zijn rimpels weg? Juist, met een jonge vrouw! Daarom die veertig rozen…” Wat zich zo dadelijk zal afspelen hebben we al gezien, maar nu pas gaat Marie met de lift naar de vierde verdieping. “Het was als altijd, als in al de jaren ervoor: Max, al omgekleed, zijn rechterhand in zijn broekzak, stond als een schaduw voor het langzaam dovende avondlicht. Marie, zei hij, ben je daar eindelijk!”
Er zijn op dat punt nog tien bladzijden te gaan, met een laatste dramatische ontwikkeling.

Advertenties

Kees van Beijnum, De ordening

2 Mei

Kees van Beijnum - De ordening-183x292Het boek dat na De ordening verscheen, De oesters van Nam Kee, had ik jaren geleden met plezier gelezen. Ik begon dus opgewekt aan deze nieuwe roman, voor mij wel te verstaan want de eerste druk in verscheen 1998, mijn vijfde druk in 2003. Teleurgesteld ben ik zeker niet, al waren er aspecten waarover ik minder enthousiast was.

Het gegeven is interessant, de hoofdpersoon, Stella Verstarre, eerste helft twintig, leeft na haar studie filosofie van een uitkering in het hart van Amsterdam. Ze verdient wat bij doordat ze een deel van haar woonruimte verhuurt aan een Surinamer die er wiet teelt. Weinig is in deze roman wat het op het eerste gezicht lijkt of wat je als cliché in het hoofd zou kunnen hebben. De Suri drijft een antiquariaat en is iemand met wie Stella behoorlijke gesprek kan voeren.
De hoofdpersoon, Stel voor haar vrienden, krijgt steeds meer diepte, al zal ze tot op het eind ook raadselachtige eigenschappen houden. Ze leeft op afstand van zichzelf en haar omgeving. Ze is naïef, tegelijkertijd zoekt ze, in mijn ogen althans, naar merkwaardige ervaringen. Zo heeft ze de gewoonte ontwikkeld om bij verzendhuizen bestellingen te plaatsen om die een dag later volgens de voorwaarden kosteloos te retourneren. In een volks café laat ze zich verleiden door morsige figuren die ze in haar hart verafschuwt. Met uitgeschakeld gevoel. Dat lijkt haar houding, afstand houden van wat dichter op de huid kan komen.
Door haar activistische tweelingbroer wordt ze gewezen op een advertentie waarin een weduwe iemand vraagt om haar archief te ordenen. De weduwe bewoont in het Gooi Villa Landlust, ooit een aantrekkelijk buiten, nu vergane glorie. Ze vraagt Stella bij haar eerste bezoek of ze weet wie ze is. Ze noemt haar naam, De Heus Verolmen, de zwarte weduwe. De gelijkenis met Rost van Tonningen is onontkoombaar. Niet een op een, een aantal dingen kloppen niet met de feitelijke geschiedenis, andere wel. De man uit de roman én Rost van Tonningen kwamen in de Scheveningse gevangenis door een val in het trappenhuis om het leven en de ophef (1986) over het feit dat de weduwe een staatspensioen kreeg, komt ook in de roman terug.
Het past wel bij Stella om zich niet te druk te maken over wat ‘men’ ervan denkt dat ze voor de zwarte weduwe werkt. Zij ziet mevrouw De Heus Verolmen als de ‘broze, schimmige vrouw met het maanbleke gezicht’. De bedoeling van de ordening is het archief zo toegankelijk te maken dat de weduwe eruit kan putten om haar memoires te schrijven. Allengs ontstaat tussen de oude en de jonge vrouw een soort vriendschap en begrip. Doordat Stella alles wat het archief bevat aan brieven, kranten, foto’s doorneemt krijgt ze haar eigen versie van de nog niet geschreven autobiografie te lezen. Er ontstaat een gewoonte om dagelijkse samen een wandeling te maken met de hond. De vrouw die als het absolute kwaad in de media wordt geschilderd, blijkt (uiteraard, zou ik zeggen) iemand die een jeugd had en dromen, hoewel de auteur het feit dat ze fout was en nog steeds is, bepaald niet onder het tapijt veegt. Ik vond dit deel het meest interessant. Als het hierbij gebleven was, zou de roman inhoudelijk nogal dun zijn, maar met de wending die het verhaal neemt was ik niet erg gelukkig. Ik had moeite het vervolg te geloven.
Het is fictie! zou je kunnen tegenwerpen. Dat is ook zo, van fictie weet ik dat het niet waar is, maar binnen het kader van het verhaal, gegeven de omstandigheden en de karakters van de personages, wil ik kunnen geloven dat ook het niet zo waarschijnlijke waar had kunnen zijn. Binnen die ruim gestelde marges overtuigt de schrijver mij niet. Er arriveert een min of meer leeftijdgenoot van Stella, Andreas, oorspronkelijk uit Frankfurt. Hij is (?) de kleinzoon van een Duitser die de weduwe op haar vlucht aan het eind van de oorlog heeft leren kennen, een geliefde die ze decennia lang eenmaal per jaar zag in Zwitserland. Andreas blijkt niet te zijn wat hij wil lijken. Hij blijft een paar maanden logeren, in die tijd knapt hij de hele villa op, en restaureert hij een oude Bentley tot die er weer uitziet als in de folder. Met Stella ontstaat een relatie waarin ze elkaar dagelijks verhalen vertellen. Op zijn instigatie moeten het verhalen blijven, verteld in de hij/zij-vorm. Echt tot leven komt Andreas niet en de gevoelens van Stella… tja. Het verhaal wordt meer en meer een thriller die maar moeilijk te geloven valt.

Ik noemde al de activistische broer. Hij valt zijn tweelingzus er op aan dat ze voor die foute weduwe werkt. Zelf is hij op een andere manier fout. Al jarenlang vindt hij dat het doel, bv. Het dierenwelzijn, alle middelen heiligt, waardoor hij ten slotte in de ogen van de maatschappij gewoon crimineel wordt. Terug naar de ordening. Na maanden is de klus geklaard, alles zit chronologisch in dozen opgeborgen. Als Stella de resultaten laat zien, begint de weduwe te lezen en ontdekt ze dat de documenten een andere werkelijkheid laten zien, dan het levensverhaal dat zich in haar hoofd heeft gevormd. Ze zou het beeld in haar hoofd kunnen aanpassen, maar dat – en dat vind ik heel geloofwaardig – lukt niet meer. Er is veel meer over deze roman te zeggen, er zijn interessante wendingen, maar ik wil niemands leesplezier bederven. Onder de eindstreep blijft een boeiende en fascinerende leeservaring over.